Leesfragment: Metronome

27 november 2015 , door Lorànt Deutsch
| | |

Deze Nacht een uitgebreid fragment uit Lorànt Deutsch' Metronome, volgens onze boekverkopers een van de beste Franse boeken uit 2011.

Van Cité naar Châtelet-Les Halles, van Bastille naar La Défense; aan de hand van 21 metrostations passeren we evenzoveel eeuwen Franse geschiedenis. Lorànt Deutsch vertelt aanstekelijk; je ziet de kathedralen verrijzen, de Parijzenaars op de stadswallen vechten en de kunstwereld ontluiken.

Metronome is met vaart geschreven en zit vol historische ontdekkingen en anekdotes. Ooit geweten dat onder de Eiffeltoren de laatste Gallische strijders liggen begraven? Of dat de oorsprong van het hedendaags Parijs in de buitenwijk Nanterre ligt? Of dat Attila de Hun zich in zijn opmars naar Parijs liet stuiten door een jonge vrouw van achtentwintig jaar?

Metronome is een fascinerende reis door de geschiedenis van Parijs.

Eerste eeuw

CITÉ

 

De wieg van Caesar

‘Gaat u er bij het volgende station uit?’ vraagt het dametje met een verlegen stem, terwijl ze zachtjes tegen me aan duwt om er zeker van te zijn dat ze haar station niet mist.
De metro remt met luid geknars van staal. Het volgende? Waarom niet? Het lijkt me super om mijn reis te beginnen met de bakermat van Parijs, het Île de la Cité. Misschien is het trouwens geen toeval dat dit eiland echt de vorm van een wieg heeft. Hier ligt de kern van de hoofdstad. ‘Het hoofd, het hart en het wezen van Parijs,’ schreef Gui de Bazoches in de twaalfde eeuw.
Het station is gebouwd als een schacht in de schoot van de stad: we bevinden ons op meer dan twintig meter onder het niveau van de Seine. Net als Jules Verne in zijn Reis naar het middelpunt der aarde heb ik het gevoel terug te gaan in de tijd tot aan de oorsprong. En ik heb geen vulkaankrater nodig om in die onderaardse schoot door te dringen, geen Nautilus om onder water te gaan... Ik heb de metro!
Nog steeds gevolgd door het dametje ga ik met grote sprongen de eindeloze trap op die me naar het licht voert. Het dametje blijft achter. Buiten bots ik op een kwijnende cipres. Ik probeer me ervan los te maken en sta dan pal voor een olijfboom zonder olijven. Hé! Een spoor van het zuiden, een zwakke echo van een Italiaans landschap, ik nader mijn doel.
De bloemenmarkt bevindt zich direct naast de metro-uitgang, alsof de natuur en het verleden wanhopig proberen hun rechten te hernemen. Een vergeefse strijd, natuurlijk: links gonzen de auto’s in een eindeloze stoet over de boulevard Saint-Michel, rechts dezelfde continue stroom, maar in tegenovergestelde richting, de rue Saint-Jacques op.
Ik heb het gevoel midden op een kruispunt te staan. De rue de Lutèce valt een beetje uit de toon en ligt ingeklemd tussen die twee drukke verkeersaders te kwijnen, omsloten door de sobere negentiende-eeuwse gevels van overheidsgebouwen waar baron Haussmann zo van hield. Ik verlaat deze rue de Lutèce zo snel mogelijk en loop voorbij de bloemenmarkt naar de Seine, die traag zijn bruinige water meevoert.
In een paar stappen ben ik op de kade. Een stukje verderop staat de rij groene kisten van de handelaars in tweedehands boeken. Ik bevredig er mijn hebzucht en diep er oude werken over de geschiedenis van mijn geliefde stad op. Parijs is een beetje mijn vrouw; in ieder geval is ze een vrouw! André Breton schrijft dat in Nadja: de driehoek van de place Dauphine zou de schaamstreek zijn van deze gedroomde vorm, de oorspronkelijke baarmoeder waaruit alles is ontstaan... Die bevalling zou ik graag nog eens willen meemaken.
En als het geronk van de auto’s nu eens verstomde? En de gebouwen met hun grijze gevels in rook opgingen? En de oevers van de Seine weer verwilderden en plaatsmaakten voor groene hellingen, modderige moerassen en struiken die het eilandje bedekten?

701 jaar na de stichting van Rome, in het jaar 52 voor Christus, is er nog niets op het Île de la Cité. Geen spoor van het Lutetia waar Julius Caesar kort melding van maakt in De Bello Gallico! ‘Lutetia, vesting van de Parisii op een eiland in de Seine,’ schrijft hij. Dat is natuurlijk een beetje vaag. In feite heeft de proconsul maar één dag in deze contreien doorgebracht, meer gericht op het bijwonen van de bijeenkomst van Gallische leiders dan op een bezoek aan de omgeving van die vesting. En als voor Caesar het tijdstip aanbreekt om te schrijven, verwijst hij naar de stad van de Parisii op grond van wat hij erover heeft gehoord, en baseert hij zich op geruchten en rammelende militaire verslagen. Hij herhaalt de praatjes van zijn legioensoldaten, die zelf behoorlijk schimmig blijven in hun beschrijvingen.
Het is waar, op de plaats waar je de grote stad van de Parisii verwacht te vinden, is niets! Het toekomstige Île de la Cité is trouwens nog verdeeld in zes of zeven eilandjes, waarop met moeite een tempeltje valt waar te nemen, een paar ronde hutten met rieten daken en een handvol vissers die achteloos hun netten te water gooien... Voorbij de rivier, op de rechteroever, strekken zich westwaarts moerassen en een heel dicht bos uit. Op de linkeroever nog meer moerassen, en verderop een rotsig voorgebergte. Ooit zal dat de berg Sainte-Geneviève worden genoemd.
Om de grote Gallische nederzetting te vinden, moeten we de rivier volgen. In die tijd is de rivier de weg, we zullen op de Romeinen moeten wachten tot er grote wegen over land worden aangelegd. Laten we nu maar aan boord gaan van een van die bootjes waar de Galliërs zo dol op zijn: het langgerekte hulkje van gevlochten takken dobbert weg over de golven.
Boten zijn van oudsher het vervoermiddel voor degenen die zich hier hebben gevestigd. Als vanzelfsprekend zijn de eerste sporen van bewoning in het neolithicum (vijfduizend jaar voor Christus) prauwen geweest, ontdekt bij opgravingen in Bercy Village. Bercy, de oerbakermat van Parijs! Deze prauwen zijn tegenwoordig te bezichtigen in het musée Carnavalet, onderkomen voor de herinnering aan Parijs.
Om het Gallische Lutetia – het echte – te vinden, moeten we zo’n twintig à vijfentwintig kilometer de loop van de Seine volgen. Daar maakt de rivierbedding een bijna gesloten bocht, die een of andere verstrooide Romein op de gedachte kan brengen dat het een eiland betreft... En in die grote bocht ligt en leeft een hele stad. Een echte stad met straten, wijken met ambachtslieden, woonbuurten en een haven. Welkom in Lutetia! Of, om preciezer te zijn in de Gallische taal, welkom in Lucotecia, een naam die even vaag en onzeker is als de plaats van de nederzetting. Caesar hakt de knoop door. Hij noemt de stad Lutetia, en verbindt zo het Latijnse lutum, modder, met het Gallische luto, moeras. De stad die uit het moeras is gerezen... Goed gezien, de naam komt volledig overeen met de situatie.
De uit het noorden afkomstige stam heeft zich gevestigd op de oever van de rivier waaraan de mensen hun welvaart ontlenen. Voor hen is de rivier een godin, Sequana, die alle kwalen kan genezen, en ze geven haar naam aan het water dat langs Lutetia stroomt. En de rivier biedt de mensen werkelijk rijkdom. Niet alleen verschaft ze hun vis om te eten, en water om het graan te laten groeien en de mensen en het vee te drinken te geven, maar ook dient ze als verbindingsweg. Hun gouden muntstukken behoren trouwens tot de mooiste van Gallië, met aan de ene kant het gezicht van Apollo en aan de andere kant een galopperend paard. Verderop, voorbij de stad, garandeert de vruchtbaarheid van de grond de overvloed van de Parisii, die landbouwer, veehouder, ijzersmid of houthakker worden.

Waar lag het oorspronkelijke Lutetia nu precies?

Eeuwenlang hebben historici herhaald dat Lutetia op het Île de la Cité lag. Toch was er een klein detail dat de geleerden stoorde: hoe er ook werd gegraven, er werd nooit een spoor van die beroemde Gallische stad blootgelegd.
‘Ach,’ zeiden de grijze koppen, ‘de Galliërs bouwden alleen maar strohutten. Dat is allemaal verdwenen bij de grote omwentelingen van militaire invasies en volksverhuizingen.’
Het is waar, het eiland is zo vaak verwoest, weer opgebouwd en vernieuwd dat elk oorspronkelijk spoor is gewist. En wanneer we kijken naar de laatste keer dat alles overhoop is gehaald, in de negentiende eeuw door baron Haussmann, die bijna de hele Cité heeft gesloopt of veranderd, kost het moeite om hier een spoor van het verleden te ontdekken. De enige zekerheid: ga naar de square du Vert-Galant, daal zeven meter af en u bevindt zich op het niveau van die plaats in de tijd van de Parisii... Zeven meter verhoging in tweeduizend jaar!
Is er niets blootgelegd? Niet zo snel! Om het Parijse autoverkeer beter te laten doorstromen, moest de A86 worden aangelegd, een tweede ringweg die in een grote baan om de hoofdstad ligt. En daar, bingo, brachten opgravingen die in 2003 vanwege deze werkzaamheden werden uitgevoerd de resten van een grote, welvarende Gallische nederzetting aan het licht, onder de stad... Nanterre! Alles is er: woningen, straten, putten, de haven en zelfs graven.
Te midden van de huizen ontdekten de archeologen een lege ruimte, omringd met greppels en omheiningen: de aanwezigheid van een braadspit en een lange tweetandige vork op deze plek wekt de indruk dat het een plaats voor gemeenschappelijk genoten feestmaaltijden was. De ligging van Lutetia in Nanterre, in de rivierbocht van Gennevilliers – die een stuk scherper was dan tegenwoordig – beantwoordde aan een dubbele behoefte: geografische veiligheid, die de rivier en de mont Valérien boden, maar vooral aan twee kanten toegang tot het water, bron van rijkdommen en handelsroute.
We moeten het toegeven, al doet het ons hart van Parijzenaar pijn: het eerste Lutetia ligt verborgen onder Nanterre!

De Kwarisii, het Keltische volk van de steengroeven, zijn hier tegen de derde eeuw voor Christus de Gallische Parisii geworden, omdat de Keltische k in een Gallische p veranderde. Voordat ze zich in deze contreien vestigden, hebben ze zoveel met hun boten rondgevaren dat hun oorsprong later verward zal worden met die van andere volkeren en met andere legenden. Op zoek naar opzienbarende verhalen over hun voorou21 ders gaan de afstammelingen van steenhouwers en eenvoudige vissers hun stamboom allerlei kostuums aantrekken...
De Parisii worden zo de afstammelingen van Isis, de Egyptische godin, of de kinderen van Paris, de Trojaanse prins en jongste zoon van koning Priamos. Die mythologische prins had Helena, gemalin van Menelaos, ontvoerd en daardoor een verschrikkelijke oorlog tussen Grieken en Trojanen ontketend. Paris ontkwam aan de aanvallen van de jaloerse echtgenoot dankzij de godin Aphrodite, die haar beschermeling in de nevelen van het hemelgewelf wist te verbergen. Maar Troje werd met de grond gelijkgemaakt. Helena vond Menelaos, aan wie ze ontrukt was, terug en Paris vluchtte de oevers van de Seine op... waar hij het leven zou hebben geschonken aan een nieuw volk. Leuke fabel die nergens op is gebaseerd, maar die de opvolgers van de Parisii de gelegenheid gaf hun prestigieuze, goddelijke oorsprong te verantwoorden. In de dertiende eeuw drong Lodewijk ix, bijgenaamd de Heilige, sterk aan op de verspreiding van deze mythe, die gedurende de hele regeerperiode van het huis Capet zou blijven bestaan. ‘Onze beschaving is niet voortgekomen uit een bende rondtrekkende Kelten, wij hebben dezelfde edele afkomst als de Romeinen,’ leken de Frankische koningen te herhalen.
Maar voor dit moment is het aan de Romeinen om de sterksten te zijn, hun cultuur en hun taal op te leggen en zich mythen en legenden toe te eigenen om hun aanspraak op de wereld te rechtvaardigen. Nee, de Romeinen vertegenwoordigen niet het nageslacht van een willekeurige Indo-Europese stam die zich in de achtste eeuw voor Christus in het toekomstige Italië had gevestigd. ‘Wij stammen af van het ras der goden en helden!’ verzekeren ze.
Het is de redenering die Homerus eertijds had gevolgd in de Ilias en de Odyssee, waarin hij de suprematie van de Grieken over de volkeren van het Middellandse-Zeegebied rechtvaardigde. Vervolgens volgde Vergilius de trend toen hij in de eerste eeuw voor onze jaartelling de Aeneis schreef. Dat verhaal is niets anders dan een kopie van het werk van zijn illustere voorganger, behalve dat de helden geen Grieken meer zijn maar Trojanen, en in het bijzonder één Trojaan: Aeneas, zoon van de godin Aphrodite. Na de val van Troje vlucht hij om Rome te stichten, met medeneming van zijn zoon Julus, voorouder van Caesar (Julius is de familienaam van degene die de bijnaam Caesar krijgt, afkomstig van Iulia: in het Latijn worden de i en de j door elkaar gebruikt). Caesar, afstammeling van de goden, kan dus aanspraak maken op wereldheerschappij.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum