Leesfragment: Je betreedt nu het menselijk hart

27 november 2015 , door Janet Frame
| | |

Deze week verscheen de verhalenbundel Je betreedt nu het menselijk hart van Janet Frame, een selectie van haar meest indrukwekkende korte verhalen. Deze Nacht kunt u er twee verhalen uit lezen.

Janet Frame (Nieuw-Zeeland, 1924-2004) kwam na een verkeerde diagnose terecht in een psychiatrische inrichting. Door de erkenning die ze voor haar schrijverschap kreeg, werd ze op het nippertje behoed voor een leukotomie. De Nieuw-Zeelandse schrijfster werd vooral beroemd met haar autobiografische trilogie Een engel aan mijn tafel, maar schreef ook prachtige verhalen. Deze verhalen hebben haar leven gered.

De lagune

Bij eb wordt het water teruggezogen in de haven en is er geen lagune, alleen een stuk vuil grijs zand met schaduwen van donkere plassen zeewater waarin je een jonge inktvis kunt aantreffen als je geluk hebt, het gespikkeld oranje, oude huis van een krab, of het verdronken wrak van een speelgoedbootje van een kind. Boven de lagune is een brug vanwaar je naar de plassen beneden kunt kijken om je spiegelbeeld te zien, verstrengeld met zeewater en rietstengels en stukjes wolk. En soms is daar ’s nachts een onderwatermaan, schimmig en geheimzinnig.
Dit werd me allemaal door mijn grootmoeder verteld, mijn grootmoeder uit Picton, die wist hoe ze klimplanten moest kappen, niervarens vinden en een pad maken door het dichtste gedeelte van het bos. Toen mijn grootmoeder stierf, kwamen alle Maori’s van het dorp naar haar begrafenis, want ze was bevriend met de Maori’s en haar moeder was een Maori-prinses geweest, een heel mooie vrouw, zei men, die op een felle manier kon liefhebben en haten.
Kijk de lagune eens, zei mijn grootmoeder. De smerige lagune, vol met drijfhout en zeewier en krabbescharen. ’s Zomers is hij smerig en zanderig en stinkt. Ik herinner me dat we ronde, witte stenen over het water lieten scheren, stekelbaarsjes vingen in het beekje vlakbij en zandkastelen bouwden aan de rand ervan; dit is mijn kasteel, zeiden we, jij bent vader en ik ben moeder en we gaan hier wonen en blijven voor altijd krabben en visjes vangen.
Ik hoorde grootmoeder graag over de lagune praten. En als we met vakantie naar Picton gingen, waar grootmoeder woonde, vroeg ik: Oma, vertel eens een verhaaltje. Over het Maori-dorp. Over de oude man die bij de fjorden in het zuiden woonde en een geit en een koe als vrienden had. Over de lagune. En dan vertelde mijn grootmoeder me verhalen over de fjorden en het dorp en zichzelf toen ze jong was. Hoe ze als meisje uit werken ging in de huizen van rijke mensen. Maar de lagune had nooit een eigen verhaal, of anders heeft mijn grootmoeder me dat nooit verteld.
Kijk het water eens, zei ze. Vol met zeewier en krabbescharen. Maar ik wist dat dit niet het goede verhaal was en ik ontdekte pas wat het echte verhaal was toen ik volwassen was en grootmoeder was gestorven, de meeste oude Maori’s uit het dorp waren weggetrokken en de oude man, de koe en de geit waren vergeten.
Op een keer ging ik met vakantie naar Picton. Het was een lange reis met de trein en aan het eind ervan was ik blij de groen en blauwe stad te zien die ik me uit mijn jeugd herinnerde, al was die natuurlijk kleiner en waren de bomen gekrompen en leken de heuvels piepklein.
Ik logeerde bij een oom en tante. Ik maakte boottochtjes door de haven en ging picknicken met de zomerse mensen in bloemetjesjurken en met zonnehoeden op, en met kleine kinderen in jurkjes van bedrukt katoen, of kaki korte broeken als het jongens waren, vooral als de vaders van die jongens in het leger zaten. We namen manden met fruit en boterhammen mee – niet met tomaat, want tomaat wordt soppig, hoewel sommigen ze soppig lekker vinden – en drie pennies in je zak voor ijsjes. Er werden wedstrijden gehouden voor de kinderen en soms voor de mannen en vrouwen, en na afloop liep er een man over het terrein met lolly’s te jongleren. Het waren heerlijke dagen, met die picknicks in de fjorden, waarbij de Maori’s zongen en op hun ukeleles speelden, alleen zongen ze geen echte Maori-liederen, maar You are my sunshine en South of the Border. En als het dan donker werd, kwamen de stelletjes tussen de bomen vandaan, werden de boten gereedgemaakt en ging iedereen zingend terug, terwijl de baby’s huilden omdat ze moe waren en verbrand in de zon en gebeten door zandvliegen. Zandvliegen zijn duivels, zei iedereen, maar voor de kinders waren het heerlijke dagen.
Misschien hield ik van het nieuwe Picton, ik weet het niet. Als er dingen waren die ik niet eerder had opgemerkt, waren er ook dingen verdwenen waarvan ik dacht dat ze er altijd zouden zijn. De twee gombomen die ik de twee dames noemde, waren weg of als ze er wel waren, kon ik ze niet vinden, en het pad over de heuvel in het reservaat was er niet. Vroeger klommen we naar boven en keken naar het stoomschip dat uit de zee-engten kwam aanvaren. En in het bos groeide gaspeldoorn, maar het bos zelf joeg niet dezelfde angst aan, ook al druppelde en ruiste het er zoals altijd vreselijk geheimzinnig.
Er waren ook meer mensen in de stad. Door de spoorlijn komen er meer toeristen, zei mijn tante. Overal waren mensen, ze lagen op het strand te verbranden of bruin te worden door de zon en de zee, mensen zoefden door de haven in motorboten die leken op de puf-pufbootjes die we op kerstochtend in de badkuip lieten rondzoeven. Mensen die surften, tennisten, in de zee-engten visten, in skiffs oefenden voor de Regatta. Mensen.
Maar mijn grootmoeder was er niet om me alles te laten zien en me verhaaltjes te vertellen. En de lagune was smeriger dan ooit. Kijk de lagune eens, zei mijn tante. Vol met drijfhout en zeewier en krabbescharen. We konden de lagune vanuit het keukenraam zien. We bekeken die dag foto’s, waarop de rare kleren afgebeeld waren die mensen vroeger droegen. Daar zat oma op de veranda met haar breiwerk en daar was mijn overgrootmoeder, de Maori-prinses met haar grote bruine ogen, in de kanten jurk die haar man voor haar had gekocht; met de hand gemaakte kant, zei mijn tante, hij hield van haar tot hij die vrouw uit Nelson ontmoette, mannen zijn soms gek, maar ik denk dat vrouwen misschien nog wel gekker zijn.
‘Bestaat er een verhaal over?’ vroeg ik. Ik was weer een kind: Oma, vertel eens over …
Mijn tante glimlachte. Ze voelt soms dingen aan.
‘Het soort verhaal dat in de Truth zou kunnen staan’, zei ze. ‘Op de ochtend van de tragedie zag een getuige dat de gedaagde enz. enz. Je overgrootmoeder was een moordenares. Ze heeft haar man verdronken, duwde hem de lagune in. Ik neem aan dat het vloed was, ik weet het niet. Het zou De Vrouw uit Nelson hebben geheten …’ zei ze peinzend. ‘En er zouden foto’s bij zijn geweest. Maar indertijd wist niemand het, alleen de familie. Iedereen dacht dat hij een slok te veel op had en niet zag waar hij liep.’
Mijn tante trok het gordijntje opzij en tuurde naar buiten. Ze deed me denken aan de vrouwen in films die zich in een emotioneel moment naar het raam keren, maar dit moment was net als mijn tante niet emotioneel.
‘Het is een interessant verhaal’, zei ze. Ik lees liever Dostojevski dan de Truth.
Het water was bruin en glansde en aan de rechterkant lag de donkere schaduw van de heuvel van het reservaat. Aan de rand speelden kinderen: Christopher Robins met zand tussen hun tenen, ze lieten speelgoed oorlogsschepen varen en waadden op blote voeten door de plassen.
‘Dat heeft grootmoeder me nooit verteld’, zei ik.
Mijn tante glimlachte weer. ‘De reden’ (citeerde ze) ‘dat mensen niet over hartzaken praten is de angst om gekwetst te worden.’
En toen liet mijn tante het gordijntje voor het raam vallen en ging terug naar de foto’s.
Was het mijn tante die sprak of was het mijn grootmoeder of mijn overgrootmoeder, die zo dol was op een witte kanten jurk?
Bij eb is er geen lagune. Alleen een stuk vuil grijs zand. Ik herinner me dat we platte, witte stenen over het water lieten scheren, stekelbaarsjes vingen in het beekje vlakbij en zandkastelen bouwden; dit is mijn kasteel, zeiden we, jij bent vader en ik ben moeder en we gaan hier wonen en blijven voor altijd krabben en visjes vangen…

Kiel en Koel

Vader schudde de kruimels van de grote, rood met grijze plaid en spreidde hem toen weer uit op het gras.
‘Zo’, zei hij. ‘Moeder hier en Winnie hier en Joan, jij blijft naast Winnie. We zetten het biscuitblik weg zodat het niet op de foto komt. Nu allemaal lachen.’
Hij deed een stap achteruit, kromde zijn hand boven de voorkant van het fototoestel en keek toen over zijn schouder ‘om te zien of de zon ook kijkt’, zei hij tegen de kinderen die zaten te lachen. En toen liet hij het glanzende ding aan de zijkant van het toestel klikken.
‘Zo’, zei hij. ‘Hij is genomen. Een gelukkig gezinnetje.’
‘O’, zei moeder. ‘Staan we er goed op? Want ik wil de foto aan Elsie laten zien. Dit is de eerste foto die we hebben genomen sinds Eva – heenging.’
Moeder zei altijd heengaan, verscheiden of overlijden als ze het over doodgaan had. Alsof het niet echt doodgaan was, het alleen zo leek.
‘We staan er goed op, hè, pa’, zei Winnie. ‘En gaat u nu vissen?’
‘Ja’, zei vader. ‘Ik ga vissen. Ik berg dit even veilig op en dan ga ik in de rivier op zalm vissen.’
Hij bracht het fototoestel naar waar de stapel jassen lag en stopte het voorzichtig in een van de tassen, want foto’s waren kostbare dingen.
En toen bukte hij zich om het bovenste riempje van zijn rubberlaarzen aan zijn riem vast te maken.
‘Tot straks’, zei hij en gaf moeder een kus. Hij kuste altijd iedereen als hij ergens naartoe ging, zelfs als het maar voor even was. En daarna kuste hij Winnie en trok aan haar haren en ook aan die van Joan, maar haar gaf hij geen kus, omdat ze het meisje van de overkant was en geen familie.
‘Ik kom terug met een zalm of ik zal een boon worden.’
Ze keken hoe hij naar de rivier liep, met een raar bonkend loopje omdat hij zijn rubberlaarzen droeg. Hij hing over naar één kant, met zijn rechterschouder lager dan zijn linker, alsof hij een klap probeerde te ontduiken die uit de hemel, de bomen of de lucht kon komen. Ze keken hoe hij verder en verder liep, als iemand in de film die steeds kleiner wordt, waarna er ‘Einde’ op het doek komt te staan, de muziek gaat spelen en de lichten aangaan. Hij leek op een man uit een verhaal, zoals hij van hen wegliep. Winnie hoopte dat hij niet te ver weg zou gaan omdat de rivier diep en woest was en een brullend geluid maakte dat zelfs boven dat van de wilgen en dennebomen uit te horen was. Het was de allergrijste rivier die Winnie ooit had gezien. En de hemel was ook grijs, met een klein stipje zon. Het grijs van de hemel leek het grijs van de rivier in te drijven.
Toen draaide vader zich om en zwaaide.
Winnie en Joan zwaaiden terug.
‘En nu gaan we bij de denneboom spelen, mevrouw Todd, ja toch, Winnie’, zei Joan.
‘We gaan dames spelen’, zei Winnie.
Moeder zuchtte. De kinderen waren zulke gelukkige wezentjes. Ze beseften niet dat …
‘Goed hoor, kinders’, zei ze. ‘Gaan jullie maar spelen. Niet bij de rivier komen en let op de brandnetels.’
Daarna sloeg ze haar Woman’s Weekly open en legde het op haar knie. Ze wist dat ze niet verder zou lezen dan Onder Theetijd voordat ze weer aan het heengaan van Eva zou denken, haar eerste kind. Een zware slag, zeiden de mensen, om je eerste te verliezen net toen ze groot genoeg werd om u te helpen. Maar alles zal ten goede keren en u hebt uw Heerlijke Geloof, mevrouw Todd, ze is gelukkiger in andere sferen, u zou het niet beter gewenst hebben, en u hebt haar foto nog, het is altijd fijn om hun foto te hebben. Houd u goed, mevrouw Todd.
Mevrouw Todd sloot haar ogen in een poging te vergeten en begon toen Onder Theetijd te lezen. Het was beter om te vergeten en er niet aan te denken.
Winnie en Joan zaten elkaar achterna door het gras naar de denneboom bij het hek, waarbij Joans donkere haar op en neer wipte en in haar ogen viel. Verdorie, zei ze. Winnie staarde haar jaloers aan. Ze wilde dat haar eigen haar lang genoeg was om over haar ogen te hangen, zodat ze het opzij kon vegen. Wat leuk om verdorie te zeggen en je haar uit je ogen te vegen. Eva’s haar was lang geweest. Het was zo gek geweest met Eva, toen de bloemen en telegrammen en tante May kwamen en ze suikerbroodjes en roomcakejes meebracht. Het was zo gek geweest thuis, waar Eva’s jurken hingen en haar schoenen onder de klerenkast stonden, maar zonder Eva om ze te dragen, terwijl de gele sprei onaangeroerd op haar bed lag en de hele nacht onaangeroerd bleef. Maar het was fijn om Eva’s blauwe pyjama te dragen. Er zat roze onderaan de broekspijpen en roze aan de kraag en mouwen. Winnie droeg hem graag om in de slaapkamer rond te lopen en zichzelf in de spiegel te bekijken, waarna ze in bed stapte en geeuwde terwijl ze haar armen boven haar hoofd strekte als een dame. Maar het zou nog fijner zijn geweest als Eva er geweest was om het te zien.
En wat zou het leuk zijn geweest als Eva hier op het uitstapje was!
‘Kom nou’, zei Joan. ‘We gaan dames met bontjassen aan spelen. Ik kan het weten want mijn moeder heeft een bontjas.’
‘Ik ben een dame die naar bed gaat’, zei Winnie. ‘Ik draag een mooie blauwe pyjama en lig te geeuwen, en mijn kamermeisje heeft me net koffie gebracht.’ Ze lag onder de denneboom. Ze kon de dennenaalden ruiken en het shh shh van de takken horen en daarachter het regenachtige geluid van de rivier; en ze kon de verschrompelde dennenappels zien, die op bruine klauwtjes leken, en de grijze hemel die op een tent leek waar de wind onder blaast en hem laat opbollen. En daar liep Joan heen en weer in haar bontjas; ze glimlachte tegen alle dames en heren en zei: O nee, ik heb stapels bontjassen. Verdorie, mijn haar valt steeds in mijn ogen.
Joan was Eva’s beste vriendin geweest. Ze was zo mooi. Ze was Spaans, zei ze, een klein beetje in ieder geval wel. Ze deelde geheimen met Eva. Ze waren altijd aan het fluisteren en giechelen en praten in geheimtaal.
‘Ik heb geen zin meer om mijn bontjas te dragen’, zei Joan opeens. ‘En jij kunt niet eeuwig blijven geeuwen.’
‘Ik kan wel eeuwig blijven geeuwen als ik wil’, zei Winnie, die dacht aan het gegiechel en de geheimen en geheimtaal die ze niet kon begrijpen. En ze geeuwde en zei dankjewel tegen het meisje voor de koffie. En toen geeuwde ze weer.
‘Ik kan doen wat ik wil’, zei ze.
‘Dat kan je niet altijd’, zei Joan. ‘Dat mag je niet van je moeder. Ik heb trouwens geen zin meer om mijn bontjas te dragen, ik wil iets maken.’
Ze keerde haar rug naar Winnie, ging op een afstand van de denneboom in het gras zitten en begon veervormige grashalmen te plukken. Winnie hield op met geeuwen. Ze hoorde het regen-windgeluid van de rivier en vroeg zich af waar haar vader was. En wat was moeder aan het doen? En wat ging Joan maken van het veervormige gras?
‘Wat ben je aan het maken, Joan?’
‘Ik maak kerstbomen’, antwoordde Joan minzaam. ‘Eva heeft het me laten zien. Heeft Eva dat niet aan jou laten zien?’
En ze hield een kerstboom omhoog.
‘Ja,’ loog Winnie, ‘Eva heeft me kerstbomen laten zien.’
Ze tuurde naar het boompje in Joans hand. Het gras was nat van de dauw van de vorige nacht en de boom glinsterde doordat hij de nietige druppel zonlicht opving die uit de hoge, grijs en witte lucht viel. Hij leek op een sprookjesboom of op het liedje dat ze op school zongen – O denneboom, wat zijn je takken wonderschoon. Winnie had nog nooit zoiets moois zien maken.
‘En Eva heeft me nieuwe stukken verteld van Edelman bedelman’, zei Joan terwijl ze met haar tanden een stuk gras afbeet. ‘Laarzen, schoenen, slippers, klompen, zij, satijn, katoen en lompen – daar trouw je in.’
‘Dat heeft ze mij ook verteld’, loog Winnie. ‘Eva heeft me heel veel verteld.’
‘Mij ook’, zei Joan koppig.
Winnie zei hier niets op. Ze keek omhoog naar de hemel en zag een zeemeeuw overvliegen. Ik ben Kiel, ik ben Kiel, leek hij te zeggen. Kom naar huis, Koel, kom naar huis, Koel. Kiel Kiel. Winnie voelde zich eenzaam toen ze zo naar de hemel staarde. Waarom was de denneboom zo groot en donker en oud? Waarom riep de zeemeeuw: Ik ben Kiel, ik ben Kiel, alsof hij iemand riep die niet wilde komen. Kiel Kiel, kom naar huis, Koel, kom naar huis, Koel, riep hij.
Winnie wilde dat haar moeder hen zou roepen. Ze wilde dat haar vader terug was van de rivier en ze allemaal op de plaid zaten en keteltjesthee dronken en waterbiscuits aten die kraakten in je mond. Ze wilde dat Joan weg was en alleen vader, moeder en Winnie er waren, en Joan niet. Ze wilde dat ze lang haar had en kerstbomen kon maken van veervormig gras. Ze wilde dat ze meer stukken wist van Edelman bedelman. Wat had Joan ook weer gezegd? – Laarzen, schoenen, slippers, klompen. Waarom had Eva haar dat niet verteld?
‘Je valt nog in slaap’, zei Joan plotseling. ‘Ik heb drie kerstbomen gemaakt. Kijk dan.’
‘Ik val niet in slaap. Ik heb honger’, zei Winnie. ‘En ik denk dat sommige mensen liegen, Joan Mason.’
Joan bloosde. ‘Ik heb wél drie kerstbomen gemaakt.’
‘Dat bedoel ik niet’, zei Winnie en ze pakte een dennenaald en schreef dennennaaldenschrift in de lucht. ‘Ik denk alleen dat sommige mensen liegen.’
‘Maar ik lieg niet, Winnie’, protesteerde Joan zorgelijk. ‘Ik niet, eerlijk niet.’
‘Sommige mensen wel’, mompelde Winnie terwijl ze verder schreef met haar dennenaald.
‘Dat is niet eerlijk, Winnie Todd’, huiverde Joan, die haar kerstbomen op de grond gooide. ‘Ik weet best dat je mij bedoelt.’
‘Dat heeft niemand gezegd. Ik zei alleen – sommige mensen.’
‘Maar je keek mij aan.’
‘O ja?’
Winnie drukte haar dennenaald plat en rook eraan. Ze wilde het liefst gaan huilen. Ze wilde dat ze nooit mee was gaan picknicken. Ze had het ook koud met alleen haar jurk van bedrukt katoen aan. Ze wilde dat ze ergens heel ver weg was van de rivier en de denneboom en Joan Mason en de kerstbomen, ergens heel ver weg, ze wist niet waar.
Misschien bestond er geen plek. Misschien zou ze nooit ontdekken waar ze naartoe kon. Haar moeder zou doodgaan en haar vader ook en Joan Mason zou haar haren uit haar ogen blijven vegen en verdorie zeggen en haar bontjas dragen zonder dat ze wist hoe het was om een vader en moeder te hebben die dood waren.
‘Ja’, zei Winnie. ‘Jij bent een leugenaarster. Eva heeft mij dingen over jou verteld. Je oom is opgegeten door kannibalen en je vader heeft een albatros doodgeschoten en een vloek over zich heen gekregen en je haar werd groen toen je ging zwemmen in Christchurch en je moest drie weken ananas eten voordat het weer donker werd. Dat heeft Eva me verteld. Je bent een leugenaarster. Zij heeft je ook nooit geloofd. En neem die kerstbomen ook maar mee.’ Ze pakte een van de bomen en scheurde hem aan stukjes.
Joan begon te huilen.
‘Huilebalk, leugenaarster, lekker puh.’
Winnie stak haar hand uit om Joan een zet te geven en daarna keerde ze zich naar de denneboom, pakte de onderste takken en trok zich omhoog in de boom. Al gauw was ze meer dan halverwege. De takken wiegden zuchtend op en neer. Winnie tuurde naar beneden en zag Joan wegrennen door het gras, waarbij haar haren opwipten. Ze ging vast terug naar waar Winnies moeder zat. Misschien zou ze het vertellen. Winnie heeft me omvergeduwd en me uitgescholden. En als Winnie dan uit de boom kwam en naar de anderen toe ging, zou moeder haar aankijken met een gekwetste blik in haar ogen en zeggen: Zalig zijn de vredestichters. En haar vader zou hun daar zitten vertellen over de zalm, maar hij zou ophouden als zij eraan kwam, uren en uren later, en streng zeggen: Ik hoopte dat jij je zou gedragen. En dan zou hij moeder aankijken en Winnie zou weten dat ze aan Eva dachten en aan de bloemen en telegrammen en tante May die zei: Hou je goed, je hebt een Heerlijk Geloof. En dan zou moeder zeggen: Neem een chocoladekoekje, Joan. En dan zouden moeder en vader en Joan samen zijn, dingen met elkaar delen.
Winnies ogen vulden zich met tranen uit medelijden met zichzelf. Ze wilde dat Eva er was. Dan zouden ze allebei in de denneboom zitten met hun handen om de kleverige takken geklemd, ze zouden op en neer wiegen als twee vogels op de golven, waarna ze in prinsesjes veranderden en ’s nachts in blauwe pyjama’s sliepen met roze aan de rand, en overdag zouden ze kerstbomen maken van veervormig gras en Edelman bedelman spelen – laarzen, schoenen, slippers, klompen.
‘Laarzen, schoenen, slippers, klompen’, fluisterde Winnie. Maar er was niemand om haar antwoord te geven. Hoog aan de hemel was alleen een krijtwitte zeemeeuw die rondvloog en Kiel Kiel riep, kom naar huis, Koel, kom naar huis, Koel. En Koel zou nooit komen, nooit.

Uitgeverij De Geus

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum