Leesfragment: Magnus

01 maart 2011 , door Arjen Lubach
| |

3 maart wordt de derde roman van Arjen Lubach, Magnus, gepresenteerd bij Athenaeum Boekhandel. Vanavond kunt u alvast de eerste pagina's lezen en uw exemplaar reserveren.

Een indrukwekkende vertelling over liefde, verlies en creditcardfraude

Merlijn Kaiser verliest in een lente zowel zijn vriendin (aan een populaire singer-songwriter), zijn vrienden (die zijn egoïsme zat zijn) en de controle over zijn creditcard. Opeens worden er in zijn naam in een Zweeds pretpark allerlei vreemde uitgaven gedaan.

Om in elk geval nog één ding te redden, besluit de held van deze tragikomische 'road novel' af te reizen naar Stockholm en de geheimzinnige dief te ontmaskeren. Een serieus probleem daarbij vormen Merlijns epileptische aanvallen, waardoor hij af en toe stukken tijd kwijtraakt en zijn geheugen niet geheel betrouwbaar is.

Ingehouden en haarscherp beschrijft Arjen Lubach in Magnus de zoektocht van een ontheemde twintiger die uiteindelijk alle herinneringen aan zijn oude bestaan in Nederland - en zijn verwachtingen van de liefde - grondig zal moeten bijstellen.

 

Akte I

Pacific Parc

Er was eigenlijk maar één ding veranderd.
De rest was hetzelfde gebleven: een tv-gids kwam op haar naam, boeken die ik nooit zou lezen stonden op regenboogkleur in de hoge kast in de kamer en een grootverpakking scheermesjes zat achter de douchekraan geklemd. Het waren dezelfde stille dagen waar ik in de loop der tijd aan gewend was geraakt. Er was maar één ding echt veranderd: zij was er niet meer bij.
Ik zat op mijn kruk in de keuken, droeg haar ijsbeervoetensloffen en telde de dagen dat ze weg was. Het regende op het zolderdak waaronder ik alleen had geslapen, maar daarna was de lucht opengebroken en dreven de laatste wattenwolken vanaf de Noordzee, uit Schotland misschien, richting de stad, over de buitenwijken naar de straat vlak bij het centrum en de keuken waar ik zat. Een maand was er voorbijgegaan. Op een van de eerste dagen van de lente had ze een rode reistas gepakt en was ze vertrokken. Ik had me ingesteld op alles; dat ze een minuut later weer terug zou komen, dat ze een dag later zou bellen om te zeggen dat ze nog meer spullen zou komen halen, dat ze een uur later weer terug zou komen, dat haar moeder met een gehuurde aanhangwagen voor de deur zou staan om alle boeken, meubels en scheermesjes in te laden, dat ze een week later terug zou komen en me in mijn nek zou kussen en zou zeggen dat het allemaal een grote vergissing was — dat het zweverig gelul was geweest wat ze had gezegd over hoe we beter functioneren zonder de helft van onze energie aan de ander te geven — dat dat een vergissing was en vooral dat ze nu weer terug was om voor altijd te blijven.
Er gebeurde helemaal niets.
De lente was begonnen en ik zat op een kruk in de keuken omringd door alles wat we samen hadden verzameld. Ik las de krant, zette koffie in haar Bodum-koffieduwer, luisterde naar stemmen op 747 am, omdat de fm in de keuken kapot was gegaan en alles bleef hetzelfde.
In de krant stond een artikel over een Chinese buschauffeur. De chauffeur had een boete gekregen omdat hij zijn bus had achtergelaten in een drukke straat in de stad Wuhan. Volgens het artikel had hij tijdens zijn werk heimwee gekregen, zijn bus stilgezet, een taxi aangehouden en was hij naar huis gegaan. De stilstaande bus veroorzaakte een file in de straten van de stad en de chauffeur kreeg een boete van vijfhonderd yuan. Ik zat in de keuken en dacht aan de buschauffeur, probeerde langs een wereld aan steden, velden, bergen en zeeën in het hoofd te kijken van de man die heimwee kreeg tijdens een gewone werkdag. Tot dat moment was ik in de veronderstelling dat heimwee ontstond op verre reizen op onoverkomelijke afstanden in tijd en plaats, maar deze chauffeur was gewoon aan het werk in de stad waar hij woonde, miste zijn familie en nam een taxi naar huis.
Ik probeerde onze laatste dagen te reconstrueren, om te ontdekken waarom ze was vertrokken, maar ik herinnerde me eigenlijk vooral één ding. De laatste dag dat ze er nog was had ze een cd gedraaid van een net doorgebroken Amsterdamse singer-songwriter: Ted Robin. Hij was een liedje komen spelen in het televisieprogramma waar zij op de redactie werkte en daarna had ze zijn cd gekregen. De liedjes waren een soundtrack bij mijn dagen geworden en ik kreeg ze niet uit mijn hoofd, zelfs niet nadat ze vertrokken was. Would it be different if I were a dog, zong Ted als ik opstond. En ‘Sunday Morning Drugs’. The story of my life — Sunday morning church — the only way to survive — with my Sunday morning drugs. In het begin deed ik alsof er een last van mijn schouders was gevallen nadat ze was vertrokken en het was mijn overtuiging dat ik haar langzaam zou vergeten, dat de herinneringen aan haar plaats zouden maken voor herinneringen aan nieuwe vrouwen, nieuwe huizen, andere ijsbeervoetensloffen en betere gesprekken. Het zou een kwestie van tijd zijn voor dat gebeurde.

De eerste beelden van Caro liggen aan de andere kant van het millennium, tijdens een reis naar Florence met een stuk of veertig vijfdeklassers van het Maartenscollege. Er hingen twee lijsten aan een pilaar in de hal van de school: een voor de reis naar Rome en een voor de reis naar Florence. Tegen de tijd dat ik me eindelijk had laten overtuigen om mee te gaan was de lijst voor Rome al vol. De vrienden met wie ik destijds omging hadden zich wel op tijd ingeschreven voor Rome en zouden nog tot ver na het eindexamen met versleten t-shirts van het Forum Romanum of het Colosseum rondlopen.
Voor de Florence-reis waren nog wel enkele plekken vrij. Ik bleek uiteindelijk een van de drie jongens die zich voor Florence hadden opgegeven, wat een groot deel van de Romevrienden (dertig jongens, twintig meisjes) genoeg reden vond om mij in de weken voorafgaand aan de reizen zo veel mogelijk te complimenteren, inclusief knipogen en dubbelzinnige voorspellingen over wat er allemaal wel niet zou gebeuren in Florence met al mijn veertig meisjes.
Op de vraag of ze dan misschien wilden ruilen antwoordden ze altijd ontkennend.
Ik had Caro al vaker gezien en ongetwijfeld ook al eens een half woord met haar gewisseld, maar het moment dat ik me realiseerde dat er niets klopte van het beeld dat ik had van de manier waarop de liefde zich aandient — in overzichtelijke eenheden, steeds een schepje meer, tot je uiteindelijk kunt spreken van verliefdheid — dat idee veranderde voor altijd in de nachttrein naar Milaan.
Ik zocht mijn plek, keek van mijn ticket naar de deuren, van de deuren naar de stoelen en toen ik bij de couchette naast die van mij was aangekomen zag ik Caro zitten. Of het kwam omdat we een reis gingen maken of omdat iedereen een ander gezicht droeg dan op school weet ik niet, maar Caro was niet de Caro die ik eerder had gezien. Ze was niet het meisje uit de natuurkundeles of de Caro van de hoek op het schoolplein waar de rokers stonden. Ik zag haar zitten en werd getroffen door een tweeledige angst: de angst haar uiteindelijk aan te moeten kijken, of dat juist nooit te mogen doen.
De andere twee jongens riepen me, ik liep snel door en nam plaats op de bank die aan mij was toebedeeld, waar later die nacht bedden van werden gemaakt. De trein ging rijden. Ik zette mijn walkman op en luisterde naar Chopins Fantaisie- Impromptu in cis mineur, opus 66. Niet dat ik veel klassieke muziek luisterde — het stuk stak eerlijkheidshalve nogal af tegen alle andere alternatieve gitaarmuziek op het cassettebandje — maar ik was er verslaafd aan geraakt tijdens de zondagen in mijn ouderlijk huis. De enige verslaving waar mijn ouders geen problemen mee leken te hebben: een depressief pianostuk gecomponeerd in 1834.
Ergens op het traject in Duitsland ging het schemeren. Vlak voor de echt hoge heuvels begonnen werd het donker. We klikten het tl-lampje uit en de leeslampjes boven de stoelen aan. Zo af en toe zag ik op een hoge top de lichten van een burcht of hotel branden en realiseerde me toen pas dat het buitenland was, dat ik een wereld achter had gelaten. De suggestie van de bergen door het zwakke licht op de toppen zorgde voor een licht gevoel in mijn maag.
Tegen een uur of twaalf kwamen alle meisjes voorbij onze coupé om hun tanden te gaan poetsen. Caro ook. Ze stak haar hoofd naar binnen en verbood ons te snurken. De andere meisjes lachten en ze liepen door. Daarna kwam er ook een voor mij onbekende leraar kunstgeschiedenis langs om ons de tip te geven te gaan slapen. Toen ik in bed lag luisterde ik weer naar mijn walkman, dacht aan de blik van Caro die aan de andere kant van de muur zat en aan de vrienden die naar Rome onderweg waren, op dezelfde dag vertrokken, maar dan met een touringcar. Ik probeerde de cadans van de trein te gebruiken om in slaap te komen, maar nadat het cassettebandje twee keer op autoreverse was overgegaan was ik definitief slapeloos, wakker, terwijl de anderen sliepen. De bielzen tikten een bedompt ritme.
Ik trok het gordijn bij mijn hoofd een stuk opzij en probeerde naar buiten te kijken, maar zag dat de trein aan de kant van onze couchette langs een bergwand reed. Ik werd duizelig van de snelheid en de donkere bomen die op minder dan twee meter langsraasden, deed spelletjes met het ritme van de hoogspanningspalen en het knipperen van mijn ogen, zoals ik altijd doe: ruitenwissers die exact gelijk moeten lopen met lantaarnpalen, de trappers van een fiets die op het laagste punt moeten zijn tussen twee geparkeerde auto’s in, alleen in een zwembad duiken onder een hoek van negentig graden vanaf de rand; dingen die niet uit te leggen zijn en waarvan ik begrijp dat ze misschien niet te snappen zijn, maar die net zo bij me horen als de kleur van mijn ogen. Ik heb lange tijd gedacht dat het te maken had met mijn andere grote aandoening, die mij mijn littekens in mijn schedel heeft bezorgd, die mij voorgoed afzonderde van de rest van de wereld.
Ik lag in de couchette in het smalle bed en ik bedacht dat er aan de andere kant van de trein nu een geweldig uitzicht op een dal zou moeten zijn. Dat idee bleef maar groeien, tot ik ervan overtuigd was dat ik in ieder geval niet meer zou kunnen slapen voor ik ten minste had gekeken. Ik sloeg de deken van mij af en klom van het bed, trok de schuifdeur open en ging de gang op om het uitzicht te onderzoeken.
Daar stond al iemand.
Ze droeg een pyjama. Dat wil zeggen; een joggingbroek, een hemdje. Haar voeten waren bloot. Ze leunde met haar voorhoofd tegen het koude raam aan de kant van het dal. We reden in de bergen, zag ik nu, de echte, hoge bergen en we keken uit op een stad in de diepte. In de verte verscheen een klein meer. Caro leek niet door te hebben dat ik de deur open had gedaan.
‘Hoi,’ zei ik fluisterend.
Ze schrok en draaide zich om.
‘Hé,’ zei ze.
Ik stapte naar buiten en schoof de deur naar de slaapcoupé dicht.
‘Kan je niet slapen?’ vroeg Caro.
‘Nee. Jij?’
‘Ook niet.’
De trein helde flauw in een bocht, de wielen piepten en op de plekken waar de ramen open konden klonk er een suizend geluid. Ik keek naar haar voeten. Ze had één teen gelakt.
‘Er is mij ooit eens wijsgemaakt,’ zei ik bij gebrek aan beter, ‘toen ik nog klein was, dat toen de trein waarin we zaten scheef stilstond in een bocht, dat dat kwam omdat hij een lekke band had.’
Ze lachte.
‘Het heeft vast veel met je gedaan. Die leugen.’
‘Ja,’ zei ik. ‘Ik ben erg achterdochtig geworden met betrekking tot treintrivia.’
Ik trok een gek gezicht en keek angstig, alsof ik niet meer wist waar ik was.
‘Kijk,’ zei ze. Ze legde haar handen langs haar gezicht, schermde haar ogen af tegen het licht vanuit de trein en keek naar buiten. ‘Zo zie je echt bizar veel meer.’
Ik deed haar na, ging naast haar staan, legde mijn handen naast mijn hoofd en keek naar buiten.
‘Gaaf,’ zei ik.
‘Ja,’ zei ze.
Later heeft ze weleens gezegd dat het wel toevallig was dat zij het was die niet kon slapen, dat als een van haar vriendinnen daar had gestaan, dat alles dan anders was gelopen. Ik zei altijd dat ik dat volslagen onzin vond. De parallelle werelden waarin het een ander was die daar stond vormen geen enkele bedreiging of invloed op ons bestaan, gewoon omdat het geen optie was en is. Door Caro heb ik een allergie opgebouwd voor iedereen die uitgesloten alternatieven nog altijd ziet als een reële mogelijkheid, simpelweg omdat ze ontevreden zijn met de huidige realiteit.
‘Heb je er zin in?’ vroeg ik.
‘Gaat wel,’ zei ze.
‘Niet?’
‘Ik kan niet zo tegen opdringerige Italianen,’ zei ze.
‘Moet ik ze bij je weghouden?’ vroeg ik, maar kon me geen voorstelling maken van de situatie dat ik daadwerkelijk een groepje Italianen zou aanspreken op hun opdringerigheid.
Ze lachte. ‘Ja, dat is goed.’
‘Het is alleen...’ begon ik, ‘ik heb alleen statistisch gezien de verantwoordelijkheid over nog dertien meisjes, snap je? Maar ik doe mijn best.’
‘Dat is genoeg,’ zei ze. ‘Je best is genoeg.’
Ze draaide zich om, keek nu niet langer naar buiten.
‘In welk bed slaap je?’ vroeg ze.
‘Linksboven,’ wees ik. ‘Jij?’
‘Rechtsboven,’ zei ze. ‘Precies aan de andere kant van de muur.’
Ik keek naar de couchettes, dacht als in een bouwtekening de muren weg. Alleen een paar centimeter hardboard en een plastic print van donker hout scheidden ons van samen slapen. Ik dacht aan mensen in Berlijn, decennia geleden, die in dezelfde stad woonden en elkaar toch nooit zagen, maar algauw was de vergelijking met ons treinbed lachwekkend en verscheen de werkelijkheid weer voor mijn ogen. Ik concentreerde me op Caro en haar hemdje en joggingbroek, de bergen waar we met honderd kilometer per uur doorheen reden, landsgrenzen die we passeerden, besneeuwde bergtoppen, slapende Zwitsers, uitgestorven stationnetjes, de onvoorspelbare geluiden van een trein in volle vaart, de geur van de coupé en de tassen vol eten en drinken die de scholieren uit het noorden van Nederland bij zich hadden. Ik spoorde mezelf aan iets te zeggen, nog iets grappigs, nog iets waar ze om zou kunnen lachen.
Er kwam niets.
‘Ik ga het nog even proberen,’ zei ze uiteindelijk.
‘Welterusten,’ zei ik.
‘Welterusten.’
Daarna gingen we allebei onze eigen couchette in. Ik klom op mijn bed, voelde hoe snel mijn hart sloeg en merkte toen pas hoe warm het was. De andere jongens hadden de verwarming zo hoog mogelijk gedraaid uit angst voor de kou in de bergen. Ik trok mijn t-shirt uit en een minuut later ook mijn onderbroek. Ik lag naakt onder een minideken met het logo van City Night Line erop. Eerst kroop mijn voet tegen de wand, toen mijn knie, mijn handen, armen, mijn wang, een stuk neus, mijn borstkas en uiteindelijk mijn geslacht. Ik lag platgedrukt tegen een muurtje in een slaapcoupé, dacht aan het meisje dat naast me lag, wat ze droeg, hoe ze sliep, ik ademde rustig en hoopte. Ik weet tot de dag van vandaag niet of Caro daar ook zo heeft gelegen en ik zal het haar nooit vragen, omdat de wetenschap dat het niet zo was alles kapot zal maken.
Toen ik weer wakker werd was het licht geworden. De verwarming stond lager, ik had het koud gekregen. Een van de andere jongens in de couchette was zijn tas aan het pakken. De gordijnen waren geopend, de trein reed door de Povlakte, langs de graanvelden van Lombardije. De zon stond nog laag.
‘Bijna bij Milaan,’ zei hij. ‘Goedemorgen.’
Ik zag de chaos die van onze coupé was gemaakt, twee lege wijnflessen, overal kleren, tassen, walkmans, tijdschriften. Toen merkte ik dat ik naakt was onder de deken. Ik dacht onmiddellijk aan Caro, draaide me met een ruk om, alsof het muurtje was veranderd in een glasplaat en ik dwars door de wand heen kon zien of zij er nog lag, maar ik stootte mijn hoofd met een luide bonk tegen de wand.
Het duurde even, een seconde of tien, toen bonkte er iemand terug. Of beter nog: ze klopte. Drie keer. Drie woorden misschien:
Hier Ben Ik.
Of:
Hoe Gaat Het.
Of:
We Zijn Er.
Ik klopte terug. Ook drie keer.
Ik Mis Je.
Daarna niets meer, alleen de trein, de ochtend en de belofte van Florence.
In Florence hadden we amper gelegenheid om de romantiek uit te bouwen, die al dan niet alleen in mijn voorstellingsvermogen had bestaan. Er waren bijna altijd meer mensen in haar buurt. Vriendinnen zwermden om haar heen als muggen in een klamme zomernacht en al snel begreep ik dat zij de leider was, de koningin, degene met wie ze allemaal bevriend wilden zijn, degene die aan de jongens durfde te vragen of ze niet wilden snurken. Het charmante aan Caro was dat ze niet bewust haar best deed om voorop te lopen, maar werd wie ze was door te zijn wie ze was: Caro, mooi, maar ook weer niet zo mooi dat mensen uit de buurt bleven. Geïnteresseerd in alles. Ze was degene die zonder zich verkiesbaar te stellen klassenvertegenwoordiger werd, ze was degene bij wie mensen bleven rondhangen in het geval ze ooit president van de wereld zou worden.
In de praktijk bleek Florence een race om in één dagdeel zo veel mogelijk kerken te zien. Leraren dreven ons als een kudde vee door de stad. Voorop de leraar kunstgeschiedenis met een paraplu en een kaart, daarna de leerlingen en achteraan twee begeleiders die erop moesten toezien dat niemand de groep verliet. De helft van de leerlingen kreeg binnen twee dagen last van blaren van het vele lopen, de woorden Medici, Arno en Duomo kwamen ons de keel uit en ’s avonds compenseerden we de stortvloed aan cultuur met liters goedkope chianti en vette pasta op het dakterras van het goedkope hotel aan de Via Degli Speziali.
Er waren momenten op het dak van het hotel dat Caro en ik kort alleen waren en spraken over de kunst en de kerken die we zagen. We wisselden weetjes uit over Florence, ongetwijfeld uit oprecht enthousiasme over de geschiedenis van de stad en de invloed op de westerse wereld, maar het was nog veel groter en belangrijker omdat het met Caro te maken had — zij was immers in dezelfde stad. Ze was een wiskundige formule waar altijd een grotere uitkomst uitkwam, dacht ik later. Een levend kwadraat.
Het vreemde is dat de andere veertig meisjes, inclusief de entourage van Caro, mij later zo vaak gezegd hebben dat het mede dankzij mij zo leuk was in Florence. Dat ik grappen maakte, spelletjes bedacht, stopwoorden verzon die de hele groep overnam. Hier kan ik me niets van herinneren. Het is alsof er twee reizen zijn geweest. Als ik aan mezelf denk tijdens de Florence-reis, hoor ik Chopin, zie ik de Sony-walkman, een dunne, zeventienjarige jongen met een constant onzeker verlangen in zijn handelen, steeds maar wachtend op later, altijd vragend om de toekomst, zich nooit neerleggend bij zijn heden.
Dat, samen met de weken in het ziekenhuis, zette de toon voor wie ik later zou worden. Die periode heeft me, ondanks het feit dat Caro veel later heeft gezegd dat ze van me is gaan houden, gemaakt tot wie ik was, als een boom die is scheefgegroeid op een dijk waar de wind dag in dag uit van zee komt razen.

[...]

© 2011 Arjen Lubach

Uitgeverij Podium

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum