Leesfragment: Jeruzalem

27 november 2015 , door Gonçalo Tavares

Dit voorjaar verscheen een van de grote Portugese romans van het jaar in het Nederlands van Harrie Lemmens: Jeruzalem, door Gonçalo Tavares. Vanavond een uitgebreid fragment.

'Als ik u ooit vergeet, Jeruzalem, mag mijn rechterhand verdorren.' Zes personages zwerven ’s nachts door een stad. Een zieke vrouw, een kind, een arts, een prostituee, een psychiatrisch patiënt, een oorlogsveteraan. Allemaal eenzaam, allemaal met hun eigen tragiek. Wanneer hun wegen kruisen leidt dat tot een confrontatie waarbij geweld, waanzin, angst en verlangen op huiveringwekkende manier verstrengeld raken.

'Een schrijver die met veel talent filosofie, narratief vernuft en een zwaarwegende ernst combineert met een mistroostige kijk op het menselijk bedrijf. Een schrijver met een groeiende reputatie, van wie je vermoedt dat hij, als hij nog eens een jaar of tien zo voordoet, wel eens een kandidaat Nobelprijs-winnaar zou kunnen zijn. En wie, als hij nog eens twintig jaar zou doorzetten, die prijs ook wel eens écht zou kunnen winnen. ****' - De Standaard
'Met Jeruzalem is het werk van één van de interessantste auteurs van tegenwoordig voor het Nederlandstalige publiek ontsloten... Wat een schitterend boek, *****' - Het Parool
Jeruzalem is een schitterend boek en verdient een plaats tussen de grote werken uit de westerse literatuur!’ - José Saramago
‘Tavares heeft een overrompelende roman geschreven, gedreven, van een duistere schoonheid en een grootse originaliteit’ - The Independent
‘Een Portugese Kafka’ - Le Figaro.

Hoofdstuk I

Ernst en Mylia

1

Ernst Spengler was alleen op zolder, het raam stond al open en hij wilde net springen, toen de telefoon rinkelde. Eén keer, twee keer, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, elf, twaalf, dertien, veertien, Ernst nam op.

Mylia woonde in de Moltkestraat, op de eerste verdieping van nummer 77. Ze zat op een harde stoel en dacht na over de belangrijkste woorden van haar leven. Pijn, dacht ze, pijn was een wezenlijk woord.
Ze was een keer geopereerd, daarna nog een keer, in totaal vier keer. En nu dit. Dit geruis in haar lijf, precies in het midden. Ziek zijn was een manier om de weerstand tegen pijn te trainen, of de zin om toenadering te zoeken tot een of andere god. Mylia mompelde: de kerk is ’s nachts dicht.

29 mei, vier uur ’s morgens, en Mylia kan niet slapen. De aanhoudende pijn vanuit haar maag, of misschien iets daaronder, waar komt die pijn precies vandaan, een brede pijn die niet bij een duidelijk punt hoort? Misschien van vlak onder de maag, uit haar schoot. In ieder geval was het vier uur en had ze nog geen minuut gerust. Je ogen dichtdoen als je bang bent om te sterven?
Ze stond op. Mylia was een magere maar sterke vrouw. Ze gebruikte haar vingers niet voor prutswerk. (Die zin herhaalde ze vaak: je vingers niet gebruiken voor prutswerk.) Ze concentreerde zich; ze wist dat ze nog maar een paar jaar te leven had; haar ziekte was gekomen: we zitten een paar jaar aan elkaar vast, dan blijft zij hier en ik ga weg. Dus moest ze de energie die in de dagen zit, of die in een lichaam zit en zich richt tot de dagen, moest ze die energie samenballen, oprollen als een lap vlees, moest ze klaar zijn om te handelen. Niks prutswerk. De vingers mogen alleen maar aanraken wat dik, wat wezenlijk is; het dringende moet samenvallen met het essentiële, met wat je van top tot teen beroert.
Zoiets als een flinke klap op het moment dat je die krijgt: alle dingen van de onbeduidendste dag moeten toewerken naar dat moment waarop je een flinke klap krijgt. Mylia bekeek zichzelf in de spiegel: ik leef en ik heb een misstap gemaakt. Ziek zijn is een misstap maken, een duivelse misstap, mompelde Mylia. Een ziekte die je van top tot teen beroert. Maar die dag, om vier uur ’s nachts, had ze besloten de deur uit te gaan. ’s Nachts daalt pijn op een andere manier neer over je lichaam. Als een chemisch concentraat, een substantie die langzaam omlaag glijdt over een minimale, nauwelijks waarneembare helling. Tussen de dag en de nacht in is de oppervlakte niet plat. Een lichte helling.
Terwijl de pijn geconcentreerd zat op die brede plek die geen punt was – tussen de onderkant van de maag en de schoot – was Mylia op straat op zoek naar een kerk.
Een zwerver zegt verrast dat hij het niet weet. Een kerk, vraagt hij.
Het is nacht, zegt de man, u kunt beroofd worden. U moet geen kerk zoeken maar de politie, om u te beschermen. Waar wilt u zo laat naartoe? Ik zou u kunnen beroven, mevrouw.
Mylia glimlachte en liep weg. De pijn stond haar niet toe zich te concentreren op een gesprek.
Ik wil geen politie, ik wil een kerk. Weet u of de kerken op dit tijdstip gesloten zijn?

Haar voeten vervreemd van haar schoenen. Uiteraard gehoorzaamden de schoenen die Mylia droeg, plat als herenschoenen, aan de beweging van haar voeten. Botten en spieren hebben een wil, het materiaal waarvan schoenen zijn gemaakt niet. Het materiaal waar schoenen van zijn gemaakt is getraind om te gehoorzamen, daarover had ze geen twijfels. Gehoorzaam schoenen, mompelde Mylia kinderlijk pervers. Wat onderscheidden substanties zich toch onmiddellijk vanaf het begin in substanties die uit vrije wil bewogen en substanties die wachtten met statische gehoorzaamheid (wat dat betrof waren ze net zo verdeeld als sommige mensen)! Schoenen waren de gehoorzaamheid zelf, bekrompen slavernij, ze werd er op dat moment gewoon misselijk van; de hielenlikkerij van die materialen met betrekking tot de mens. Geen hond is zo kruiperig als die substanties.
Er is geen dialoog mogelijk tussen substanties die geboren worden in tegengestelde kampen, niet in vijandige kampen, want dan zou je de mogelijkheid van strijd openhouden, van het oproepen van energie, de mogelijkheid om zich te verheffen als een mens die een wapen grijpt om te vechten; er was echter geen sprake van verwijdering tussen vijandelijke substanties of van twee roofdieren die zich opmaken om te vechten om een klein territorium, het ging gewoon om totale lijdzaamheid aan de ene en krachtige energie aan de andere kant, energie die kan opbouwen of afbreken, maar die altijd wijzigt. Wij zijn geen ding dat wacht, mompelt Mylia, terwijl ze met stevige stappen naar de kerk loopt.
‘De kerk is dicht. Weet u wel hoe laat het is? Bijna vijf uur. En u zou hier niet moeten zijn. ’s Nachts is dit een slechte buurt, een gevaarlijke buurt.’
Mylia had zin om de brave man in zijn gezicht uit te lachen. Een slechte buurt omdat hij gevaarlijk was! Zij die een ziekte in zich draagt, een ziekte die al in haar zit en haar in een, hooguit twee jaar zal doden. Zij die al opgesloten zit met de dood op een plek waar ze niet meer uit komt; zij wil juist gevaar, iets wat haar nog opwindt, wat extra energie in haar aanboort. Ze had bijna tegen de man gezegd, hoogstwaarschijnlijk een lagere medewerker van de kerk, het scheelde niet veel of ze had tegen hem gezegd: als deze buurt gevaarlijk is, is het geen slechte buurt. Hier kun je iets opbouwen.
Het gevaar was immers een vraag waarop je snel een antwoord moest vinden. En wat ik nodig heb is een goede vraag, een heel precieze vraag, een vraag die me dwingt om een groots antwoord te vinden, iets wat zin geeft. Mijn ziekte is geen wolf meer die ik kan laten schrikken door iets sterkers. De wolf schrikt niet meer, gaat niet meer van me weg.
Mylia zei: ‘Ik ben niet bang voor gevaren, ik wou alleen maar een kerk binnen lopen, nu.’
‘Het is vijf uur. Iedereen ligt te slapen. Het is gevaarlijk hier. Gaat u naar huis. Straks zijn we allemaal uitgerust, dan zult u vinden wat u zoekt. Om deze tijd krijg je geen goede raad. De mensen zijn moe.’
Mylia bleef heel even stil; ze kromp ineen van een vreemde pijn, die zijdelings de constante grote pijn vanuit haar maag overviel. Die andere pijn kwam van iets hogerop.
‘Sorry, ik had ineens pijn.’
‘Gaat u naar huis; het is vreselijk laat.’
Mylia herstelde zich. Ze vroeg: ‘Is er ergens een kerk die wel nog open is?’

 

2

De man nam afscheid of het was Mylia die wegliep. De kleine zijdeur ging dicht; alles op slot, zelfs de kleine zijdeur. Een gevangenisgebouw, Mylia begon eromheen te lopen.
De kerk was hoog, de mensen waren ladders opgeklommen om de kerk te bouwen. Op hun tenen om bakstenen te pakken, dacht Mylia geamuseerd. Je oprichten om een steen een paar centimeter hoger te leggen, wat een mooi werk voor een mens.
Mylia dacht iets waar ze eerst om moest lachen en wat haar meteen daarna deed blozen. Ze voelde een druk op de blaas.
Het was iets na vijven. De deuren waren dicht, de aardigste man (of de man die het meest lette op de geluiden rond de kerk) had met haar gesproken, een onbeduidend mannetje dat zich verontschuldigd had voor het feit dat de kerk dicht was.
Mylia kende de wereld: een man die om vijf uur ’s morgens een onbekende zijn excuses aanbiedt is een miezerig wezentje. Hij zal de vuiligheid wel moeten opruimen, dacht ze, maar ze had meteen spijt van dat beeld.
Daar had ze echter niet van moeten blozen. Mylia had een volle blaas, en daar, rondom de kerk, was geen mens te bekennen. Wat ze gedacht had was dit: als een trotse man, een man met weinig ontzag voor de wereld om hem heen, als die een volle blaas had, zou hij tegen een muur gaan staan, zijn penis pakken en beginnen te plassen. En op dat moment had Mylia daar precies zin in: plassen tegen de buitenmuur van de kerk.
Ze wilde niet zozeer als een hond haar geur achterlaten op een plaats waar ze niet naar binnen had gemogen, en het ging ook niet om een soort instinctieve provocerende of afkerige reactie op de openingstijden die die dag helaas niet overeenstemden met haar wensen en behoeften, nee: Mylia was bijna veertig, ze deed geen dingen meer alleen maar om te provoceren. En ze was ziek: ze had besloten de energie die haar nog restte te concentreren: elke handeling was uitsluitend op haarzelf gericht. Ik doe alles voor mezelf, ik handel alsof ik voor een spiegel leef. Egoïsme of toch een goede huishouding van de impulsen.
Haar zin om te plassen naast de kerkmuur was dus geen vorm van exhibitionisme. Het was het verticale, in de meest biologische zin menselijke beeld van een man die om vijf uur ’s morgens met zijn penis in zijn hand staat te plassen tegen de muur van de kerk, het was dat beeld dat Mylia kwelde en dat ze op dat moment in zekere zin benijdde. Ze had er tot dan toe nooit spijt van gehad dat ze een vrouw was (of iets ‘mannelijks’ had proberen te doen), maar op dat moment voelde ze op een vreemde en onnodige manier – echt niet erg rationeel – walging omdat ze geen man was. Alsof ze van meet af aan gefaald had.
Het was haar duidelijk dat als ze op dat tijdstip, midden in de nacht, besloot om naast de kerkmuur te plassen, dat ze zich dan onherroepelijk belachelijk maakte. Hoe moest ze dat doen, in welke houding? Met haar gezicht of met haar billen naar de muur, zich bukken en dan plassen? Hoe dan ook zou ze lichtjes moeten buigen en dat ‘lichtjes’ irriteerde haar. Een levend wezen boog helemaal, wierp zich zo nodig laf op de grond, of bleef zonder enige aarzeling kaarsrecht staan. En dat zou zij nooit kunnen doen. Ze zou wat ze ook deed haar broek onderplassen. Daarom ervoer ze de stap die ze vervolgens zette, waardoor ze zich lichtjes verwijderde van de muur van de kerk, als een vernedering, de uiting van: ik kan dit niet.
Toen kwam er een ander beeld bij haar op. Als iemand haar bij de muur zou zien plassen, zou hij denken dat hij met een gek van doen had. Mylia had kleine angsten, huiselijke angsten; net als zo veel andere mensen die ze kende schrok ze zich wild van muizen, viel ze ten prooi aan een zinloze hysterie op het moment dat zo’n grijs beestje haar pad kruiste; ze was ook bang voor fysiek geweld. Een grote angst was dat: de angst voor gewelddadig fysiek contact met andere mensen. En ze had zich van kleins af verdedigd. Ze kunnen me kapotmaken, had ze gedacht. En dus had ze afstand bewaard. Ze zocht alleen maar toenadering tot mensen als ze zeker wist dat ze goed behandeld zou worden. Door de goede hand geraakt. Het was dus met een enorme bevreemding dat Mylia bepaalde mannen en vrouwen bekeek die dol waren op een lichamelijke confrontatie, op agressiviteit tussen materies, op conflicten.
De andere grote angst van Mylia was dat iemand zich naar haar omdraaide en mompelde: moet je zien, een gek!
Ze wilde niet weer gek lijken. Natuurlijk zouden de mensen onmiddellijk na die foute constatering (moet je zien, een gek!) zien dat ze dat niet was, en dat ze uiteindelijk deed wat normale mensen deden, maar een blik die haar als krankzinnig beschouwde was voldoende, ze hoefde maar aan die mogelijkheid te denken of de schrik sloeg haar om het hart. Niemand zal nog ooit zeggen dat ik gek ben, mompelde Mylia.

