Leesfragment: Louteringsberg

10 april 2011 , door Marcel Möring
| |

14 april verschijnt vijf jaar na zijn vorige roman, de nieuwe, grote van Marcel Möring: Louteringsberg. Vanavond kunt u bij Athenaeum alvast de eerste pagina's lezen en uw exemplaar reserveren.

In de hete zomer van 2006 verlaat de dochter van Marcus Kolpa het huis waar ze twintig jaar samen woonden. Als zijn moeder overlijdt komen een voor een de spoken uit zijn verleden tevoorschijn. Deze zoektocht naar een familiegeschiedenis haalt hem uit zijn jarenlange isolement. Wat waar leek te zijn, blijkt schijn. Wat orde leek, is chaos. En dan komt Lila.

 

Denk je dat je daar bent waar je wilt zijn?

Becky was vijf toen we hier kwamen wonen. Het liep tegen het einde van de jaren tachtig en hoewel onze verhuizing naar een afgelegen huis op een heuvel te midden van uitgestrekte bossen het begin van iets nieuws betekende, was het tegelijkertijd een afsluiting.
Het huis had bijna tien jaar leeggestaan. Tijdens de bezichtiging had de makelaar, een kettingrokende vvd’er in blazer en grijze flanellen pantalon, ons druipend van scepsis rondgeleid in wat een halve ruïne leek. Op het dak lagen zeilen tegen het inregenen, er waren deuren weg, de trap was een wrak en overal hing de gronderige geur van schimmel en nat hout. We volgden de makelaar door de vertrekken, helemaal naar boven, waar het middengedeelte van de kap op de vloer van de zolder was gestort en de lichtblauwe lentelucht door de kieren van de dekzeilen zichtbaar was.
‘Van wie is het?’ vroeg ik, toen we weer beneden waren, in wat ooit een salon moest zijn geweest, maar door de laatste eigenaar blijkbaar als bibliotheek was gebruikt.
‘Een Amerikaan,’ zei de makelaar met tegenzin.
Ik keek hem vragend aan, maar hij leek er niet veel voor te voelen om het onderwerp diepgaander te behandelen.
‘En hij is...?’
‘...terug naar Amerika.’
We liepen naar buiten, waar onze auto’s tegen de bosrand stonden te wachten, zijn groene Jaguar en mijn oude rode Volvo station.
‘De vraagprijs is te hoog,’ zei ik. ‘Ik zal een bod uitbrengen.’ De makelaar meesmuilde.
‘Luister eens,’ zei ik. ‘Voor iemand die hier een aardige courtage aan over kan houden ben je niet erg enthousiast.’
Hij liet zijn hoofd iets zakken en keek mij vanonder zijn wenkbrauwen aan. Toen begon hij in zijn colbertzakken te frommelen. Hij haalde er zijn sigaretten uit, stak er een op en inhaleerde alsof hij aan de zuurstof lag.
‘Dat huis...’ zei hij na een tijdje. Hij ontweek mijn blik, maar wilde blijkbaar ook niet naar het huis kijken. Het resultaat was dat hij uiteindelijk nogal visionair vanuit zijn rookwolken in het niets staarde.
Ik trok een wenkbrauw op en wachtte op zijn uitweiding, maar die kwam niet. Ik vroeg me af hoe zo’n weinig spraakzame man zulke goede zaken kon doen dat hij er een Jaguar aan over had gehouden.
‘Wat is er met dat huis?’
Hij schokschouderde in zijn blazer.
‘Ik krijg er de rillingen van.’
‘Waarom?’
‘Wat?’
‘Waarom krijg je de kriebels van dit...’
Hij schudde zijn hoofd.
‘De afgelegen plek... Midden in het bos. Hier op de heuvel. Ik weet het niet... Er is iets met dat huis.’
‘Berg,’ zei ik. ‘Vergeet niet dat wij Hollanders dit een berg noemen. Ik kende ooit een Engelsman die vroeg, toen ik hem had uitgelegd dat wij onze heuvels bergen noemen, of een heuvel bij ons dan soms een gat in de grond was.’
Hij kon er niet om lachen.
‘Zorg dat je morgen bereikbaar bent,’ zei ik.
Hij opende zijn mond, maar ik besloot hem te negeren.
‘Wij kijken hier nog even rond,’ zei ik.
Hij knipperde met zijn ogen en aarzelde even. Toen stapte hij in zijn auto en reed knerpend het grindpad af. Ik zag hem in zijn achteruitkijkspiegel kijken terwijl de wagen in de bosrand verdween.
‘En, schatje? Wat denk je ervan?’
Becky, de vingers van haar handje om mijn wijsvinger geklemd, keek naar het huis.
‘Zijn er spoken?’
‘In het huis? Nee, dat denk ik niet. Denk jij dat er spoken wonen?’
Ze knikte.
Ik nam haar op en liep het grasveld over. Daar, voor dat kolossale pand, stonden we naar de dode ogen van de ramen en de gesloten mond van de dubbele voordeur te kijken.
‘En wat doen we daar dan aan?’
Becky wurmde in mijn armen en ik zette haar op de grond. Ze rende in haar fladderende jurkje naar de rand van het gazon, hield daar stil, zette haar handen aan haar mond en riep zo hard ze kon ‘Boe!’
‘Ik denk dat dat wel heeft geholpen,’ zei ik, toen ik naast haar stond. ‘Geen spook durft te blijven als Rebecca Kolpa “Boe!” roept. Denk je dat ik ook nog moet roepen?’
Ze keek omhoog en dacht even na. Toen schudde ze haar hoofd.
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik denk ook niet dat spoken van mij schrikken.’
‘Ik jaag ze weg,’ zei Becky.
Ik knikte.
‘Altijd,’ zei ze.
Ik tilde haar op en liep met haar naar de auto.
‘Becky jaagt de spoken weg,’ zei ik. ‘Daar reken ik op.’
Een halfjaar later verhuisden we. In die zes maanden hadden een zwijgzame aannemer en een even zwijgzame ploeg mannen het dak gedicht, verwarmingsbuizen onder de vloeren gelegd, elektriciteitskabels ingefreesd en een heleboel andere dingen gedaan die voor mij onzichtbaar bleven maar volgens de aannemer ‘apsoluut nootzakelijk’ waren, zoals hij niet ophield te herhalen als hij met een meerwerknota kwam. Het was oktober. We hielden stil op het knerpende grind van de cirkelvormige oprijlaan. Een herfstig zonnetje kwam net boven de boomtoppen uit en legde zacht oud licht over ons nieuwe huis. Het was droog en nog niet koud.
Becky, die over een week zes zou worden, sprong uit de auto en rende het grasveld op dat midden in de grindcirkel lag. Daar bleef ze staan. In haar knalrode winterjas leek ze een boswezentje, een sprookjesfiguur die hier nu al meer thuis was dan ik.
Ik laadde onze koffers uit en en bracht ze naar de voordeur, waar ik ze naast elkaar op de bovenste trede van het trapje zette. Toen ik dat had gedaan keek ik om. Becky stond nog steeds midden op het gras en staarde naar het huis. Ik liep naar haar toe en ging naast haar staan.
‘Zeg eens, Roodkapje, wat denk je?’
Ze legde haar hand in de mijne en bleef strak voor zich uit kijken. Pas na een tijdje keek ze opzij, nogal ernstig, en zei toen met stille nadruk: ‘De spoken zijn weg.’
‘Spo...’
Ik had niet gedacht dat haar angst zo diep zat. Sinds de bezichtiging was het niet meer ter sprake gekomen. Misschien had ik erover moeten beginnen. Maar ik was druk geweest met de verbouwing, het uitzoeken van materialen, de parafernalia van het dagelijks leven.
Ik had haar weggehaald uit een omgeving die ze kende, de school waar ze nog maar een jaar op zat, haar vriendjes en vriendinnetjes, en nu nam ik haar mee naar een geïsoleerd gelegen huis op de top van een heuvel in het verre oosten van het land. Om ons niets dan dichte bossen en glooiende heidevelden. Had ik te weinig rekening gehouden met mijn dochter, terwijl ik met oogkleppen op afstormde op mijn doel: een plek in de wereld waar ik onzichtbaar en onbereikbaar kon zijn?
‘Lieve schat,’ zei ik. ‘Ik denk...’
Becky begon in de richting van de deur te lopen en trok mij mee.
‘Becky...’ probeerde ik nog een keer.
Maar ze bleef lopen met haar kleine stapjes, doelbewust en vastberaden, tot we bij het trapje waren. Daar, haar hand nog steeds in de mijne, zei ze: ‘Hier hoeft je niet bang te zijn.’
‘Hoef...’ zei ik. ‘Niet hoeft.’
Ik keek naar beneden, naar de rode krullen, de rode jas.
‘Als je slaapt, hoef je niet bang te zijn,’ zei Becky.
‘Was je dat dan?’ zei ik. ‘Was je bang?’
Ze keek mij vanonder een frons aan. Toen schudde ze haar hoofd.
‘Ik niet. Jij.’
Ik glimlachte om de onnavolgbare sluwheid van de psyche en hoe die verdrong en projecteerde.
‘Becky,’ zei ik. ‘Ik denk dat ik hier nooit bang zal zijn. Jij hebt de spoken immers weggejaagd. Maar als jij soms bang bent, kom je dan onmiddellijk naar mij toe?’
Ze liet haar handje uit de mijne glijden en pakte het rode kartonnen koffertje op waarin ze haar toilettasje, twee boeken en Meneer Cohen, haar grote pluchen eekhoorn, had gestopt. Ze stond op de bovenste trede van het trapje.
‘Ik ben nooit bang,’ zei ze.
‘O,’ zei ik, onder de indruk van de kracht waarmee ze haar vrees voor spoken en geesten buiten zichzelf had geplaatst.
‘Ik heb geen nare dromen.’
Toen pas zonk het besef in mij dat ze niet had geprobeerd om haar angst beheersbaar te maken door die aan mij toe te schrijven, maar dat de spoken waarover ze het had mijn spoken waren. Ze had het over mijn nachtmerries, de wervelende zwarte dromen waaruit ik soms schreeuwend ontwaakte en waaraan zij blijkbaar zo gewend was geraakt dat ze had besloten dat ik bang was voor wat in haar belevingswereld het engste moest zijn: spoken. Ik voelde me beschaamd. Beschaamd en... ja: hulpeloos. Ik voelde me hulpeloos omdat ik merkte hoe gebrekkig ik was als enige opvoeder van een kind, mijn dochter, het kind dat ik alles wilde geven. Hier, voor het huis waar we zouden gaan wonen, wist ik ineens heel duidelijk dat mijn ‘alles’ niet zoveel was. Ik, met mijn tekortkomingen en somberheid, mijn nachtmerries, mijn verlangen om niets meer met de wereld te maken hebben, wat kon ik voor haar zijn? Hoe kon ik haar laten opgroeien buiten de samenleving, alleen met mij, op deze godvergeten plek?
‘Kom,’ zei ik, en ik schudde mijn hoofd alsof ik de plotselinge somberheid kwijt kon raken met hetzelfde gemak waarmee een hond zich van de natte druppels in zijn vacht ontdoet. ‘Kom,’ zei ik. ‘We gaan naar binnen, Roodkapje. Laten we kijken wat ze van ons huis hebben gemaakt.’ Ik stak de grote sleutel in de voordeur en liet ons binnen.
We maakten een ronde over de begane grond. In elke kamer riep Becky dat deze de allergrootste was. Toen we op de tweede verdieping belandden holde ze voor mij uit. Ze gooide de deur van mijn kamer open.
‘Hier slaap jij,’ riep ze.
Ze rende naar de badkamer die daartegenover lag en zwaaide ook die deur open.
‘En hier wassen we ons!’
Daarna liep ze gewichtig naar haar kamer, die ze een paar maanden geleden al had uitgezocht, toen we de verbouwing kwamen bekijken en de gaten in de vloeren ontweken en over stapels pvc-buis en zakken stuc stapten. Hij lag direct naast de mijne. Destijds dacht ik dat ze die koos om dicht bij mij te zijn, maar nu was ik daar niet meer zo zeker van. Misschien wilde ze daar slapen om mij te hulp te schieten als ik bang was voor spoken. Ze opende de deur, heel langzaam, keek naar binnen, en toen keek ze over haar schouder en zei: ‘En hier?’
Ik kwam bij haar staan en tuurde over haar schouder naar binnen.
Via de makelaar had ik een binnenhuisarchitecte gevonden die met mijn eisen- en wensenlijstje voor de aankleding van het huis had gezorgd. We hadden elkaar twee keer ontmoet. Een keer in een motel langs de snelweg, waar we afspraken maakten over het werk en de kosten, en daarna nog eens om de voortgang te bespreken.
Die eerste keer hadden we tegenover elkaar gezeten aan een tafeltje in een veel te groot leeg restaurant, terwijl de zomerzon op het water van het aangrenzende randmeer schitterde. We dronken koffie en bespraken mijn verlangens. Ze had naar mij geluisterd met een ernstige en tegelijkertijd enigszins geïntrigeerde blik. De pen in haar hand ging langs de lijst met onderwerpen die ik had uitgeprint en af en toe keek ze op en dan waren er ogen die niet alleen leken te vragen waarom ik twee Bulthaup-keukentafels in mijn werkkamer wilde hebben. Wie ben jij? Wat wil jij van het leven? Waar kom je vandaan? Waar ga je heen? Dat vroegen die ogen.
Tijdens de verbouwing belde ze een paar keer, om te zeggen dat de tegels in de badkamer vervangen moesten worden en of ze een bepaald soort nieuwe mocht kopen, om aan te kondigen dat zij klaar was met inrichten en een schoonmaakbedrijf had gevonden dat het huis kon voorbereiden op onze komst. Ze had toen ook gezegd wanneer de verhuizers zouden komen en of ik op een plattegrond wilde aangeven waar alles moest komen te staan.
Becky bewonderde haar kamer, ingericht volgens de tekening die zij maanden geleden had gemaakt (warmgele wanden, een blauw plafond met sterretjes en op de oranje geverfde vloerplanken een rond indigo kleed dat zij ‘het meertje’ had genoemd). Haar kleren hingen op soort en kleur in een blauwe kast, op haar gele nachtkastje stond de grote Mickey Mousewekker en daarnaast lag Nils Holgersson klaar om voorgelezen te worden. Haar schoenen waren uitgestald op een plank en daaronder stonden haar laarzen en pantoffels. Het bed was al opgemaakt en op het kussen lag haar pyjama, keurig opgevouwen.
Mijn kleine roodharige dochter was diep onder de indruk. Er kwam lange tijd geen woord uit haar. Toen, het klonk als een zucht, zei ze: ‘Percies mijn tekening.’
‘Dat kun je wel zeggen,’ zei ik. ‘Alsof je in jouw eigen tekening gaat wonen.’
Ze keek mij aan met een blik die tegelijkertijd peinzend en alert was.
Een uur later, toen we onze koffers hadden uitgepakt en thee maakten in de keuken, die ‘percies’ mijn tekening was, galmde de bel in de grote hal. Becky rende naar de deur, terwijl ik naar de beuk keek die op het grasveld achter het huis tijdloos stond te wezen. Ik hoorde Becky’s heldere stem en de nauwelijks verstaanbare antwoorden van een vrouw. De keukendeur ging open. Mijn dochter en de vrouw die ons huis had aangekleed stonden op de drempel.
‘Zij heet Julia,’ zei Becky.
‘Dat weet ik,’ zei ik.
Mijn dochter keek mij argwanend aan.
‘Julia heeft ervoor gezorgd dat jouw kamer eruitziet als op jouw tekening.’
Becky keek omhoog, naar de vrouw die naast haar stond.
‘Kom je hier wonen?’ zei ze.
‘Nee,’ zei de vrouw die Julia heette. ‘Ik kom kijken of jullie tevreden zijn en daarna ga ik weer weg.’
Ik zette Becky’s theekopje op tafel en knikte ernaar, ten teken dat ze moest gaan zitten.
‘Thee?’
Julia knikte.
Ik zette de theepot op tafel en wees haar een stoel.
‘We zijn zeer tevreden,’ zei ik, toen we allemaal zaten. ‘Het heeft bijna iets pervers om in een nieuw huis te komen en te merken dat alles op zijn plaats staat.’
Ze glimlachte.
‘Is er karton?’ zei Becky.
Julia keek haar niet-begrijpend aan.
‘Digestives,’ zei ik. ‘Koekjes. We noemen ze karton, omdat ze niet zo spannend zijn.’
‘De koektrommel staat in dat kastje,’ zei Julia. Ze knikte in de richting van het aanrecht.
Ik knipperde even met mijn ogen.
Na de thee, toen Beck yhaar speelgoed opnieuw ontdekte en in haar kamer rommelde, deden we een inspectieronde. Er hing een merkwaardige, lege spanning om ons. We liepen door de kamers en de gangen, we beklommen de trappen en openden deuren, tot we uiteindelijk op de grote zolder stonden die zich over het hele oppervlak van het huis uitstrekte. De binten en de spanten verhieven zich boven ons. Door de nieuwe kantelramen stroomde helder winters licht dat de vloer van maagdelijk blond eiken deed blozen. Het was een ruimte waar wel vijftig mensen konden zitten.
‘Wat ga je hiermee doen?’
Ik keek opzij, naar de vrouw die dit huis de afgelopen maanden beter had leren kennen dan ik.
‘Geen idee,’ zei ik. ‘Ik heb werkelijk geen flauw idee. Concerten organiseren? Galadiners geven?’
Ik glimlachte bij de gedachte dat uitgerekend het huis waar ik mij wilde terugtrekken zo groot was dat het de aangewezen plek leek voor een druk sociaal leven.
‘Wat ik mij heb afgevraagd,’ zei Julia, terwijl ze in de lichte plek onder een van de grote dakramen stapte. ‘Wat ik mij afvraag, is waarom je dit enorme huis hebt gekocht. Jullie zijn met zijn tweeën, toch?’
‘Al waren we met zijn tienen,’ zei ik.
Ze keek me aan.
‘Ja,’ zei ik. ‘We zijn met zijn tweeën.’
Het oktoberlicht stroomde in een brede baan naar binnen en wierp een flauw vierkant op de nieuwe houten vloer. Een deel van haar gezicht werd door het licht geraakt. Haar donkere haar glansde intens, haar kaaklijn was scherp afgetekend. Er hing een stilte tussen ons die om een woord, een zin vroeg. We keken elkaar een tijdje aan. Toen draaide ik mij om en liep naar de deur.
Later die middag, Becky en ik zaten in de keuken en aten de omelet die ik had gemaakt, vroeg mijn dochter of ze weer terugkwam. ‘Wie?’ zei ik, hoewel ik het antwoord wel wist.
‘Die mevrouw.’
‘Nee, dat denk ik niet.’
Ze knikte en kauwde op haar stokbrood.
‘Waarom niet?’ zei ze toen.
‘Waarom wel?’
‘Ik vond haar leuk.’
‘Er komt iemand anders,’ zei ik. ‘Ze heet mevrouw Sanders.’
‘Is zij ook leuk?’
Daar moest ik even over nadenken.
‘Ja,’ zei ik, ‘ik denk dat je haar wel aardig zult vinden. We zullen zien.’
Die avond, terwijl Becky boven lag te slapen, stond ik in mijn werkkamer en probeerde op te ruimen wat niet op te ruimen viel. Op de een of andere manier leek alles op de juiste plek te zijn gekomen en kon ik niet veel meer doen dan een beker met potloden verschuiven en een lamp verstellen.
Merkwaardig dat een mij volstrekt onbekende vrouw dit huis zo had ingericht dat alles klaar was voor onze komst. Moest ik er betekenis aan hechten? Was het een soort vingerwijzing? Of was dit wat je kreeg als je veel geld uitgaf? Ik was nog niet lang welgesteld en de macht en de mogelijkheden van een kapitaal waren mij onbekend.
Zoals we daar op die enorme zolder hadden gestaan. Haar vraag, of we met zijn tweeën waren. De stilte die tussen ons hing en zoals ze mij door die leegte had aangekeken.

[...]

Copyright © 2011 Marcel Möring
Copyright foto © Keke Keukelaar (zie ook ons gesprek met haar, onder andere over deze foto)

Uitgeverij De Bezige Bij

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum