Leesfragment: KortVerhaal zomer 2011

27 november 2015 , door Henk Romijn Meijer

Eind juni verscheen het zomernummer van KortVerhaal, zonder thema, maar met bijdragen van onder vele anderen Robert Gernhardt, Odön van Horvath, Lin Yicheng, Andrés Neuman, Joseph O'Connor, Thorvald Steen, Jan Donkers, Jaap Scholten, A.L. Snijders en Henk Romijn Meijer. Bij het ordenen van de literaire nalatenschap van die laatste vond zijn executeur, Gerben Wynia, behalve enkele schetsen nog een ongepubliceerd verhaal dat voor het eerst in druk verschijnt in KortVerhaal, als eerbetoon aan een betreurd en belangrijk schrijver. Wij mogen dat verhaal hier doorplaatsen.

Dit themaloze Zomernummer bevat 21 verhalen of liever bijdragen, want de bijdrage van A.L. Snijders bestaat uit zeven ZKV's en die van Horvath uit vijf schetsen. Er zijn zes auteurs vertaald: Robert Gernhardt (Duitsland) Odön van Horvath (voormalig Oostenrijk-Hongarije) Lin Yicheng (China) Andrés Neuman (Spanje) Joseph O'Connor (Ierland) en Thorvald Steen (Noorwegen). Het zijn gerenommeerde maar in Nederland relatief onbekende schrijvers.
Bekender voor de lezer zijn de Nederlandse auteurs in dit nummer. Allereerst Henk Romijn Meijer, een van Nederlandse beste verhalenschrijvers die in 2008 overleed en wiens literaire executeur ons een ongepubliceerd verhaal afstond voor postume publicatie. Dan Jan Donkers, terug met een verhaal, nadat hij vele jaren geen fictie had geschreven. Daarnaast bijdragenvan Inez van Eijk, Jaap Scholten - voor het eerst - , A.L. Snijders en L.H. Wiener.
De overige Nederlandse auteurs zijn minder bekend, al zijn het geen beginners. Wiebe Brouwer, Theo de Jong, John Toxopeus en Ron de Zeeuw publiceerden al in De Tweede Ronde, Harry Lemmens werkte vaak mee als vertaler. Wij verwelkomen Jeroen Blokhuis, Toine Lenssen, Rudi van der Velde en Joachim Wilbers als nieuwe medewerkers aan ons blad. Voor nadere gegevens verwijzen we naar Auteursinformatie. Het Light Verse in dit nummer is van Pieter Niewint.

De eenwording van de wereld

De reiswekker gaat af om half vijf en een kwartier later loop ik door de tuin van het Ajit Niwas Palace Hotel, waarvan de eigenaar nog de allure heeft van een radja en waar mijn douche het niet deed. In het aardedonker weerklinkt een rochel die me schrik aanjaagt en een in wit gehulde gedaante doemt op en komt snel op me af. Hij ontneemt me zwijgend mijn rugzak, tilt hem op zijn hoofd en zet er de pas in. Op weg naar het hek geven zijn voetzolen geen enkel geluid.
Hij gaat me voor tot waar de taxi buiten de muur staat te wachten, de chauffeur discreet naast de geopende koffer. De drager laat de rugzak erin zakken, ik geef hem wat geld en hij werpt er een vluchtige blik op. Hij sluit zijn hand en verglijdt in het duister, nijdig noch blij verrast. De taxichauffeur sluit de koffer en houdt de achterdeur voor mij open.
Het is te vroeg om te praten. In een kwartier zijn we bij het busstation waar de verduisterde kamers-op-wielen schuin tegen de stoep geparkeerd staan en waar een enkele motor te keer gaat. Ik betaal de chauffeur en hij wijst me de lege plek waar de bus naar Udaipur aanstonds zal komen te staan. Hij knikt bij wijze van afscheid, hij gaat terug naar zijn sjofele Ambassador, zijn gezicht glimmend van slaap en vermoeidheid.
Het blijft stikdonker hier in Jodhpur, 275 km van Udaipur vandaan, op banken en op de grond liggen mensen schots en scheef roerloos te slapen. Een gehurkte vrouw in het rood houdt een baby zoet en aan het einde van de grauwe zak op de bank waarop ik een plaats heb ge - vonden valt een opening waardoor een duister oog me een paar tellen koortsachtig beziet en de opening sluit zich weer. Een reusachtige bus draait langzaam het terrein op en manoeuvreert tot hij achteruit de plek binnen kan rijden die de taxichauffeur me heeft aangewezen.
Het is een machtig en imposant voertuig dat zich aan weerskanten de luxe noemt, het heeft een stompe neus. De deur opent zich, ik mag binnen. Geen duwen en dringen dit keer zoals bij de lokale bussen die ik heb genomen, ik zoek ongestoord naar mijn plaats nummer twaalf. Mijn medepassagiers stappen een voor een in, rustige mensen in nette verwesterde kleren, in blauwe en beige broeken die er ondanks de vouwen uitzien alsof erin is geslapen. Een beige pak gaat achter mij langs en dan een paar geblokte truien en dan vraagt een jongen in een kunstleren jack of hij me helpen kan, want ik kruip zowat over de grond om die twaalf van mijn plaats op te zoeken. Hij wijst me waar de nummers zijn aangebracht, onderaan, opzij van de banken verstopt in het duister van het gangpad, ik was op de goede weg. Nummer twaalf staat onder een doorgestreept en blijkbaar ongeldig verklaard teken waarvan het onwaarschijnlijk lijkt dat het ooit leesbaar is geweest.
Ik bedank de jongen, we lachen wat tegen elkaar. Het is lichter geworden, de meeste mensen hebben hun plaatsen ingenomen en opeens ontstaat vlakbij me commotie. Een jongen zwaait een biljet waarop dezelfde twaalf staat als op het mijne, hij protesteert, hij zegt wilde dingen tegen de mensen om hem heen zonder mij direct aan te vallen en dan staat er een conducteur op. Hij bestudeert de biljetten onafhankelijk van elkaar en vergelijkt ze daarna en concludeert dat ze aan elkaar gelijk zijn. Drie of vier mensen praten door elkaar heen en wat zou ik ze graag verstaan! Wat zou ik graag horen wat ze te berde brengen in deze netelige zaak! Veroordelen ze de lokettist, de busmaatschappij, de zittende regering of mij, harteloos toerist? Ik krijg geruststellende knikken, de drukte beweegt zich naar achter waar nog een plaats onbezet wordt gevonden om het verlate nummer twaalf uit de brand te helpen, ik heb niets meer te vrezen. In deze de luxe bus is zo onwaarschijn lijk veel ruimte dat ik mijn rugzak tussen mijn voeten kan houden.
Een chauffeur die een enorme tulband draagt neemt plaats naast de motor die in de cabine is ingebouwd wat hem bereikbaarder maakt en als het ware meer van de partij. Het starten overdondert een vraag van de man naast mij, hij grijnst. Terwijl de bus vaart inhoudt om, op het nippertje, drie jongens van studentenleeftijd binnen te laten, herhaalt hij zijn vraag en ik haal grijnzend mijn schouders op.
Buiten het busstation verwaait de herrie tot een dragelijk rumoer en de conducteur begint aan zijn controle. De studenten die links van de deur bovenop het wiel dicht tegen elkaar gepropt zitten kopen biljetten van hem en de spierwitte stoppelbaard achter mij beroert mijn mouw en vraagt in Engels dat in een luchtbel uit de diepzee lijkt op te stijgen uit welk land ik kom. Ik laat de conducteur mijn biljet nummer twaalf nog eens zien en vertel de stoppelbaard het verhaal van mijn vlakke land - hoe diep het onder water ligt en hoe de mensen er toch niet verdrinken. De man knikt dat hij dat allemaal weet: ik wijs hem de bekende weg. Ik luister naar hem, een beetje beschaamd. Hij is boer, vertelt hij, een boer op het land. Hij bezit vijftig are en de zak naast hem bevat elk gewas dat hij verbouwt. Elk gewas? Een voorbeeld van elk gewas, een monster, van de verschillende soorten sla, de venkel, de broccoli, de marjolein, de snijbiet, noem maar op. Chard, zegt hij, en iceberg lettuce, de namen van zijn waren onverwacht zo voorbeeldig uitgesproken dat je zou denken: deze man spreekt zijn Engels perfect, laat ik een verhaal tegen hem afsteken. Hij zou er geen woord van verstaan.
Stralend van trots om de kwaliteit van wat hij in die zak bij zich heeft, brengt hij mij aan mijn verstand dat hij op weg is naar de schoonouders van zijn zoon en dat die kostbare last naast hem op de bank een geschenk is, een gave. Er is een of ander feest op handen bij die schoonfamilie, ik begrijp niet goed wat het kan zijn. ‘Pas getrouwd?’ vraag ik. ‘Baby?’ We komen er samen niet uit.
Het is een ijverige, intelligente man die heeft besloten om mij het hemd van mijn lijf te vragen. Hij doet aan zelfstudie, hij heeft de atlas van de wereld bestudeerd, hij weet waar Nederland ligt en Amerika en hij heeft verstand van valuta. Hij kan me vertellen hoeveel dollar een Engels pond op het ogenblik waard is en het kabaal in de bus dat me lam slaat lijkt hem niet te deren.
Hij vraagt me naar Nederlands geld en ik geef hem een dubbeltje en daarna een kwartje, een gulden. Hij bestudeert de munten aan beide kanten zoals ik ze nooit bestudeerd heb en de studenten voorin volgen het ritueel van onze vriendschap zonder schroom, ze laven zich aan de uitstraling ervan en ook anderen onder de de luxe reisgenoten slaan ons gade with the hottest fire of sight.
Ik laat mijn beminnelijke stoppelbaard vijf gulden zien en reken hem voor welke waarde aan roepies ik nu in mijn hand houd. ‘Vijfen - zeventig roepies,’ zeg ik en zijn mond blijft van verbazing open. De bus gaat langzamer rijden, we naderen een paar witte huizen, de man staat op. Als we stilstaan sjort hij de zak van de bank en ik geef hem de vijf gulden in het voorbijgaan. Hij is overweldigd, hij wil dat ik met hem mee ga, naar zijn huis, zijn vrouw, zijn kinderen en hij schudt mijn hand tot de chauffeur iets naar hem roept, dat hij moet opschieten waarschijnlijk, dat hij voort moet maken. Hij gehoorzaamt en buiten wuift hij me hartstochtelijk na, een in het wit gestoken gestalte voor een wit huisje. En een van die studenten knikt naar me, dat hij goedkeurt wat ik heb gedaan.
Ik heb een doelpunt behaald en misschien moet ik die jongens aanstonds nog vertellen dat het mijn laatste munt was van dat kaliber. Meedeinend houd ik mijn oog op de vuile ramen en het landschap er achter, en aan de overkant zie ik het overschot van een vrachtauto die in volle vaart tegen die boom moet zijn gereden. Het is de tweede vandaag, bij mijn vorige tocht waren het er minstens vijf.
Om even voor elf rijden we een bocht om aan de voet van een berg en passeren een bord dat ons waarschuwt dat het klimmen hier in ernst gaat beginnen. De bus geeft zonder gesputter de geest. Hij staat tamelijk lastig zo’n beetje in het midden van de weg waarvan het asfalt trouwens niet meer dan een bandbreedte breder is dan de bus zelf: voorbijrijden en inhalen gaat in een woeste zwaai naar het zand en de stenen opzij. Maar niemand neemt eigenlijk notitie van het voorbijgaand verkeer. En niemand neemt veel notitie van het oponthoud.
De chauffeur moet om water hebben gevraagd, want nu geven de reizigers thermosflessen aan elkaar door en voorin zie ik kostelijk drinkwater in de motor verdwijnen die zich nu hij zwijgt monsterlijk groot aan ons voordoet, een onverzadelijk gevaarte aan het eind van zijn Latijn. Op de kracht van het geofferde water rijden we een paar meter hogerop en opnieuw geeft de motor de geest. We staan nu in ieder geval redelijk aan de kant van de weg, wie verder wil kan ons passeren.
Nu zijn de mensen zo’n beetje uitgepraat tegen elkaar. Ze beginnen op te staan en ik volg ze als laatste naar buiten. Voorin zit de chauffeur toe te zien hoe zijn geknielde conducteur onder de geopende motorkap rommelt aan een ventilatorriem die verdraaid is - geen ramp als je er een in reserve hebt en iets om een moer mee los te maken. Maar chauffeur en conducteur lijken de pech blanco te benaderen en vanuit het ongerijmde, of hem te zien als een uitdaging om een doel langs een omweg te bereiken. Meer dan de helft van de mannen zit aan de verre kant van de weg in de zon die dragelijk is want het is nog maar maart en een paar van ze dwalen af om ergens kies te gaan plassen. Mannen zijn het zowat allemaal, het is me niet eerder zo opgevallen. Is een de luxe bus typisch iets voor een man? Ik zal het de student vragen die een steen opgeraapt heeft en hem in een lome zwaai naar een ander gooit die hem opvangt en verder laat gaan. Ze stellen zich in een driehoek op voor hun onbekommerde spel en ik herinner me wat een juwelier in Jaipur een paar dagen geleden tegen me zei: in India is er altijd tijd, voor alles. De gooiende studenten schuiven langzaam een beetje mijn kant uit tot de kleinste zo dicht bij me is dat hij me kan vragen waar ik vandaan kom en hoe ik heet.
Hij verbaast me, want zijn Engels is vloeiend, zo hoor je het vrijwel niet meer. We wisselen namen uit, een jeep houdt stil en onze chauffeur praat tegen die van de jeep en krijgt een steeksleutel aangereikt die hij even later teruggeeft omdat hij niet past. En de reizigers eromheen roepen wat naar ze en lachen onder elkaar. Ik vraag de student wat ze zeggen.
‘Ze plagen de chauffeur een beetje,’ legt hij uit. ‘Zo’n bus heeft een bepaald aantal plaatsen en als hij meer mensen meeneemt steekt hij het geld in zijn eigen zak. Als die sleutel zou passen zou hij een paar roepies moeten betalen en daarom roepen ze dat hij de volgende keer een paar extra reizigers moet meenemen, voor het geval.’
‘Heeft die chauffeur helemaal geen gereedschap?’ vraag ik.
‘Dat zou hij zelf moeten betalen en daarvoor heeft hij geen geld. Hij is alleen maar de chauffeur,’ verduidelijkt hij, ‘hij rijdt de bus.’
De donkerste van de drie zegt in gebroken Engels: ‘Dit is een heel arm land.’
Ik knik gegeneerd. De jeep is doorgereden en de student die zijn Engels zo makkelijk spreekt liefkoost de steen in zijn handen en vertelt dat ze alle drie, hoe kan het ook anders, communicatie studeren. En ze zouden graag willen weten welk beroep ik uitoefen.
Ik wil ze nu wel vertellen dat schrijven mijn vak is, al verdien ik mijn brood met wat anders.
‘Schrijft u verhalen?’ vraagt de woordvoerder, ‘Romans?’ Hij laat zijn blik gaan over de wachtende mannen en zegt in ernst: ‘Zijn er hier mensen over wie u een verhaal zou willen schrijven?’
Ik zeg dat ik over iedereen wel een verhaal zou willen schrijven. ‘Maar dat zou een beetje voorbarig zijn, want ik versta niet eens wat ze tegen elkaar zeggen.’
‘Een schrijver kan zijn fantasie laten spreken.’
‘Maar de verbeelding moet door ervaring worden gevoed,’ zeg ik, ‘pas dan kan hij een hoge vlucht nemen en onmogelijke sprongen maken in een mogelijk gebied.’
Ik zie dat een lichte aarzeling mijn leergierige discipel bevangt: neem ik hem in de maling? Ik zeg dat ik bewondering heb voor de manier waarop ze zich bij onvoorziene omstandigheden zinvol weten bezig te houden met zoiets simpels als een steen: ook dat is een triomf van de verbeelding. ‘Misschien is de steen wel het oudste middel tot communicatie,’ zeg ik en ze lachen een beetje en de derde student die een snor draagt zegt, nog net verstaanbaar: ‘In India zijn de omstandigheden nooit onvoorzien.’
De woordvoerder zegt: ‘Ik denk dat als je fictie schrijft dat je dan al...’
Hij vindt het juiste woord niet en waagt een benadering: ‘That you already look at people.’
Ik zeg: ‘Yes, you observe.’
‘Observe, yes.’ Hij herhaalt het: een woord om te onthouden.
‘Hoe komt het dat jullie zoveel van Nederland weten?’
Nu lachen ze alle drie. ‘Holland currency,’ dreunen ze op, ‘guilder. Holland famous for? Tulips, cheese – op school geleerd, heel lang geleden. Dat hoorde bij de algemene ontwikkeling.’
‘Jullie hebben nog goede geheugens. Wij Europeanen hebben helemaal geen geheugen meer.’
De woordvoerder die dikke wangen heeft maakt die hoofdbeweging waarvan ik nog steeds niet goed weet of het ja is of nee - schudden en knikken tot iets hoopgevends verweven en hij verzucht: ‘India is so beautiful and it is being destroyed all the time.’
Hij brengt geld ter sprake, niet die laatste vijf gulden van mij, maar de nieuwe munt die wij in Europa binnenkort voorgeschoteld zullen krijgen. ‘De wereld wordt steeds kleiner,’ zegt hij. ‘Je kunt de verste uithoeken in een paar uur bereiken en je kunt er maar één conclusie uit trekken.’ Zijn stem gloeit van geestdrift. ‘In eenwording ligt de enige hoop op de toekomst.’ Hij maakt een kleine pauze en ik zie een op - tocht aankomen, twee mensen, een paar ezels, een paar geiten en vier honden. ‘Het kan,’ hoor ik de student zeggen.‘We moeten er allemaal samen naar streven.’
Het zijn zigeuners, zo op het oog, voorop een bijna zwarte, slanke man die naar ons lacht en niets doet en niets draagt - triomfantelijk aanvoerder van zijn kleine parade, schilderachtig in zijn grijze colbert en donkerblauwe broek, een oranje-gele sjaal om zijn hals. Vier met bolstaande zakken beladen ezels komen achter hem aan, gedreven door een kaarsrechte vrouw die enorme stappen neemt op lichtblauwe pantoffels, zwierig in een feestelijk lang roze gewaad, haar armen half geheven achter een ezel die wijdopen oren naar het asfalt houdt om het geheim van het wegdek te horen. Op zijn rug is op een uitgespreide roze deken een mand vol kippen vastgebonden. De vier honden scharrelen in het verdroogde gras, de kleinste pikzwart.
De stoet is voorbijgegaan, we staan aan een onherbergzame weg. ‘De wereld moet één worden,’ zegt de woordvoerder. Wie zou het niet met hem eens zijn? ‘Geen oorlog meer,’ zegt hij, ‘geen geld meer verspild aan defensie en genoeg eten voor iedereen.’
In wat voor wereld leven we, dat we zoiets eenvoudigs niet kunnen klaarspelen? De landen die van alles te veel hebben kunnen niet eens weggeven wat er te veel is; ze zijn er niet toe in staat.
De jongen gooit de steen terug naar de kant van de weg, hij zegt: ‘We hebben nog een lange weg af te leggen.’
Hoe laat is het inmiddels geworden? We staan hier zeker twee uur en we komen geen stap vooruit. Niet te geloven dat geen van de auto’s die voorbij zijn gegaan in het bezit is van een passende sleutel! Ben ik als enige reiziger ongeduldig, of is het een teken van ongeduld dat een dwaas gerucht de kop opsteekt: onze chauffeur zou de bus helemaal naar Jodhpur terug willen rijden om hem daar te laten repareren, en wie is daar voor, wordt ons gevraagd. Die kant uit gaat blijkbaar wel zonder ventilatorriem, of met een die in de knoop zit. Maar het gerucht versterft voordat het bericht is geworden en een naderend hels kabaal leidt ons af. Een lokale bus komt de bocht om die ons te machtig was en houdt even verder stil, kikkergroen en stank verspreidend. Even later gaat iemand rond om te vragen wie in de lokale bus verder wil,want die chauffeur is bereid om mensen mee te nemen tot aan zijn eindpunt.
Moet ik wachten tot de de luxe bus zal zijn hersteld, door een goddelijke ingreep misschien? De studenten waarschuwen me alle drie tegen die lokale bus: ‘That is not a good bus for you.’
‘Waarom niet?’
Redenen zijn er te over:
There will be no comfort.
That bus will stop everywhere.
The seats will be dirty.
There will be many people.
They will be smoking.
En bovendien zal onze bus over een uur zijn gerepareerd, komt een man ons in vertrouwen vertellen, zeker, ja, absoluut zeker.

Maar absoluut zeker is hier zo veel en bovendien hebben die gehavende koektrommel en zijn slaperige inhoud mij nieuwsgierig gemaakt. En jullie gaan zelf toch ook mee, houd ik de jongens voor.
‘Wij zijn het gewend,’ zeggen ze en de woordvoerder lacht omdat ik meesmuil: zijn vader een Master of Science, econoom, hoogleraar, wat niet al, en dan gewend aan zo’n bus?
‘Jullie mogen me onderweg beschermen,’ zeg ik.
Ik stap in, ze komen achter me aan en duwen me het gangpad op tot waar de koffers ineenpassen zonder voor een voet ruimte te laten. Nog een stuk of vijf mensen zijn met ons overgestapt en meer zou niet kunnen, met de beste wil niet en niet met geweld. Op een stevig been, als een vlaggenstok ingeplant, het andere vruchteloos rustend op een koffer en de rugzak op mijn rug tussen gelaten mensen in gekneld - zo sta ik gereed om mijn straf te ondergaan, verhit en benauwd.
De motor gorgelt en schudt, de bus komt in een paar rukken op gang en er ontstaat een aangename verkoeling. Opnieuw word ik doezelig en ik denk aan die loyale vrienden voorin en aan de eenwording van de hele wereld en ik besef dat het in een bus zonder luxe zaak is om soepel mee te zwaaien in bochten waarin de aard van het voertuig om meezwaaien vraagt omdat het willig en diep door de knieën gaat en doorzakt tot op de as - zaak om mee te zwaaien zoals de vermoeide lokale reizigers knikkebollend en onbekommerd meezwaaien op het ritme van de bekende weg, de lokale mensen die van een ander maaksel lijken dan hun de luxe medemens, een ander soort – de oude doorgroefde mannen die vuurrode tulbanden dragen en stoffige lappen om tanige lijven, de magere eenling die eenzelvig zijn knieën wrijft, een doorschijnend melkwit waas over zijn ogen, een tandeloze mond rood van de betel. En de vrouwen, want in tegenstelling tot onze bus vervoert de lokale ook vrouwen – vrouwen in kleurige sari’s die ik be - wonder en beklaag vanwege de zware gouden ornamenten die ze dragen in oren en neus, en ze hebben uitzonderlijke ogen. In deze bus zie ik voor het eerst van mijn leven amandelogen.
Ik baad in het zweet, mijn knieën knikken en in een romantische opwelling bedenk ik dat het de amandelogen zijn die me fut geven om overeind te blijven, een bedeesd infiltrant in een bedreigde gemeenschap. Zouden die jongens voorin willen volhouden dat deze bus niet goed voor me is?
There will be no comfort...
Zweet stroomt mijn oog binnen. Ik heb die jongens bij haltes bereid gezien om bagage aan te reiken aan uitstappende boertjes beneden ze, op de begane grond, zoals ik elders en bij andere gelegenheden voorbeeldig westers gekleden op de markt de groenteman zijn paar centen min of meer in het gezicht heb zien smijten...
De bus stopt weer eens en het leven schikt zich naar een oeroud gebruik: wie naar buiten wil perst zich tegen wie zich naar binnen perst in een gelijke strijd en intussen snak ik naar een zitplaats.
Bij de volgende halte valt hij me toe en ik ontspan me en denk aan de boer onderweg naar zijn feest en de klank van zijn groente die hij met wat hulp en wat tijd tot verstaanbare zinnen zou kunnen uitbreiden en hoeveel aangenamer zijn leven dan voor hem zou zijn.
‘We hebben nog een lange weg af te leggen.’
Ik mijmer zo lang en zo hevig dat ik niet opmerk wat verder aan niemand ontgaat: dat onze de luxe bus ons heeft ingehaald, vlakbij een dorpje en na een uur. De bussen houden naast elkaar stil en wij die ons in het avontuur hebben gestort verlaten het bergvolk, zonder bloemen als dank of wat ook. We zoeken onze de luxe plaatsen weer op en vervolgen onze reis naar Udaipur dat in gidsen wel als de mooiste stad van de wereld wordt aangeprezen, al heeft Varanasi de oudste aanspraken. Een idyllische stad aan een meer, het vooruitzicht stemt tevreden. Door het vlies van modder en smeer op de luxe ramen zie ik een troebel berglandschap waar misschien bergmensen wonen.
Om tien over vier rijden we de drukte van Udaipur binnen, niet meer dan een paar uur te laat en ruimschoots op tijd: ik zal mijn hotelkamer niet verliezen. Terwijl ik afscheid neem van de studenten zie ik de jongens van de motor-rickshaws al aanstormen in hun hysterie om als eerste bij die lange blonde te zijn en hem te verpletteren onder hun multipele prijzen. Door hun geschreeuw heen wuif ik nog eens naar die studenten in communicatie van wie ik allang niet meer weet hoe ze heten. Ik weet niet eens wat ze hier komen doen en ze hebben niet eens mijn adres gevraagd!

Kort Verhaal

Uitgeverij Mouria

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum