Leesfragment: Kind van een vreemde

10 juli 2011 , door Alan Hollinghurst
|

14 juli verschijnt de nieuwe roman van Alan Hollinghurst, Kind van een vreemde (The Stranger's Child, vertaald door Ton Heuvelmans en Edzard Krol). Dit weekend kunt u er al het eerste hoofdstuk uit lezen.

In de late zomer van 1913 logeert de jonge, aristocratische dichter Cecil Valance op het familielandgoed van zijn Cambridge-vriend George Sawle. Het weekend dat hij daar doorbrengt is vol verrassingen en verrukkingen voor de hele familie Sawle, maar in het bijzonder voor het zestienjarige zusje van George, Daphne, als Cecil een gedicht aan haar opdraagt. Een gedicht dat een houvast voor een hele generatie zal blijken, een ode aan het oude Engeland dat op het punt staat voorgoed te veranderen.

Het weekend zal de families Sawle en Valance voorgoed aan elkaar binden, in de lange en moeilijke eeuw die zal volgen.

In Kind van een vreemde, een rijke, weemoedige, maar ook uiterst geestige zedenschets, staat het verhaal van Daphne centraal, van jong, romantisch meisje tot oude, getekende vrouw. Aan de hand van haar leven beschrijft Alan Hollinghurst de twintigste eeuw van Engeland in een even sublieme als subtiele roman over smaak, maatschappelijke klassen en sociale etiquette.

Alan Hollinghurst is een van de belangrijkste Britse romanschrijvers van dit moment. Voor zijn laatste roman De schoonheidslijn kreeg hij de Man Booker Prize 2004, waarna hij ook in Nederland definitief doorbrak. Kind van een vreemde bevestigt andermaal zijn grote schrijverschap.

‘Hollinghurst maakt zonder enige twijfel aanspraak op de titel van beste Engelse romanschrijver van dit moment. Kind van een vreemde is elegant geschreven, verleidelijk, uitzonderlijk plezierig om te lezen en doordesemd met een scherpzinnige en schijnbaar terloopse opmerkingsgave.’ - The Guardian 

‘In Kind van een vreemde krijgen we de onderlinge spanning, ondoorgrondelijkheid en onnauwkeurigheid voorgeschoteld van mensenlevens die ten volle worden geleefd. Kind van een vreemde is een opmerkelijk, niet te missen huzarenstuk, geschreven met de zelfverzekerde autoriteit van een schrijver die zijn literaire talent overal voor zou kunnen aanwenden. Men slaat de roman dicht met het gevoel een uitzonderlijke ervaring rijker te zijn.’ - The Independent

1

Ze had ruim een uur in de hangmat poëzie liggen lezen. Het was niet eenvoudig: ze dacht de hele tijd aan George, die terug zou komen met Cecil, en ze gleed steeds verder naar beneden, hoewel ze zich er half tegen verzette, totdat ze in een hoopje lag en het boek moeizaam boven haar hoofd moest houden. Het licht werd zwakker, en de woorden begonnen over de bladzijde te dansen. Ze wilde naar Cecil kijken, hem een poosje goed in zich opnemen voordat hij haar zag, aan haar werd voorgesteld en zou vragen wat ze las. Maar hij had waarschijnlijk zijn trein gemist of in ieder geval zijn aansluiting: ze zag hem in gedachten ijsberen over het lange perron van Harrow & Wealdstone en spijt krijgen dat hij was gekomen. Vijf minuten later, toen de ondergaande zon de lucht roze kleurde boven de rotstuin, begon het erop te lijken dat er iets ergers was gebeurd. Plotseling stelde ze zich voor, serieus en tegelijk opgewonden, dat er een telegram werd bezorgd, en hoe het nieuws werd doorverteld, zag ze voor zich hoe ze tamelijk hysterisch huilde, en hoe ze vele jaren later aan iemand de situatie zou beschrijven, nog steeds zonder precies te weten wat het slechte nieuws was geweest.
In de zitkamer werden de lampen ontstoken en door het open raam hoorde ze haar moeder praten met mevrouw Kalbeck, die op de thee was gekomen en die de gewoonte had te blijven plakken omdat ze thuis niemand had. De lichtgloed op het pad maakte de tuin plotseling eenzamer. Daphne liet zich uit de hangmat glijden, deed haar schoenen aan en vergat haar boeken. Ze liep naar het huis, maar er was iets aan het tijdstip wat haar weerhield, een glimp van geheimzinnigheid die haar tot dusver was ontgaan: ze werd erdoor aangetrokken, over het gazon, voorbij de rotstuin, waar de vijver, die het silhouet van de bomen weerspiegelde, zo diep was geworden als de witte lucht. Het was het langgerekte, stille moment waarop de hagen en border vaag en schemerig werden, maar alles wat ze aandachtig bekeek – een roos, een begonia, een glanzend laurierblad – leek zichzelf met een onzichtbare, kleurige trilling terug te geven aan de dag.
Ze hoorde een zacht, vertrouwd geluid, het bonken van het kapotte hek tegen de paal achter in de tuin; en dan een onbekende, wat nerveuze stem, gevolgd door het lachen van George. Hij was met Cecil blijkbaar langs de andere kant gekomen, door de priorij en de bossen. Daphne rende de smalle, half verborgen trap in de rotstuin op, en van boven af kon ze hen net ontwaren in het struikgewas beneden. Ze hoorde niet echt wat ze zeiden, maar ze reageerde verontrust op de stem van Cecil, die zo snel en beslissend zeggenschap leek te nemen over hun tuin en hun huis en over het hele komende weekend. Het was een ietwat opgewonden stem die het kennelijk niets uitmaakte door wie hij werd gehoord, maar er klonk ook iets spottends en superieurs in door. Ze keek naar het huis achter haar, de donkere massa van dak en schoorstenen die afstaken tegen de lucht, de verlichte ramen onder de lage dakranden, en ze dacht aan maandag en aan het leven dat ze maar al te graag weer zouden oppakken nadat Cecil was vertrokken.
Onder de bomen was de schemering dieper, en hun kleine bosje leek interessant en een stuk groter. De jongens lummelden wat rond, ondanks de ongeduldige ondertoon in Cecils stem. Hun lichte zomerkleren, de rand van Georges strohoed vingen het laatste licht op terwijl ze zich langzaam voortbewogen tussen de berkenstammen, maar hun gezicht was nauwelijks te zien. George was blijven stilstaan en schopte ergens tegenaan; Cecil, die langer was, stond vlak bij hem, alsof hij zijn mening met hem wilde delen. Ze liep behoedzaam naar hen toe, en het duurde even voordat ze merkte dat ze haar niet gezien hadden: ze bleef staan, ongemakkelijk glimlachend, stiet een verontruste zucht uit en besloot, verward en opgewonden, haar positie te overwegen. Ze wist dat Cecil te gast was en te volwassen was om een kunstje te flikken, hoewel George beslist in haar macht was. Ze mocht dan de overhand hebben, ze wist niet hoe ze haar voordeel moest uitspelen. Cecil had zijn hand op Georges schouder gelegd, alsof hij hem wilde troosten, hoewel hij ook lachte, zachter dan eerder; de rondingen van hun hoeden schoven dichterbij en overlapten elkaar. Ze hoorde een vriendelijke ondertoon in Cecils lach, toch wel, een soort vrolijk gehinnik, ook al was ze, zoals zo vaak, geen deelgenoot van de grap. Cecil hief zijn hoofd op, zag haar en zei: ‘O, hallo!’, alsof ze elkaar al diverse keren hadden ontmoet, en met plezier. George reageerde verward, keek haar aan terwijl hij snel zijn jasje dichtknoopte en zei tamelijk vinnig: ‘Cecil had zijn trein gemist.’
‘Dat lijkt me duidelijk, ja,’ zei Daphne, die koos voor een zekere droge toon tegenover de onaangename mogelijkheid voortdurend het voorwerp van spot te zijn.
‘En ik moest natuurlijk Middlesex zien,’ zei Cecil, die een stap naar voren deed en haar een hand gaf. ‘We hebben het grootste deel van het graafschap doorkruist, schijnt het.’
‘Dus dan zijn jullie over het platteland gekomen,’ zei Daphne. ‘Je kunt over het platteland en door de buitenwijken, maar dat is minder mooi, dat is gewoon recht omhoog, Stanmore Hill op.’
George hijgde gegeneerd, maar ook opgelucht. ‘Nou, Cess, dit is dus mijn zus.’
Cecils hand, die heet en hard aanvoelde, hield de hare frank en joviaal vast. Het was een grote, gevoelloze hand, een hand die meer gewend leek aan het vastgrijpen van touwen en roeispanen dan de slanke vingers van meisjes van zestien. Ze rook zijn geur, zweet en gras, en zijn zurige adem. Ze wilde haar vingers lostrekken uit zijn omklemming, maar hij bleef nog een paar seconden knijpen voordat hij haar losliet. Ze vond het niet prettig, maar ze merkte dat haar hand zeker een minuut lang de herinnering aan zijn hand vasthield en in de schaduw half en half weer naar de zijne wilde tasten.
‘Ik was poëzie aan het lezen,’ zei ze, ‘maar het werd te donker om nog te kunnen zien.’
‘Aha!’ zei Cecil, met zijn snelle, hoge lachje dat als gegiechel klonk; maar ze voelde dat hij haar vriendelijk aankeek. In de late schemer moesten ze turen om elkaars gelaatsuitdrukking te kunnen zien, waardoor het leek alsof ze uitzonderlijk geïnteresseerd in elkaar waren. ‘Welke dichter?’
Ze had een bundel van Tennyson bij zich en ook de Granta, waarin drie gedichten van Cecil stonden, ‘Corley’, ‘Dawn at Corley’ en ‘Corley: Dusk’. Ze zei: ‘O, Alfred Lord Tennyson.’
Cecil knikte langzaam en leek geamuseerd na te denken over een sympathieke en spitse reactie. ‘Vind je dat hij nog steeds kan?’ zei hij.
‘Ja hoor,’ zei Daphne resoluut, maar ze vroeg zich af of ze de vraag wel goed had begrepen. Ze keek tussen de bomenrijen door, maar kreeg een gevoel van andere onduidelijke vergezichten, door het soort Cambridge-taaltje waar George hen vaak op trakteerde, waar dingen werden beweerd die men onmogelijk kon menen. Het was een verfijnd soort plagerij, waarbij je nooit te horen kreeg wat er fout was aan je antwoord. ‘We zijn allemaal dol op Tennyson,’ zei ze, ‘hier op Two Acres.’
Cecil kreeg een speelse blik in de ogen onder de brede klep van zijn pet. ‘Dan kunnen wij het vast wel vinden met elkaar,’ zei hij. ‘Zullen we elkaar onze favoriete gedichten voorlezen? Als je het tenminste niet erg vindt om hardop te lezen.’
‘Ja!’ zei Daphne, die opgewonden raakte, hoewel ze Hubert nooit iets anders had horen voorlezen dan een ingezonden brief in The Times waarmee hij het eens was. ‘Wat is jouw favoriete gedicht?’ vroeg ze, en ze vreesde meteen dat ze er nog nooit van gehoord had.
Cecil glimlachte naar hen beiden, genietend van het feit dat de keus aan hem was, en zei: ‘Nou, dat merk je wel als ik het voorlees.’
‘Ik hoop niet dat het “The Lady of Shalott” is,’ zei Daphne.
‘O, ik ben anders dol op “The Lady of Shalott”.’
‘Ik bedoel dat dat míjn favoriete gedicht is,’ zei Daphne.
George zei: ‘Kom, dan zal ik je voorstellen aan moeder.’ En hij spreidde zijn armen om hen naar het huis te begeleiden.
‘Tussen haakjes,’ zei Daphne, ‘mevrouw Kalbeck is er ook.’
‘Dan zullen we die weg proberen te werken,’ zei George.
‘Tja, je kunt het proberen…’ zei Daphne.
‘Ik heb nu al medelijden met mevrouw Kalbeck,’ zei Cecil, ‘wie dat ook mag zijn.’
‘Het is een grote zwarte tor,’ zei George, ‘die vorig jaar met moeder naar Duitsland is geweest en haar sindsdien niet meer met rust laat.’
‘Het is een Duitse weduwe,’ zei Daphne met een bedroefde ondertoon, terwijl ze medelijdend het hoofd schudde. Ze zag dat Cecil zijn armen ook had gespreid en zonder erbij na te denken, deed ze het ook; een ogenblik lang leken ze verenigd in een enigszins rebels verbond.

 

Oorspronkelijke titel The Stranger’s Child
© 2011 Alan Hollinghurst
© 2011 Nederlandse vertaling Uitgeverij Prometheus, Ton Heuvelmans en Edzard Krol
Foto © Robert Taylor

MINDBOOKSATH : athenaeum