 

3

Mylia was even weggelopen. Ze was niet zo stom geweest om de houding aan te nemen van iemand die zijn eigen lichaam niet beheerst, alleen maar om tegen de muur van een kerk te plassen. Ze liep een eindje in de richting van het kleine park en nadat ze een boom had uitgezocht plaatste ze haar billen in de juiste positie en plaste.
Er was niemand in de buurt en de pijn in haar maag hield aan. Ze had geen papier bij zich, bukte, rukte met haar hand wat gras uit en veegde zich daarmee af. Ze liet het gras vallen, trok haar slipje en haar broek op en kwam weer overeind.
De kerk stond daar nog altijd voor haar, doodstil. In minder dan drie uur zou de dag beginnen en het daglicht was voor Mylia een vanzelfsprekende dreiging, een materiële dreiging. De kerk was niet open geweest omdat het nacht was, maar ze zou nu niet de fout maken daar ’s morgens gezien te worden; iedereen zou snappen dat ze ergens naar op zoek was geweest en dat ze niets had gevonden. Ze had er een hekel aan zich bloot te geven op een moment dat ze zwak was en na de kortstondige vernedering tegenover het miezerige mannetje dat de zijdeur van de kerk voor haar had geopend, na die zwakte van iets zoeken wat dicht was, begon Mylia het dierlijke instinct terug te krijgen dat je je alleen maar moet vertonen als je sterk bent. En ze kende dat instinct maar al te goed, tot op de vierkante millimeter zou je kunnen zeggen, want haar ziekte dwong haar constant de kans op ontmoetingen uit te stellen: ze zou nooit iemand ontmoeten op een dag waarop ze te veel pijn had. Dan zou ze niet menselijk meer zijn, dat had ze allang door. En Mylia wilde menselijk blijven, ook al wist ze dat ze nog maar een paar maanden te leven had, en dat ze zelfs binnen een paar weken dood zou kunnen gaan. Trots, herhaalde ze een paar keer. Nooit je trots verliezen.
Intussen begon Mylia wel iets te voelen in haar maag. In het begin sloeg dat signaal haar met stomheid: het was haar pijn niet, het was iets anders, maar even sterk, of nog sterker. Belachelijk, ze had zin om hard te lachen. Ik heb honger, mompelde ze, ik heb al uren niets gegeten. Het is nacht en ik ben hier alleen, maar mijn maag is meegekomen; ik heb gezelschap.
De reden tot spot was meteen daarna een reden tot nadenken en een zekere, moeilijk uit te leggen angst. Die pijn in haar maag, die duidelijk maakte dat ze zin had om te eten, die pijn was nu sterker dan de andere: de constante pijn van haar ziekte, de pijn die haar nu gauw datgene zou brengen waarvoor alle grote en kleine angsten vluchten. Hoe is het mogelijk, vroeg Mylia zich af, dat de pijn die veroorzaakt wordt door de zin om brood te eten sterker is? De dokters hebben me immers verzekerd dat ik doodga van de pijn die ik nu niet kan horen.
Het was glashelder dat daar, bij de kerk, twee grote pijnen met elkaar wedijverden: de pijn die haar zou doden, de slechte pijn, zo noemde ze die, en aan de andere kant de goede pijn, de pijn van de trek, van de eetlust, een pijn die betekende dat ze leefde, de pijn van het bestaan, zou zij zeggen, alsof haar maag op dat moment nog midden in de nacht verkeerde, de duidelijke uiting van menselijkheid, maar ook van haar ambigue betrekkingen met de mysteries waar je niets van weet. Ze leefde, en die omstandigheid deed haar op dat moment op een objectieve en materiële manier meer pijn dan de pijn dat ze dood zou gaan, die nu secundair was. Alsof het op dat moment belangrijker was een boterham te eten dan onsterfelijk te zijn.
Mylia keek naar alle kanten: waar kan ik om deze tijd iets eten? Nergens licht, niemand.

 

4

Mylia liep opnieuw om de kerk heen. Geen licht in de buurt, waaruit bleek dat de wereld dood was, of nog moest ontstaan.
Haar bevrijde blaas bezorgde haar een onverwacht prettig gevoel. Eén pijn had ze al opgelost, zou je kunnen zeggen, alsof Mylia die nacht ongemerkt midden in een spel was beland; een spel dat voor haar – of liever: in haar – problemen zou opwerpen die ze moest oplossen en die niet meer waren dan fysieke, materiële pijnen, concrete dingen van haar eigen lichaam. Eén hersenbreker had ze al opgelost: ze had haar blaas geleegd bij een boom en haar blaas was gekalmeerd: een pijn minder. De urine was eruit; te veel urine in je lijf doet pijn.
Maar ze had nog meer pijnen in haar lijf die ze moest oplossen, en ze wist dat er op zijn minst één niet op te lossen was. Eén woord was trouwens belangrijk; meer dan één dokter had het in haar bijzijn gebruikt: dit is onoplosbaar. Alleen een wonder.
De eerste schok: ze legde de dokters een probleem voor: pijn, ze was ziek; hier is een probleem, een organisch raadsel. En de dokters antwoordden haar schouderophalend, met een zekere, min of meer professionele triestheid, maar zonder iets te ondernemen, zonder voorstellen: dit is onoplosbaar. Uw ziekte is niet te behandelen. Ze had de dokters een probleem voorgelegd en die hadden het in dezelfde staat, zonder tussenkomst, teruggegeven: de vraag intact. Waarom moet ik doodgaan?
Mylia staat nu aan de achterkant van de kerk, ze steekt haar hand in haar zak en haalt daar een klein voorwerp uit waar stof vanaf dwarrelt. Een wit krijtje. Een krijtje om op lei te schrijven. Ze was vergeten dat ze dat bij zich had. ’s Morgens had ze een huis getekend op de lei die ze in de woonkamer had liggen. Ze had het huis getekend waar ze zou gaan wonen als ze intussen niet doodging. De eerstkomende maanden niet doodgaan zou voor Mylia hetzelfde zijn als binnentreden in haar onsterfelijkheid. Als ik niet doodga, zei ze, verander ik in een onsterfelijk wezen. Voor twee jaar.
Maar nu dat krijtje in haar hand: ze wilde er graag iets mee tekenen. Een dikke tekening, zoals ze dat noemde. Met het krijtje in haar rechterhand liep ze naar de achterkant van de kerk. ’s Nachts leek het of de muur een gele kleur had, maar dat durfde Mylia niet met zekerheid te zeggen. De nacht vervormde de kleuren, als hij ze al niet uitvlakte. Maar haar krijtje was gelukkig wit, obsceen wit, voelde ze, en ze glimlachte.
Zonder erbij na te denken schreef ze ineens met het krijtje op de muur, met kleine, haast niet waarneembare letters; ze schreef: honger.

Oorspronkelijke titel Jerusalém
Oorspronkelijke uitgever Editorial Caminho, Portugal
Copyright © 2005 Gonçalo M. Tavares
Copyright vertaling © 2011 Harrie Lemmens / Em. Querido’s Uitgeverij bv, Singel 262, 1016 AC Amsterdam

Uitgeverij Querido

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum