Leesfragment: Misdaad

27 november 2015 , door Irvine Welsh

Met zijn in plat Schots geschreven roman Trainspotting brak Irvine Welsh in één klap door tot de eredivisie van de Engelse literatuur. Welsh’ romans zoeken telkens weer de controverse op waarbij hij met vilein genot en met stilistische perfectie de onderkant van de samenleving (inclusief de criminele krochten daarvan) portretteert.

30 augustus is hij te gast bij de SLAA in De Balie en vertelt Welsh over zijn laatste roman Crime (Misdaad, vertaling Ton Heuvelmans), die onlangs in Nederlandse vertaling verscheen. Voor Misdaad deed Welsh uitvoerig onderzoek naar georganiseerde kinderseksbendes. Hij sprak met slachtoffers, politieagenten en hulpverleners over georganiseerde kinderseksbendes. Ook gaat hij in op de te verschijnen prequel van zijn rauwe debuut Trainspotting, dat in 1993 als een bom insloeg in de literaire wereld.

Zie ook het fragment op de website van de SLAA.

Inleiding – De storm

Ze had tegen mama willen zeggen dat deze vent niet deugde. Net als die thuis in Mobile. En die klootzak in Jacksonville. Maar mama stond zich op te maken voor de spiegel en zei dat ze stil moest zijn en erop moest letten dat alle luiken goed dicht waren, want er was voor vanavond noordoosterstorm voorspeld.
Het meisje liep naar het raam en keek naar buiten. Alles was rustig. De volle maan stuurde blauw licht de flat in. Het zicht op de maanschijf werd slechts onderbroken door de takken van de dode eik in de voortuin, zodat er scherpe, aderachtige schaduwen over de muur kropen, donker en vol leven. Ze klikte een van de lamellen van de houten jaloezieën vast – voorzichtig, omdat ze zich in het verleden eraan had bezeerd – en beschouwde haar behendig teruggetrokken hand als een muis die de kaas pikte uit een val. Ze keek naar de koele intensiteit van haar moeder in de spiegel. Vroeger vond ze het prachtig als mama zich helemaal mooi maakte, de manier waarop ze zich concentreerde op het borsteltje waarmee ze haar lange wimpers zwart verfde.
Maar nu niet. Ze had een hard, zurig gevoel in haar maag.
‘Blijf toch thuis vanavond,’ zei het meisje zacht, half hopend half smekend.
Haar moeder stak haar kleine roze tong uit en likte aan haar oogpotlood. ‘Maak je geen zorgen om mij, schat, ik red me wel.’ Buiten claxonneerde een auto, en de thermostaat klikte aan zodat het killer werd in de kamer. Ze wisten allebei dat hij het was.
‘Gelukkig heeft deze flat jaloezieën,’ zei haar moeder. Ze stond op en pakte haar tas van tafel. Ze kuste haar dochter op haar hoofd, deed een stap naar achteren en keek met grote, opgemaakte ogen het kind aan. ‘En denk erom: om elf uur naar bed. Waarschijnlijk ben ik dan al thuis, maar als het onverhoopt later wordt, wil ik dat je al slaapt, jongedame.’
Toen was ze verdwenen.
Een tijdlang scheen het blauwige licht van de tv geruststellend over de voorwerpen in de kamer. Maar buiten het bereik van dat schijnsel voelde ze iets onheilspellends naderen.
Een warme oostenwind rukte stevig aan de luiken; een dreigend geluid dat niet veel goeds voorspelde. Even later begon het te regenen, aanvankelijk met een vriendelijk getik tegen de ramen. Toen hoorde ze de wind in kracht toenemen. De sombere zwarte armen van de boom gebaarden koortsachtig. Plotseling barstte er hevig gedonder los, en buiten kletterde er iets kapot op de grond. Geel licht zette de kamer drie seconden lang in een zwavelkleurige gloed. Het meisje zette met de afstandsbediening het geluid harder terwijl de storm in kracht toenam en wind en regen de ramen geselden. Daarna ging ze angstig naar bed, bang voor het donker waar ze doorheen moest, en nog banger omdat ze het lichtknopje niet meteen kon vinden.
Ze kon niet slapen. Ze wist dat het al laat was toen ze de deur beneden hoorde open klikken en voetstappen op de stenen trap buiten hoorde. Haar digitale wekker gaf beschuldigend 2.47 uur aan. Ze hoopte vurig dat het maar één paar voetstappen zou zijn, de zijne waren altijd zo zacht, hij droeg altijd sportschoenen, maar toen hoorde ze stemmen en onderdrukt lachen. Haar moeder zou in een diepe roes vallen door de pillen die ze slikte, en dwars door het onweer heen slapen. Maar zij moest alert blijven. Het meisje trok haar nachtpon naar beneden, greep de zoom vast met een handvol deken, en bereidde zich op het ergste voor.

 

Dag een

1 – Vakantie

Ray Lennox nadert nu een gebied met turbulentie. Hij voelt met een verbonden rechterhand aan zijn haakneus, die ietwat scheef staat na de mislukte operatie van enkele jaren geleden ten gevolge van een breuk, en kijkt naar zijn spiegelbeeld op het zwarte tv-scherm dat aan boord voor verstrooiing zorgt. Een dun luchtstroompje wringt zich door een verstopt neusgat, zodat hij zwaar moet ademhalen. De gedachten razen door zijn hoofd. Hij probeert aan iets anders te denken en werpt een blik op het lichaam dat tegen hem aan gedrukt zit.
Het is Trudi, zijn verloofde; haar tot op de schouders, geverfd in een modieuze honingblonde kleur en het zichtbare product van een professionele stylist. Ze merkt niets van zijn onbehaaglijke gevoelsleven. Met een gelakte en gemanicuurde nagel slaat ze een bladzijde van haar tijdschrift om. Aan de andere kant zit nog iemand naast haar. Overal om hen heen nog meer lichamen.
Het begint nu pas echt tot hem door te dringen: terwijl hij het benauwd krijgt op zijn stoel in de stampvolle economy class-vlucht van Londen naar Miami. De toespraak die hij kreeg van Bob Toal voordat hij op prestatieverlof ging. Het was het bericht over de hoogte waarop ze vlogen dat de herinnering had getriggerd.
We vliegen nu op een hoogte van tienduizendzevenhonderd meter.
Jij bent een hoogvlieger, Ray, had Toal gezegd, terwijl hij naar de zwarte haartjes tuurde die uit de neus van zijn baas groeiden. Een soort lievelingszoon. Het was een schokkende zaak. Je hebt het prima gedaan; die klootzak zit nu veilig achter slot en grendel. Goed resultaat. Ga lekker lang op vakantie. Kijk naar de toekomst. Velen van ons hebben zwaar geïnvesteerd in je carrière, Ray. Zorg dat we gelijk krijgen, jongen. Je mag niet de kant van Robertson op gaan, had hij gezegd, refererend aan de zelfmoord van Rays oude mentor. Laat je niet kisten.
En Ray Lennox – broodmager, wit gezicht, gladgeschoren, zijn typerende ponykapsel gekortwiekt bij kapsalon John’s in Broughton Street, zodat er nu een kort, hellend voorhoofd zichtbaar is – voelt hoe zijn hart plotseling sneller gaat kloppen.
Wij naderen nu een gebied met turbulentie. Blijft u alstublieft op uw plaats zitten en zorg dat uw stoelriem vastzit.
Niet neerstorten.
Gevaar. Dreiging.
Ze hadden het hem op het vliegveld niet gemakkelijk gemaakt. Hij leek absoluut niet op de foto in zijn paspoort. Zijn vaalgrijze Schotse huidskleur, wreed belicht in de fotocabine, contrasteerde scherp met zijn dikke, ravenzwarte haar, wenkbrauwen en snor, zodat het lijkt op iets uit een feestartikelenwinkel. Maar daar is alleen een zwarte schaduw op zijn hoofd en kaken van over.
Hij was geïrriteerd geraakt door de belangstelling die de beveiliging op het vliegveld voor hem had, want hij was een wetsdienaar, maar ze hadden gelijk dat ze zich zo druk maakten. Zijn pasje van de Lothian Police hielp hem in het ministaatje dat de Amerikanen op Heathrow hadden gesticht om hun grenzen preventief te beschermen. ‘Sorry, meneer, het zijn moeilijke tijden,’ had de beambte Nationale Veiligheid zich verontschuldigd.
Nu laat Ray Lennox zijn blik ongerust door de cabine gaan. Vóór hem niets om zich zorgen over te maken. Niemand met het uiterlijk van een Al Qaida-sympathisant. Maar die gast heeft een Indiaas uiterlijk. Moslim? Eerder hindoe. Maar hij kan ook Pakistaan zijn. Ophouden hiermee. Zelf was hij blank, maar geen christen. Op officiële papieren staat ‘Church of Scotland’ vermeld, maar hij is niet praktiserend, totdat hij aan boord van een vliegtuig ging. Het karretje met drank nadert langzaam, zó langzaam dat hij er niet aan wil denken. Hij kijkt om, naar zijn medereizigers. Niets opvallends: toeristen op zoek naar de zon. Een goedkope vlucht.
Naast hem zit Trudi nietsvermoedend, het haar opgestoken met een zwarte clip. Die donkere, hazelnootbruine ogen verslinden het tijdschrift Perfect Bride, terwijl ze met een rode valse nagel de bladzijde omslaat.
Alle meisjes dromen van de grote dag, als ze de Volmaakte Bruid zullen zijn: de dag waarop het sprookje van de droomprinses uitkomt.
Dat kleine meisje ook?
Nee, die arme stakker niet...
Plotselinge turbulentie doet het toestel hevig schokken, het zweet gutst al uit Rays poriën, en hij is zich onmiddellijk bewust van het feit dat hij zich met een snelheid van negenhonderdzestig kilometer per uur op een hoogte van ruim tien kilometer boven de zee bevindt. Een duik in de oceaan: een vlekje dat verdwijnt in de vergetelheid. Hij kijkt naar Trudi, onverstoorbaar, klein vuurrood mondje, een geïrriteerd opgetrokken geëpileerde wenkbrauw, alsof een vliegtuigongeluk slecht zou passen in haar trouwplannen.
Het schudden van de Boeing 747 houdt op, de motoren brullen door de lucht. Het zoemen van het toestel dreunt constant in zijn oren. Ze razen voorwaarts. Het zwarte niets in. De piloten zien geen hand voor ogen. De instrumenten in de cockpit knipperen.
Je snapt waarom terroristen en regeringsleiders – zij die het meeste baat hebben bij onze angst, overweegt Lennox – zo gefocust zijn op het vliegverkeer. We schijten voor vertrek in onze broek van angst. Het enige wat ze hoeven doen is die angst uitbuiten door middel van een gruweldaad zo nu en dan of door zwaar aangezette beveiligingsprocedures.
Trudi heeft een deken over haar benen.
Het magnetische duister om hem heen. Hij voelt het.
Waar maakt hij zich zorgen om? Hij is op vakantie. Hij heeft zijn klus geklaard. Wat valt er te treuren? Het is genotzuchtig. Maar hij kan het niet helpen. De metaalsmaak in zijn mond. Hij kan het niet helpen dat hij zichzelf teistert met die gedachten. Zenuwprikkels onder zijn huid. Hij is weer bang voor zichzelf. Hij wilde dat hij meer pillen had genomen.
‘Stel dat we neerstorten,’ fluistert Lennox, en hij stelt zich de dood voor als één grote leegte. ‘Dan zijn we overal van af.’
‘Ik denk nog steeds aan maagdenpalmblauw voor de bruidsmeisjes,’ zegt Trudi zonder op te kijken van haar tijdschrift, ‘maar ik wil niet dat Adele de show steelt.’ Ze kijkt hem angstig aan. ‘Je denkt toch niet –’
Ray Lennox voelt een golf van emotie door zich heen gaan als hij denkt aan een foto van Trudi als klein meisje, op de schoorsteenmantel in het huis van haar ouders. Enig kind: de enige poging van het echtpaar om onsterfelijk te worden. Stel dat er iets...
Er gaat opnieuw een siddering door hem heen. ‘Trudi, ik zal nooit toestaan dat iemand je ook maar een strobreed in de weg legt; dat weet je toch, hè?’ zegt hij op wanhopige toon.
Uit haar wijd open ogen spreekt de afschuw van de soapster. ‘Je vindt haar knap, hè? Probeer het maar niet te ontkennen, Ray, dat is zo langzamerhand wel duidelijk.’
Trudi steekt haar borsten naar voren, en hij ziet het patroon van haar bruine truitje bijna onvoorstelbaar opbollen op een manier die hem ooit opwond. Een paar weken geleden nog.
Ze wil de volmaakte bruid zijn. Zoals die kleine Britney Hamil misschien ook gewild had.
Hij grijpt haar vast, klemt haar tegen zich aan, ademt haar parfum in, de geur van haar parfum. Hij krijgt een brok in zijn keel. Alsof er iets vreemds vastzit. Zijn stem is zo zwak dat hij zich afvraagt of ze hem wel hoort. ‘Trudi, ik hou van je... ik...’
Ze weet zich los te wurmen uit zijn greep en duwt hem weg. Voor het eerst tijdens de reis kijkt ze hem onderzoekend aan. ‘Wat is er, Ray? Wat heb je?’
‘Die zaak waar ik aan gewerkt heb... dat meisje...’
Ze schudt heftig met haar hoofd en legt een vinger op haar lippen. ‘Begin nou niet weer over je werk, Ray. Wat hebben we afgesproken? Je moet er een poosje tussenuit. Dat was de bedoeling. Dat heeft Bob Toal gezegd. Ik weet nog precies wat hij zei: streng verboden aan je werk te denken. Je moet helemaal niet nadenken. Vermaak je maar. Ontspan. De bedoeling van deze vakantie is dat je je ontspant en het huwelijk voorbereidt. Maar je bent weer aan de drank, en je weet wat ík daarvan vind,’ zegt ze op chagrijnige toon. ‘Maar jij wilde het, en ik, idioot die ik ben, ging ermee akkoord. Dus probeer je nu te ontspannen. Je hebt ook die pillen nog tegen de stress.’
De stewardess biedt hun iets te drinken aan. Trudi bestelt een witte wijn. Een chardonnay. Lennox neemt een dubbele bloody mary.
Trudi leunt achterover in haar stoel, haar hoofd schuin, en zegt kirrend: ‘Al het werk is tegenwoordig stressvol. Daarom bestaat er zoiets als vakantie. Bijna twee weken vol zon, zand, zee en je-weet-wel.’ Ze geeft hem een por in zijn ribben, en vervolgt dan op pruilerige toon: ‘Je valt toch nog wel op me, hè Ray?’ En ze herhaalt de act met haar borsten.
‘Natuurlijk.’ Lennox voelt hoe de spieren in zijn borst en hals zich samentrekken. Zijn luchtpijp is zo nauw als een rietje. Hij zit ingesloten naast het raampje, dat veel te klein is om vergetelheid te vinden in de lucht buiten. Hij kijkt naar zijn verbrijzelde, verbonden rechterhand, een zak vol gebroken knokkels, kootjes en middenhandsbeentjes. Hoeveel zouden er nog meer sneuvelen, hoe lang zou het duren voordat hij zijn beide vuisten tot moes had gebeukt om een gat te maken in de vliegtuigwand? Tussen hem en het gangpad zit eerst Trudi en dan een magere, oudere vrouw met deegkleurige huid en knokige handen. Waarschijnlijk van de leeftijd van zijn moeder. Hij ademt de smerige, droge, gerecyclede lucht van het vliegtuig in. De huid van het oude wijf lijkt op smeltend plastic, alsof ze uitgedroogd is door de airco. Ze heeft oranje vlekken. Hij vraagt zich af hoeveel uur je ouder wordt van een vlucht van acht uur. Hij wil niet dat Trudi weet dat hij maar een paar pillen heeft meegenomen, dat hij van plan is er in Miami mee op te houden.
Trudi zegt op zachte toon: ‘Ik doe het wel als je wilt, Ray. Als je dat écht wilt...’
Hij brengt de plastic beker naar zijn mond en neemt een slokje wodka. Zijn hand trilt. Dan zijn lichaam. Hoeveel van die lullige flesjes zijn er nodig voordat het trillen ophoudt, voordat het weggaat? ‘Weet je...’ mompelt hij.
‘... omdat ik je op die manier ook wil behagen, Ray, echt waar,’ zegt ze bijna smekend en misschien een beetje te hard, alsof ze er op het vliegveld ook al een paar gedronken heeft, die door de witte wijn en de hoogte nu beginnen aan te tikken. Ze wendt zich tot het ouwe wijfje naast zich en wisselt een suikerzoete glimlach uit, gevolgd door een groet.
Lennox denkt aan de misdaad. De ochtend dat hij er achter zijn bureau van hoorde en –
Trudi port hem in zijn ribben. Ze fluistert. Donzig haar boven haar glanzende roze lippen. ‘Ik was gewoon eerst een beetje geschokt. Ik probeerde het te rijmen met het feit dat je een normale, viriele, heteroseksuele man bent, en dat je op die manier... gepenetreerd wilt worden...’
Lennox drinkt zich moed in met nog een slok bloody mary. Zijn beker is bijna leeg. ‘Ik wil absoluut niet dat je iets doet waar je je ongemakkelijk bij voelt,’ zegt hij, en hij perst er met moeite een glimlach uit.
‘Je bent een schat.’ Ze kust hem op de zijkant van zijn hoofd, de kus van een tante, denkt hij. Ze houdt hem de opengeslagen Perfect Bride voor bij een bladzijde waarop in verschillende lettertypes dezelfde huwelijksaankondiging staat gedrukt. ‘Wat vind je hiervan voor de trouwkaart?’ Met haar lange nagel wijst ze op een blauw lettertype in de stijl van Charles Rennie Mackintosh.
Lennox kijkt ernaar en moet onwillekeurig – misschien bekrompen en rancuneus – denken aan Glasgow. ‘Te veel Glasgow.’ Hij wijst op de voorbeelden in een gotisch lettertype. ‘Ik vind die mooier.’
‘O god, geen sprake van!’ verzucht ze lachend. ‘Jij bent niet goed bij je hoofd, Raymond Lennox! Dat zijn rouwkaarten! Ik ben de Bruid van Frankenstein niet.’ Ze draait haar ogen weg en schenkt nog wat wijn in haar beker. ‘Het is maar goed dat je mij alles laat organiseren. Ik moet er niet aan denken wat voor ramp het zou worden als ik het aan jou overliet.’ Ze wendt zich tot het oude wijf naast zich, wier opgewekte, opdringerige lachje Lennox behoorlijk tegen begint te staan. ‘Mannen! Geen land mee te bezeilen.’
‘Dat zeg ik mijn hele leven al,’ stemt het ouwe wijf gretig in.
Ze kakelen enthousiast verder over de inhoud van het tijdschrift en Trudi’s extatische beschrijving van haar trouwjurk, terwijl Lennox zijn stoel in de krappe slaapstand zet omdat zijn ogen zwaar worden van de slaap. Binnen de kortste keren is hij in gedachten terug bij de misdaad. Zijn gedachten zijn als een lawine; ze lijken verstild en onbewogen op hun plaats, maar voordat hij het weet gaan ze weer met hem aan de haal, holderdebolder bergafwaarts. De misdaad. Altijd weer pijlsnel terug naar die misdaad.

[...]

 

Uitgeverij De Arbeiderspers

Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam. Live podium voor literatuur

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum