Leesfragment: James Worthy

27 november 2015 , door James Worthy
| | | |

Morgen, 26 april, verschijnt de debuutroman van James Worthy: James Worthy. Vanavond kunt u hoofdstuk vier van het boek lezen én uw exemplaar reserveren.

James is een dromerige dertiger, ex-stotteraar en het onbetwiste lachertje van de Amsterdamse schrijverswereld. Zijn boeken verkopen niet en zijn zelfvertrouwen daalt gestaag. Vriendin Polly, het mooiste meisje van de hoofdstad, ziet de bui al hangen en ruilt hem in voor een succesvol kunstenaar. Wat volgt is een duizelingwekkende neerwaartse spiraal vol zelfdestructief gedrag, duimzuigen in de foetushouding, onnodig lange seksscènes en een schaamteloze zoektocht naar een onwaardige dood.

James Worthy is een ontroerend en grappig geschreven briefkaart vanuit de put, een ode aan de duisternis van iemand die zichzelf volledig is kwijtgeraakt en een ouderwetse sneer naar de vergankelijkheid van de moderne liefde. Krijgt James met dit boek zijn Polly terug, of blijft hij de geboren verliezer die kost wat kost wil leven als zijn held Jan Wolkers?

Lees de eerste drie hoofdstukken bij de uitgeverij, op achievers.nl.

Dit hoofdstuk is ook te lezen in de oorspronkelijke opmaak op achievers.nl.

4

‘James, ik wil met je praten, mag ik naar huis komen?’
‘Hoe bedoel je huis?’
‘Dat ding waar wij twee fantastische jaren in hebben beleefd.’
‘O, mijn huis. Ja, kom maar langs, Polly. Natuurlijk.’
Misschien wil ze me terug, waarom niet, ik heb immers een nieuwe broek én nieuwe schoenen. Die heb ik vorige week speciaal voor Polly gekocht. Donkerblauwe bordeelsluipers en een kaki corduroy broek. Ze vond mijn kledingstijl vroeger, over het algemeen genomen, infantiel. Nu ga ik haar dus proberen te overdonderen met klasse en raffinement. Jezus, wie hou ik nou voor de gek? Alsof een paar klompen van suède en de ribfluwelen broek van een boswachter haar onbuigzame aversie jegens mij kan doen knakken. Polly heeft niets tegen mijn garderobe, ze heeft iets tegen onze relatie, wat blijkbaar, ik weet het niet, een demonisch kankergezwel van een relatie was.
‘James, we zijn perfect voor elkaar, maar niet voor onszelf,’ zei ze glunderend in ons laatste tête-à-tête. Haar dumpspeech. Alsof ze blij was met die ene zin, zeg maar bijzonder trots op zo’n tegeltjestekst.
‘Is zweverig taalgebruik belangrijker dan de reden waarom ik vanavond alleen slaap? Wat is jouw motief? Waarom steek je een nagenoeg foutloze relatie in de rug? Neuk ik je verkeerd? Ben ik niet succesvol genoeg? Vertrouw je me niet? Zeg iets, godverdomme, daar heb ik recht op.’
Polly ontweek oogcontact en kwam met de volgende shakespeariaanse woorden op de proppen: ‘Het ligt niet aan jou, James. Het ligt aan mij. De fout ligt bij mij.’
‘Is dat het? Serieus, Pol? Na alles wat ik je heb gegeven, na alles wat we hebben meegemaakt, serveer je me af met een cliché uit Amerikaanse sitcoms? Je haalt morgen al je spullen op, de hele pleurisbende, en daarna wil ik je nooit meer zien. Happy Days!

Polly zit op de bank, ze ziet er mooi uit. Ze heeft zo’n hippiehaarbandje om haar hoofd, bij alle andere vrouwen vind ik dat dom staan, maar Polly lijkt door het kleurrijke bandje op Bo Derek. Een marineblauw truitje zit strak om haar imposante buste en op haar linkertiet zit een Afrikavormige broche. Met haar vuurrode lippen blaast ze in een mok muntthee, haar favoriet. ‘Je ziet er goed uit, James. Leuk die schoenen en die broek. Hoe gaat het met je moeder?’
Wat een laffe vraag, zeg gewoon waarom je hier bent en rot dan weer op. Of trouw met me. ‘Ja prima, druk op werk hè, je kent het. Alles goed met jouw moeder, Pol?’
‘Die vermaakt zich wel, hoor, morgen beginnen haar clubjes weer, linedancen, klaverjassen, ze is nog steeds dol op gezelligheid.’
Wat een gelul, ik hoop dat je moeder morgen een scheenbeen breekt, de aan borrelnootjes verslaafde zeug. ‘Goed om te horen, maar wat doe je hier eigenlijk, Polly? Wat wilde je bespreken? Wil je me terug? Hahahaha.
Mijn voormalige droomvrouw kijkt bedrukt en gaat met haar handen door het haar, ze oogt onrustig. ‘Nou James, het zit zo, ik heb iemand leren kennen. Een jongen, een man. Zijn naam is Pete en hij is een kunstenaar.’
Ik breng mijn theekop naar mijn mond zodat Polly niet kan zien dat ik de woorden ‘vieze vuile loopse kankerhoer’ in mijn mangothee fluister. ‘Nu al? Maar je wilde toch gewoon even vrij zijn, genieten, onafhankelijk zijn, met je vriendinnen de hort op, die Thelma & Louise-shit?’
‘Niet dus, ik snap het ook niet, James.’
‘Maar Pol, wat moet ik hier nou mee? Moet ik nu ook gaan zeggen wie ik allemaal heb geneukt? Ken je buurvrouw Lara nog, ik spuit al zeker twee weken mijn zak over haar borsten leeg. Wil je dat weten? Nee! Natuurlijk niet. Waarom doe je dit? Moet ik boos op je worden? Wil je dat ik je ga haten?’
Polly kijkt verrast. ‘Heb jij Lara geneukt? Die met dat mongolenkind?’
Ik zucht. ‘Ties is autistisch, geen kwijl, geen diepliggende ogen, hij is gewoon gek op domme dinosaurussen. Maar dit is ongelooflijk. Ik zou kogels voor je vangen en als je ooit onverhoopt borstkanker zou krijgen dan zou ik met alle liefde de kanker uit je borsten zuigen. Polly, ik zou zelfs naar Eindhoven verhuizen voor jou, geen probleem. Houdoe, alaaf, kedengkedeng, als ik maar bij jou ben. Jij bent mijn alles, Polly, begrijp dat dan, jij bent mijn Annie Hall.’

‘After that, it got pretty late and we both had to go, but it was great seeing Annie again and I realized what a terrific person she was and how much fun it was just knowing her... and I thought of that old joke, you know, this guy goes to a psychiatrist and says, “Doc, uh, my brother’s crazy, he thinks he’s a chicken,” and uh, the doctor says, “Well, why don’t you turn him in?” And the guy says, “I would, but I need the eggs.” Well, I guess that’s pretty much how I feel about relationships.’ Woody Allen en Diane Keaton in Annie Hall, zo hoort liefde te zijn. Klungelig, lief, onzeker, memorabel en zonder happy end. Liefde is je geheugen verafschuwen, liefde is nooit meer je ogen willen sluiten, liefde is Polly en een of andere Pete. Prima, wat jij wilt, Polly, vanavond ga ik je studiegenootjes het bed in praten.

 

*

 

Ik ben lang niet in Paradiso geweest, grotendeels omdat het Amsterdamse uitgaanswereldje inhoudsloos, voorspelbaar en een kolos van een façade is. De gezichten veranderen nooit, de roddels veranderen nooit, de dj’s veranderen nooit, alleen de drankprijs is wispelturig van aard. Maar goed, vanavond duiken mijn vrienden en ik de poel des verderfs in, baantjes trekken tot de zon opkomt. Jeff regelt de coke, Gunther regelt de drank, Skip vraagt onze favoriete platen aan bij de dj en ik, ik observeer. Het is een soort gave, ik kan aan een vrouw zien of ik een kans maak. Dat meisje bij de bar, kleinkunsthuppelkutje, navelpiercing, J. Loparfum, makkelijk! Dat vrouwtje op de dansvloer, die brunette die om de vijf seconden aan haar haar zit tijdens het dansen, twee complimentjes over haar prachtige sleutelbeenderen en ze laat zich vingeren op het balkon. Die corpulente bingomoeder met zweetlip, waar Skip zo mee loopt te flirten, die laat zich voor een medium bananenmilkshake gangbangen door de Hells Angels. ‘Hé, jij bent James Worthy, toch? Je boeken zijn kut, maar die spleet tussen je tanden is schattig.’
Voor mijn neus staat een zoet Indonesisch meisje, 1 meter 50 met wielrenkuiten, een kangoeroebuikje en de tieten van een kampioen.
‘Mijn boeken zijn kut? Net zo kut als jouw oorbellen? Wat zijn het eigenlijk? Lychees?’
Ze loopt boos weg, ik loop boos achter haar aan en pak haar vast bij de schouders. ‘Hé wacht, sorry, het zijn hele mooie oorbellen. Heel exotisch en ja, mijn boeken zijn kut, maar wat wil je, mijn hele leven stelt geen kut voor.’
De dj draait ondertussen ‘Silvia’ van Miike Snow, mijn nummer, ik schreeuw ‘bedankt skip!’ en geef de kleine criticus een kus. Jeff propt nonchalant een envelopje wit in mijn linkerhand. ‘Kom schat, wij moeten nodig even plassen.’

Op de achterkant van mijn telefoon liggen vier rommelige lijntjes. ‘Lijntje links, lijntje rechts, kom op. Het is net Tetris, maar dan duurder,’ zeg ik. De wc is vies en het licht is te fel, maar hierdoor zie ik wel hoe mooi haar ogen zijn. ‘Wow kleine. Donkerbruin met kleine witte puntjes, je ogen lijken op Ferrero Rochers.’
Ze plaatst haar handen op de ondergekalkte deur en zegt: ‘Waar wacht je op? Ik heb geen onderbroek meer aan, die ligt namelijk op je hoofd.’ Ik denk aan Polly en Pete, mijn kopzorgen, en neuk het arme meisje een hersenschudding totdat ik een sms’je krijg van Gunther. ‘Tequila bij de bar, nu!’
Opgefokt loop ik de trap op, ik wil die Pete zien en hem kreupel trappen. Nee, hij moet dood. Eigenlijk wil ik de gemeente Amsterdam alvast bellen om te zeggen dat ze zo’n lieveheersbeestjesstoeptegel klaar kunnen leggen. De bloedhond. In z’n skinnyjeans... ja, het is vast zo’n hippe flikker. Hoedje op, zelfgemaakt t-shirt, jarenzeventigkapsel. Hij speelt ongetwijfeld basgitaar in een Joy Division-coverband. Als ik hem zie maak ik hem dood, langzaam, maar dat kan altijd nog, nu eerst tequila.
Skip is totaal de weg kwijt, Jeff is spoorloos en Gunther wijst naar mijn hoofd. ‘Je hebt een gele damesonderbroek op je hoofd.’
Fuck it,’ zeg ik en ik lik het zout van mijn hand. Skip komt naast me staan en legt zijn arm broederlijk om me heen: ‘Jij en Polly, waar is het toch misgegaan, kerel? Nog nooit heb ik mensen zoveel van elkaar zien houden, zelfs mijn pa en ma niet. Ik zeg het je eerlijk, ik was soms jaloers op je, James.’
Ik geef Skip een kus op zijn voorhoofd. ‘Lieve Skip, ik snap er zelf ook geen ene mallemoer van. Maar liefde is als een tube tandpasta. Een tube tandpasta is nooit leeg, nooit, maar na een tijdje hebben mensen gewoon geen zin meer om kracht te zetten.’

Bij de bar staat een vrouw met rode krullen, ze heeft een kolibrie van inkt op haar rechterpols en door haar onderlip zit een ringetje. Ik haat kolibries, het is de enige vogel ter wereld die achteruit kan vliegen en dat moet mij blijkbaar enorm imponeren of zo. Een glimmend zwart jurkje zit bijzonder strak om haar bilpartij. Het oogt allemaal zo goed als vacuüm verpakt en hierdoor kunnen de aanwezige lelijke vrouwen haar overduidelijk niet luchten. Het mysterieuze roodharige meisje maakt met behulp van wat vingers een ‘v’ en plaatst deze nonchalant tegen haar lippen. Of ze verlangt naar een sigaret of ze heeft zin in voorspel, het universele handgebaar voor ‘sigaretje?’ is naar mijn idee niet echt glashelder. Ze dartelt haastig over de dansvloer en ik volg enthousiast. Het scharlakenrode haar komt praktisch tot haar stuitje en ik besef opeens dat ik nog nooit een roodharige vrouw heb gehad. Ik heb ze wel altijd aantrekkelijk gevonden, maar roodharige vrouwen hebben iets onheilspellends. In mijn jeugd had je twee roodharige tv-personages: de onhandige kat van Gargamel, Azraël, en het aan drugs verslaafde weeskindje Pippi Langkous. Niet echt de meest ideale uithangborden voor de haarkleur die al net zo populair was als spinazie. Natuurlijk deed Popeye wel zijn best voor de snelgroeiende bladgroente, maar ik weigerde in die tijd ook maar iets aan te nemen van een zeeman die verliefd is op de allereerste anorexiepatiënt ooit. Rood is en blijft gewoon een hele tegenstrijdige kleur. Het is de kleur van de liefde, maar tegelijkertijd is het de kleur van stilstand. Het is de kleur van mijn favoriete voetbalclub, maar het is ook de kleur van een pak karnemelk of een reep pure chocolade. Rood is grillig, onbetrouwbaar, gevaarlijk en misschien daarom zo verdomd verleidelijk.

De rookruimte staat blauw, ze staart naar mijn glazen bier. ‘Waarom heb je eigenlijk twee biertjes in je handen en waarom is de een groter dan de ander?’
‘Ik kan nu gaan beweren dat het een reden heeft en dat ik het “Matroesjka”-biertjes noem. Dit omdat als het grote glas leeg is, ik de volle kleine in zijn geheel in de grote overgiet, maar dat is niet zo. Ik ben gewoon een ordinaire zuiplap.’
Gewapend met een stoïcijnse blik neemt ze nog een slok van haar witte wijn. ‘Misschien klinkt het raar, maar ik heb zojuist besloten dat wij straks gaan neuken.’
‘Vanwaar die haast? Ik ken je net vijftien minuten, en oké, in mijn hoofd heb ik je al meer dan twintig keer geneukt, maar jij bent zo’n zeldzaam mooie vrouw voor wie mannen met alle liefde hun zaad een paar dagen willen opsparen. Niet dat ik niet aan je ketchuprode haar wil trekken en mijn levensmayo over je onderrug wil zien vloeien, maar nog voor het bereiden van die ietwat simpele cocktailsaus wil ik je wat beter leren kennen.’
Ze kijkt bedenkelijk. ‘Ik wist het wel, jij bent zo’n Grote Smurf-man.’
‘Pardon?’
‘Niet veel mensen weten dat Smurfin oorspronkelijk een product van Gargamel was, een valstrik op hakjes, maar Grote Smurf heeft met al zijn goedheid en liefde een normale smurf van Smurfin weten te maken.’
Ik lach. ‘Misschien heb je wel gelijk, ik ben een expert in het onschadelijk maken van seksbommen. Van die bommen maak ik een tostiapparaat en niet veel later neuk ik het tostiapparaat kapot.’
Ze glimlacht. ‘Jij bent een heel rare, zorgwekkende man.’
‘Jij bent een heel rare, zorgwekkende vrouw.’
‘Precies en daarom gaan wij straks heel rare, zorgwekkende seks hebben.’

Normaliter ben ik niet zo van het zoenen op de dansvloer, althans niet gratis. Niet dat ik een gigolo ben, maar let maar eens goed op: als twee mensen innig op de dansvloer staan te zoenen besluiten veel hopeloze niet-zoeners dat het tijd is voor een sterk drankje. De baromzet stijgt aanzienlijk dankzij onze lippen, waardoor wij, de zoeners, recht hebben op minimaal 10%. Wijlen Arne Jansen had het er in zijn grootste hit al herhaaldelijk over, maar zijn zoetsappige Avrobode-ode komt niet eens in de buurt van hoe deze roodharige vrouw zoent. Mijn huidige danspartner is letterlijk mijn gezicht aan het pijpen. Het is dierlijk, het is schaamteloos en het is bijzonder verfrissend in een tijd waarin de minimalistische filmkus hoogtijdagen viert. Ik zal nog vaak horen dat onze manier van zoenen iets weg had van weerwolvenporno.
Volle maan of niet, ik wil ieder sproetje op haar lelieblanke lichaam likken en dan kan die taxichauffeur wel afkeurend naar mij kijken, deze roodharige heeft mij gewoonweg in haar greep. Ze hoeft mij maar aan te kijken of ik krijg het warm. Ze stapt uit terwijl ik de taxichauffeur betaal, hij kijkt overstuur. ‘Ik zou het niet doen als ik jou was. In mijn land heb je een gezegde: als je sekst met de duivel zit er altijd wel een vork in de weg.’
‘Heb je wel gezien hoe mooi ze is? Rode krullen en honingsproetjes. Die sproetjes, sodeju, het is net confetti, alsof haar neus jarig is.’

Ze loopt voor mij de trap op, ik kan haar onderbroek zien. ‘Ik kan je onderbroek zien!’ Ze draait zich om en ploft neer op de trap. Nog geen vier tellen later sta ik met haar onderbroek in mijn handen, ze staat op en loopt verder naar boven. ‘Ik kan je kut zien!’ Haar meisjesachtige gegiechel is het startschot voor ongenegeerde en kronkelige trappenhuisseks. Ze kreunt veel te hard, maar het kan me niets schelen. Fok de buren, fok iedereen, fok Polly. ‘Wow, onze eerste keer lijkt op een prent van M.C. Escher,’ fluister ik hijgerig in haar oor.

We liggen met onze neuzen tegen elkaar aan in mijn onopgemaakte bed. De regen klettert tegen het dakraam. Spijkerhard, alsof de waterkoude druppels er alles aan doen om onze lichamen te bereiken. Haar vingers gaan door mijn borsthaar en ik schaats met mijn vingertoppen van gladde bil naar gladde bil. De waxinelichtjes doen hun werk, mijn slaapkamermuren golven. Buitengewoon romantisch, maar mijn arme kat mist inmiddels wel een aantal essentiële snorharen. Ze bijt zachtjes op mijn onderlip terwijl ik haar enter. Ik wil haar lichaam plunderen, alles meenemen en dan samen weer alles opbouwen. Dit is liefde, ik zie het in haar ogen na iedere stoot. Zij zorgt voor mij als ik oud, dik en lelijk ben en ik, ik begin zelfs al te wennen aan die domme kolibrietatoeage.
De onophoudelijke stem in mijn hoofd is het er niet mee eens. Ik zoek geen vrouw voor het leven, ik zoek tijdelijke tederheid. Mijn hartstochten zijn geen marathons, het zijn vluchtige sprintjes. Ik hou van haar, maar tot wanneer? Vrouwen zijn een canvas, ik spuit ze vol met intieme ontmoetingen en diepe gesprekken, maar na een tijdje is het doek gewoon compleet. Begrijp me niet verkeerd, ik geloof in de eeuwige liefde, maar ik geloof meer in de aanpak van wijlen Gainsbourg. Serge deed het in zijn tijd alleen maar met adembenemende schepsels: Jane Birkin, Juliette Gréco, Brigitte Bardot, godverdomme, iedere man heeft recht op zo’n lijstje. Monogamie is een wonderschoon iets, blijf vooral veertig jaar samen, maar ik begin steeds meer te geloven dat er altijd wel een leukere vrouw rondloopt. Ergens in een rokerige kroeg zit de hedendaagse Brigitte Bardot op je te wachten. Maar misschien ben ik ook wel gewoon een onnozele dromer en moet ik deze toenemende rusteloosheid negeren, want als ik naar die stem blijf luisteren zal geen enkele vrouw ooit volstaan. Dan zal ik door tramruiten en brievenbussen blijven turen, op zoek naar Polly.

We hebben zojuist twee keer de liefde bedreven. Ze is volmaakt, ze is warmzalig. De zweetdruppels branden in mijn ogen, maar het vuur is nog lang niet gedoofd. Ik kruip tegen haar aan en stel voor dat we synchroon gaan masturberen. Puur als toetje, de kers op de taart. Ze stopt twee vingers in mijn mond en spuugt tegelijkertijd in mijn rechterhand, niet veel later liggen we bijna in elkaar. Onze wimpers spelen tikkertje en haar vingers spelen verstoppertje in de regen. Ik wacht, ik kom, nee, ik wacht.
‘James, ik kom echt bijna, laten we samen komen,’ zegt ze zwoegend.
‘Tel maar af,’ zeg ik vastberaden. 10, 9, 8, 7, 6, 5, 4, 3, 2, 1, ze kronkelt, ze komt haast kalligrafisch. Mijn oerkreet is teugelloos, ik plastificeer mijn onderbuik en probeer tegelijkertijd de kramp in mijn linkerkuit weg te wuiven. Dit is liefde, ik wil met haar vader gaan vissen. Die belachelijk saaie lul zit vast in de zonwering- en rolluikenbusiness of zo. Ach, wat die man ook doet, hij zal altijd in de schaduw van zijn stralende dochter staan.
‘Dat aftellen? Doe je dat vaker?’ vraagt ze.
‘Dat aftellen doe ik al tien jaar. In de zomer van 2000 las ik ergens dat je minder kans op prostaatkanker hebt als je twee keer per week masturbeert. Ik ruk zo’n twintig keer per week en dat maakt mij naar alle waarschijnlijkheid onsterfelijk. Wil je met me trouwen?’
Nee, ik wil niet trouwen. Alleen zijn is mijn ding, dit is het leven van een schrijver. Drank, mentholsigaretten, losbandigheid, onzekerheid en zelfmedelijden. Ik heb al twee weken geen wcpapier in huis en mijn koelkast is leeg, pijn en leegte zijn mijn katalysatoren. Daarnaast zijn vrouwen net als humor. Maak een goede grap en er zullen vijftig mensen lachen, maak er nog een en het zijn er honderd, maar maak je daarna een slechte grap, tja, dan mopperen er opeens vierhonderd. Mensen wachten altijd op een fout. Nogmaals, ik hoef geen vrouw voor het leven. Geef mij iedere maand een andere schoonheid en ik ben tevreden. Iemand die ik kan meenemen naar familiebijeenkomsten. ‘O, die James is nog steeds niet getrouwd, zijn arme moeder zit vast op kleinkinderen te wachten.’ Rot op, tante Karnemelk-kut, ik bemin de mooiste vrouwen van Amsterdam en omstreken. Dat is mijn missie, ik ben op deze wereld gezet, à la Gainsbourg, om vrouwen te vertellen hoe ongeëvenaard geweldig ze wel niet voor heel eventjes zijn.
Ik ken haar net, maar ik hou van deze vrouw, morgenochtend ga ik toiletpapier voor haar halen. De stem is het er niet mee eens, want ze is geen Polly. Ik kruip tegen haar aan en kus haar voorhoofd. Ze ligt vredig te slapen, ik sluit mijn ogen. De onophoudelijke stem begint af te tellen. 10, 9, 8, 7, 6, 5, 4, 3, 2, 1. Polly, ik kom nu naar je toe.

© James Worthy, 2011
Foto © Ilja Meefout

Lebowski Achievers

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum