Leesfragment: Kus me, straf me

27 november 2015 , door Marja Pruis
| | | |

Deze week verschijnt het nieuwe boek van Marja Pruis, Kus me, straf me. Over lezen en schrijven, liefde en verraad. Deze Nacht kunt u alvast een deel lezen uit het eerste hoofdstuk, 'Ik'.

Wat maakt het ene boek zo middelmatig en het andere zo onvergetelijk? Wat maakt literatuur tot literatuur? Als schrijver, criticus en lezer heeft Marja Pruis deze vragen tot kunst verheven. Terugkerend thema is de spanning tussen schrijven en schaamte, toedekken en onthullen, intimiteit en openbaarheid. Waarom zijn zoveel schrijvers bang? En andere juist te weinig? Kus me, straf me is een prikkelende combinatie van literatuur- en zelfbeschouwing, van fictie en non-fictie.

Ik

Bij wijze van inleiding

Ik ben de boekenkast van mijn ouders aan het opruimen en kom het boek tegen dat decennia geleden door het CPNB is bedacht en verspreid als Boekenweekgeschenk of iets in die geest. Ik ben in een drieste bui en stop de verzameling van jaren en jaren heel gauw in dozen.
Mijn oudste broer is in de keuken bezig. Af en toe komt hij kijken hoe het gaat. De dozen stapelen zich op.
‘Zo meteen maar naar de vuilstort?’ vraagt hij.
Ook hij moet ergens heen met zijn emoties.
De cpnb-uitgave had een witte omslag, grote blauwe of zwarte letters, en het was getiteld Je weet niet wat je leest.
De grap van het boek was dat er zonder auteursvermelding allerlei tekstfragmenten bijeen waren gebracht. Je wist dus niet of je een verhaal van Mulisch aan het lezen was of van Jos van Manen-Pieters. Ik las het boek overigens toen ik hier nog niet helemaal de grap van kon doorgronden. Ik was gewend gewoon alles te lezen zonder aanziens des persoons. Het zou mij verder een biet wezen: literatuur of lectuur. Aan de boekenverzameling van mijn ouders te zien was dat ook niet hun voornaamste zorg. Ik was even verslingerd aan de Carmiggelt-omnibus als aan de Maria & Giuseppe-trilogie van een obscure schrijver. Het boek waarvan mijn vader liever niet had dat ik het las, Verhalen uit duizend-en-één nacht, in net zo’n mooie donkerglimmende boekenclubband gevat als Max Havelaar en Decamerone, probeerde ik wel eens te lezen, op zoek naar de verboden regels. Ik snapte er zo weinig van, dat ik het telkens in verwarring terug in de kast zette. In bed spon ik mijn eigen verhalen over sultans en haremdames.
Mijn broer steekt zijn hoofd om de deur. ‘Er staat nog een fiets in de berging,’ zegt hij.
Ik stop Lijmen/Het been, dat ik aan mijn vader gaf toen hij zijn heup had gebroken, weer in een andere doos. Daarin ligt ook de etiquette-gids van Amy Groskamp-ten Have. En zo’n adviezenboek voor net getrouwde stellen. Wat zal ik met de mappen van Openbaar Kunstbezit doen?
‘Ben zo terug,’ zegt mijn broer, en hij zwaait met een sleutel.
Toen ik eenmaal de jaren des onderscheids had bereikt, pakte ik Je weet niet wat je leest nog wel eens uit de kast, net als Wat vind ik in de duinen? De bladzijden ademden een landerig soort spelelement uit. De fragmenten leken uitgezocht op het weinig tot non-descripte karakter. Iedere schrijver moet natuurlijk wel eens een personage een kamer laten binnengaan, of een glas water laten leegdrinken. Je hoeft ze niet die hele trap op te laten lopen, placht redacteur Anthony Mertens te zeggen tegen de auteurs die hij begeleidde, en dan ook nog die deur open te laten doen. Maar ondertussen worden er heel wat loze trajecten afgelegd in de Nederlandse letteren. De enige schrijver die er luidkeels prat op gaat geen zin te schrijven die een ander ook zou kunnen schrijven, is Herman Brusselmans. De enige schrijver die het daadwerkelijk klaarspeelt om in romans met een gemiddelde omvang van 500 pagina’s geen zin te schrijven die een ander zou kunnen schrijven, is A. F. Th. van der Heijden.
De fotoalbums staan op de onderste plank. Die moeten in een aparte doos.
Over stijl wordt nogal eens gewichtig gedaan. Dat het alles is bijvoorbeeld. In de praktijk is weinig zo hinderlijk als een al te opzichtige stijl. Ook in de praktijk: weinig zo deprimerend als een conglomeraat van grijze zinnen. In de trein op weg hier naar toe begon ik in een roman die ik misschien wilde gaan bespreken. ‘Terwijl de trein het station uit rijdt, staat de vrouw naast hem op,’ las ik. ‘Ze trekt haar jas uit.’ Kraakhelder Nederlands, maar het werkt me op de zenuwen. Waarom zegt de schrijver niet hoe die jas eruit ziet? Of wat eronder vrij komt? Angst lijkt me. Onvermogen. Probeer iets te zeggen en je kunt op je bek gaan.
Mijn broer is weer terug. Hij kijkt de kamer rond.
‘Wat doen we met de kast van tante Bets?’
Ik wist dat die vraag ging komen.
Ik moet gewoon meer geduld hebben. Het kan best nog iets worden met dat boek met die grijze zinnen. Wat zei Gerrit Krol ook alweer? Er bestaat niet zoiets als een goede stijl. Een stijl is goed als die goed is voor de inhoud. Daarom heeft zo’n blinde bloemlezing, met fragmenten die allemaal uit hun verband zijn gelicht, bij voorbaat iets nietszeggends. Iets doods. Als ik zap, weet ik ook niet wat ik zie: een aflevering van Gooische Vrouwen of een film van Alex van Warmerdam. Ooit wel eens een stuk tomaat geproefd met gesloten ogen? Je weet niet wat je eet, maar het smaakt niet.
De kast van tante Bets is zo’n kast met laatjes en een uitklapbaar werkblad. Ik maakte er mijn huiswerk aan. Mijn vader heeft er aan gewerkt.
‘Ik weet het niet,’ zeg ik. ‘Volgens mij moeten we even wachten.’
Mijn jongste broer moet nu zo ongeveer terugkeren uit Afghanistan. Het laatste wat hij ons meldde was dat de Baluchivallei nu op zijn mooist is. Zo groen, we hebben geen idee. Het maakt het alleen nog lastiger om te zien waar wat ligt. Op een bermbom is zomaar gestapt.

Wat je meestal leest is dit: de kinderen ruimen de nalatenschap van hun ouders op en stuiten op een verborgen verleden. Een pakketje onbekende foto’s, een brief met een vreemd handschrift en een bijgesloten hangertje, een boek met een intieme opdracht. Jarenlang diep weggestopt achter de breiboeken, knopendozen en garantiebewijzen, en nu knipperend tegen het daglicht blootgelegd.
Waaruit dan opeens zou blijken dat moeder ooit, toen vader op zakenreis was, en de kinderen op vakantiekamp, de deur open heeft gedaan voor een baardige fotograaf, aan wie ze na enig aarzelen de mooiste bruggen in de omgeving liet zien. Voor ze het wist lag ze zelf gewillig te poseren in het hoog opgeschoten gras. Het zilveren kruisje om haar nek blonk in haar schuchtere decolleté. ’s Avonds hakte ze met meticuleuze precisie de worteltjes voor de groentesoep, terwijl Baardmans achter haar stond, met in zijn ene hand een biertje en in zijn andere haar linkerheup.
Later op die avond liggen ze samen in het ligbad, door vader nog eigenhandig en zeer solide geplaatst onder het schuine dakraam. Buiten heerst de stille duisternis, een verre uil roept. Hij wast haar haren, terwijl zij hem op droevige toon duidelijk probeert te maken dat er geen toekomst is voor hen beiden.
Hij begrijpt het niet, stopt met haar hoofd te masseren. Ze pakt zijn hand, maar hij trekt die terug.
‘Er zijn mensen die hier hun hele leven naar zoeken,’ zegt hij. ‘Anderen denken dat het niet bestaat. En jij wilt het opgeven.’ ‘
Dat is het niet,’ zegt zij, mijn lieve moedertje. ‘Ik heb al een leven. Ik heb een man. Kinderen. Het is niet eerlijk. Niet voor hen, en niet voor jou.’
Op de foto’s die ik heb meegenomen uit haar oude huis, kan ik zien hoe mooi mijn moeder vroeger was, tot op hoge leeftijd bleef overigens. Ze had dikke donkere krullen, smalle ogen die altijd een beetje leken weg te dromen, en een prachtige sensuele mond. Nog op haar vijfenzeventigste bracht ze het hoofd van een medelid van de fietsclub op hol. Schaterend, en gevleid, vertelde ze hoe ze min of meer door hem werd aangerand toen ze bij hem op ziekenbezoek ging.
‘Laten we samen ergens anders opnieuw beginnen,’ zegt Baardmans, en zijn handen hervatten hun strelende werk.
Mijn moeder geniet zoals ze niet dacht ooit nog te kunnen genieten. Maar toch... Ook zonder Marry me van John Updike te hebben gelezen, weet ze hoe het gaat in de liefde.
‘Ik wil de rest van mijn leven net zo van je houden als ik nu doe,’ zegt ze. ‘Als we samen weg zouden gaan, raken we dat kwijt. Ik zou treurig worden, en jou dat gaan nadragen.’
Hij laat zijn hand langzaam naar voren glijden, over haar borsten.
‘Zo zeker voel je je maar één keer in je leven,’ zegt hij.
Mijn moeder zucht. ‘Ik kan niet een heel leven doen verdwijnen en opnieuw beginnen,’ zegt ze. Ze kijkt achter zich, hoopt op begrip in zijn ogen. ‘Ik kan het gewoon niet.’
Hij zegt niks, begint vol overgave haar schouders te kussen.
Als ze uit bad stappen zegt hij: ‘Misschien denk je er volgende week anders over.’
‘Nee, dat denk ik niet,’ zegt zij.
‘Ik wil nu geen afscheid nemen,’ zegt hij. ‘Misschien bedenk je je nog.’
In werkelijkheid heeft mijn moeder zich nooit hoeven bedenken. Voor zover ik weet streed ze haar strijd op haar vijftiende, gedurende ongeveer een half uur, waarschijnlijk korter nog. Ze had dansles, en er werd werk van haar gemaakt door een politieagent, ook uit Tuindorp Oostzaan. Maar ze wist dat mijn vader, die mijn vader nog lang niet was, buiten op haar stond te wachten als de les was afgelopen. Het had wel iets verlokkends, om even de mogelijkheid van een heel ander avontuur te overwegen, maar eigenlijk was het ook niet aan de orde.
‘Wat moet je met die jongens van Pruis,’ vroegen haar vriendinnen toen ze met hem en zijn broers in gesprek was geraakt op de pont van Amsterdam-Noord naar de stad. Ze waren netjes, en dus saai.
‘Wat moeten we met haar vader?’ schreef een recensente in de krant, naar aanleiding van mijn eerste boek, De Nijhoffs of de gevolgen van een huwelijk (1999), verwijzend naar een alinea waarin de biografe haar vader citeert: ‘Mar liegt nooit.’ De recensie was zo negatief, dat ik ’m nooit helemaal heb gelezen. Iets was niet helemaal geland, en dat iets was mijn boek. Eén woord lichtte nog op in die krant voor ik hem op de grond liet vallen, om een jaar later nog steeds door mijn hoofd te spoken: koketterie. Er was teveel ‘ik’ in mijn boek, ‘ik’ stond in de weg van mijn onderwerp. Alsof die ik ook echt ik was, en niet degene die het verhaal vertelde. Zelfs dacht ik een veilig boek te hebben geschreven, want ik had me verscholen achter het schild van een tastende biograaf. Mijn omgeving vond het pijnlijk, die opmerking van de recensente, want in het echt was mijn vader nog niet zo lang dood.
‘Heb je d’r vriendje afgepikt tijdens de studie?’ vroeg een voormalig studiegenoot. Een paar weken nadien stond er een rouwadvertentie in de krant voor de vader van de recensente. Weer kreeg ik adhesiebetuigingen. Dát was het natuurlijk geweest, haar eigen vader lag op sterven, waardoor ze een pesthumeur had gehad of in ieder geval niet toerekeningsvatbaar was geweest. Creatief bedacht, maar mijn ongeluk werd er niet minder om. Evenmin als mijn twijfel. Ik dacht altijd al veel na over het gebruik van ‘ik’, of ik nu een verhaal schreef, een column of een recensie. Het ‘ik’ kan zo opdringerig zijn, kijk mij eens het centrum van de wereld zijn, maar ook heel bescheiden: ‘ik’ ben het slechts die hier aan het woord is, niet een of andere neutrale instantie. Maar dat kan ook weer pseudo-bescheiden zijn. Het ligt er maar net aan wie die ‘ik’ is.
Toen ik begon met het schrijven van kritieken, vond ik het een van de lastigste kwesties. Hoe vermijd je de indruk niet meer dan het zoveelste particuliere meninkje te berde te brengen, maar ook de suggestie namens een objectief instituut het salomonsoordeel te vellen? Wat is het verschil tussen ‘Ik vind dit een rijke roman over grote kwesties’ en ‘Dit is een rijke roman over grote kwesties’? Aanvankelijk schrok ik terug voor het gebruik van ‘ik’ (want: wie ben ik), maar al gauw vond ik het versluierend om ‘ik’ te vermijden. De inzet van mijn recensies werd juist altijd persoonlijk; ik bracht mijn eigen leesgeschiedenis, associaties en smaak nadrukkelijk in, omdat die immers ten grondslag lagen aan mijn beoordeling.
Ik is een keuze, iedere keer weer. En blijft voor verwarring zorgen.
Vrienden van mijn dochter hebben een boek van mij gelezen.
‘Je gooit ons leven op straat,’ zegt ze.
Een paar weken later zegt ze, naar aanleiding van een column: ‘Jij schrijft nooit de waarheid.’
Daar ergens tussenin zit het, tussen de leugen en de waarheid, maar waar precíés: daarover kan ik beter weer een boek schrijven.

[...]

© 2011 Marja Pruis en Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
Foto © Bob Bronshoff

Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum