Leesfragment: Rum Dagboek

27 november 2015 , door Hunter S. Thompson

1 december verschijnt Hunter S. Thompsons Rum Dagboek (The Rum Diary), in de vertaling van Ton Heuvelmans. Vanavond kunt u al de introductie en het eerste hoofdstuk lezen. En de trailer bekijken van de film, die 22 december in de bioscopen komt.

Rum Dagboek werd door Hunter S. Thompson op 22-jarige leeftijd geschreven, nog voor hij de door hem geïntroduceerde Gonzo-journalistiek zou toepassen in het boek dat hem onsterfelijk zou maken: Angst en walging in Las Vegas. In Rum Dagboek draait het om journalist Paul Kemp die in San Juan (Puerto Rico), gaat werken voor de krant The Daily News. Hij raakt verwikkeld in een schimmig complot vol (veelal door alcohol opgewekte) lust, liefde, jaloezie en bedrog. Hoewel Thompson nog aan het begin van zijn carrière stond, bevat Rum Dagboek al veel kenmerken van Thompsons latere oeuvre: gewelddadige, maniakale, alcoholische, struikelend door het leven gaande personages die bang zijn om ouder te worden, en een stijl die zowel vol vaart als opzwepend is.

1 december gaat eveneens hunterthompson.nl online, en binnenkort organiseert de uitgeverij een speciale Rum Party. Houd lebowskipublishers.nl in de gaten, net als Uitgeverij Lebowski op Facebook en Twitter (@LebowskiBooks).

San Juan, winter 1958

Begin jaren vijftig, toen San Juan een toeristenoord begon te worden, bouwde een voormalige jockey genaamd Al Arbonito een bar op de binnenplaats achter zijn huis aan de Calle O’Leary. Hij noemde hem Al’s Backyard en hing aan de straatkant een bord boven zijn deur met een pijl die tussen twee vervallen gebouwen door wees naar de binnenplaats erachter. Aanvankelijk schonk hij alleen bier, voor een kwartje per fles, en rum voor een dubbeltje per glas, of vijftien cent met ijs. Na een paar maanden besloot hij ook eigengemaakte hamburgers te serveren.
Het was een prettige tent om iets te drinken, vooral ’s morgens, als de zon nog koel was en de zilte mist opsteeg uit de oceaan, die de lucht een frisse, gezonde geur gaf en het zo vroeg op de dag een paar uur uithield tegen de stomende, zweterige hitte die San Juan in zijn greep heeft vanaf het middaguur tot lang na zonsondergang.
’s Avonds was het er ook goed toeven, maar niet zo koel. Soms stond er een briesje, dat vanwege de fraaie ligging doordrong tot bij Al’s, dat boven op de heuvel van Calle O’Leary lag – zo hoog dat als de binnenplaats ramen had gehad, je zou kunnen uitzien over de hele stad. Maar er staat een dikke muur om de binnenplaats heen, en het enige wat je ziet is de lucht en een paar pisangbomen.
Naarmate de tijd verstreek, kocht Al een nieuwe kassa, gevolgd door houten tafeltjes met parasol voor op de binnenplaats, en uiteindelijk verhuisde hij zijn gezin vanuit het huis aan de Calle O’Leary naar een nieuwbouwwijk in een van de voorsteden vlak bij het vliegveld. Hij nam een grote neger genaamd Sweep in dienst, die de afwas deed, hamburgers serveerde en uiteindelijk ook leerde koken.
Hij richtte zijn oude woonkamer in als een kleine pianobar en liet uit Miami een pianist overkomen, een magere, treurig kijkende man genaamd Nelson Otto. De piano stond halverwege de cocktailbar en de binnenplaats. Het was een oude, kleine vleugel, lichtgrijs geverfd en overgespoten met speciale schellak die het instrument moest beschermen tegen de zilte lucht – en zeven avonden per week, gedurende de volle twaalf maanden die de eindeloze Caraïbische zomer duurt, nam Nelson Otto plaats achter het klavier en vermengde zijn zweet met de lusteloze akkoorden van zijn muziek.
Bij de plaatselijke vvv wordt verteld over de koele passaatwind die alle dagen en nachten van het jaar de kust van Porto Rico streelt, maar Nelson Otto was een man die onaangedaan leek door de passaat. Het ene benauwde uur na het andere werkte hij zich door zijn vermoeide repertoire van blues en sentimentele ballads, terwijl het zweet van zijn gezicht droop en de oksels van zijn katoenen bloemetjesshirt doorweekte. Hij vervloekte die ‘godvergeten kuthitte’ met zoveel haat en agressie dat de sfeer in de bar er soms door verpest werd, waarna er dan gasten opstonden en naar de Flamboyan Lounge een eindje verderop in de straat liepen, waar een flesje bier zestig cent kostte en een lendenbiefstuk drie dollar vijftig.
Nadat een ex-communist genaamd Lotterman uit Florida was gekomen en de
San Juan Daily News had opgericht, werd Al’s Backyard de Engelse persclub, omdat geen van de zwervers en dromers die voor Lottermans nieuwe krant kwamen werken zich de dure ‘New York’ bars konden veroorloven die overal in de stad als paddenstoelen uit de grond schoten. Bureauredacteuren en verslaggevers van de dagploeg kwamen rond zeven uur binnendruppelen, en die van de nachtploeg – sportverslaggevers, correctoren en opmakers – kwamen meestal massaal tegen middernacht binnen zetten. Soms bracht iemand een meisje mee, maar over het algemeen vormde de aanwezigheid van een vrouw in Al’s Backyard een zeldzaam en erotiserend schouwspel. Er waren niet veel blanke meisjes in San Juan, en de meesten van hen waren toeristen, hoeren of stewardessen. Het wekte geen verbazing dat die laatsten de voorkeur gaven aan de casino’s of de terrasbar van het Hilton.
Er kwam allerlei slag volk werken voor de
News, variërend van jonge, woeste barbaren die alles op z’n kop wilden zetten en helemaal opnieuw wilden beginnen tot vermoeide, oude broodschrijvers met bierbuiken, die niets liever wilden dan in alle rust hun tijd uitzingen voordat een stel gekken de zaak op z’n kop kwam zetten.
Ze vertegenwoordigden het hele scala van echte talenten en betrouwbare kerels tot gedegenereerde figuren en wanhopige losers die nauwelijks een briefkaart konden schrijven – lamzakken, voortvluchtigen en gevaarlijke dronkaards, een Cubaanse winkeldief met een revolver onder zijn oksel, een Mexicaanse debiel die kleine kinderen lastigviel, pooiers, pedofielen en menselijk uitschot in allerlei soorten en maten, van wie de meesten net lang genoeg werkten om een paar borrels en een vliegticket te kunnen betalen.
Aan de andere kant waren er ook figuren als Tom Vanderwitz, die later zou gaan werken voor de
Washington Post en de Pulitzer Prize zou winnen, en een man genaamd Tyrrell, inmiddels redacteur bij The Times in Londen, die dagen van vijftien uur maakte om de krant niet ten onder te laten gaan.
Toen ik arriveerde bestond de
News drie jaar, en Ed Lotterman stond op het punt van instorten. Als je hem hoorde praten, zou je denken dat hij persoonlijk alle ellende van de wereld had meegemaakt en dat hij zichzelf beschouwde als een combinatie van God, Pulitzer en het Leger des Heils. Hij beweerde vaak dat als alle mensen die in al die jaren voor de krant hadden gewerkt tegelijkertijd voor de troon van de Almachtige konden verschijnen – en daar rijendik hun verhalen zouden ophangen en hun eigenaardigheden, wandaden en abnormaliteiten opbiechten – er geen enkele twijfel over zou bestaan dat God zelf, zich aan zijn haren trekkend, in katzwijm zou vallen.
Lotterman overdreef natuurlijk; in zijn tirade sloeg hij de goede collega’s over en hij had het alleen maar over wat hij de ‘zuiplappen’ noemde. Maar daar waren er genoeg van, en het beste wat je kon zeggen van zijn personeel was dat het een raar, ongeregeld zootje was. In het beste geval waren ze niet te vertrouwen, in het ergste geval dronken, smerig en zo fatsoenlijk als een stel geiten. Maar ze slaagden er wel in een krant uit te brengen, en als ze niet aan het werk waren bracht een flink deel van hen de tijd door in Al’s Backyard.
Ze vloekten en tierden toen Al – in wat ze een ‘bui van gierigheid’ noemden – een kwartje op de prijs van het bier deed; en ze bleven vloeken en tieren toen hij een prijslijstje voor bier en andere dranken ophing uit het Caribé Hilton. Het was met zwart vetkrijt opgekalkt en hing duidelijk leesbaar achter de bar.
Aangezien de krant fungeerde als distributiecentrum voor alle schrijvers, fotografen en neoliteraire zwendelaars die toevallig in Porto Rico waren, genoot Al de dubieuze eer de klandizie van dit volkje te mogen ontvangen. De la onder de kassa zat barstensvol onbetaalde rekeningen en brieven van over de hele wereld, waarin beloofd werd dat ‘die rekening in de nabije toekomst vereffend zal worden’. Rondtrekkende journalisten zijn beruchte oplichters, en degenen die zich in dat ontheemde wereldje ophouden, kan een fikse onbetaalde barrekening tot twijfelachtige erkenning strekken.
Er was in die tijd geen tekort aan mensen om mee te drinken. Ze bleven nooit lang, maar er kwamen steeds weer andere. Ik noem ze rondtrekkende journalisten omdat geen andere term hen beter omschrijft. Geen twee van hen waren hetzelfde. Ze waren professioneel afwijkend en abnormaal, maar hadden een paar dingen gemeen. Ze waren, meestal uit gewoonte, voor het grootste deel van hun inkomen afhankelijk van kranten en tijdschriften; hun leven was ingesteld op de grillen van het noodlot en plotselinge veranderingen, ze zwoeren aan geen enkele vlag trouw en stelden slechts prijs op mazzel en goede contacten.
Sommigen van hen waren meer journalist dan vagebond, en anderen waren meer vagebond dan journalist, maar op enkele uitzonderingen na waren ze allemaal parttime, freelance of noemden ze zichzelf buitenlandse correspondenten. Om de een of andere reden stonden ze op zekere afstand van het journalistieke establishment. Niet de gladde strebers en chauvinistische napraters die werkten voor de aartsreactionaire kranten en tijdschriften van het Luce-imperium. Dat was een heel ander slag.
Porto Rico was een gat, en het personeel van de
Daily News bestond hoofdzakelijk uit chagrijnig, rondreizend geteisem. Ze reisden naar willekeurige bestemmingen – gedreven door roddels, geruchten en opportunistische motieven – door heel Europa, Latijns-Amerika en het Verre Oosten. Overal waar Engelstalige kranten uitkwamen doken ze op, switchend van de ene naar de andere, altijd op zoek naar de grote doorbraak, de allesbeslissende opdracht, de rijke erfgename of de dikbetaalde baan waar het volgende vliegticket hen heenbracht.
In zekere zin was ik een van hen – beter dan sommigen en resoluter dan anderen – en in de jaren dat ik de pen beroerde, had ik zelden zonder werk gezeten. Soms werkte ik voor drie kranten tegelijk. Ik schreef reclameteksten voor nieuwe casino’s en bowlingcentra. Ik was adviseur voor het syndicaat van de hanengevechten, door en door corrupt recensent voor chique restaurants, fotograaf van jachten en regelmatig slachtoffer van wangedrag van de politie. Ik leidde een hebzuchtig leven, en het ging me uitstekend af. Ik maakte een aantal interessante vrienden, had genoeg geld om me te redden, en leerde veel over de wereld wat ik op een andere manier nooit had kunnen leren.
Zoals de meeste anderen was ik een zoeker, onrustig, ontevreden, en soms ook een stompzinnige herrieschopper. Ik zat nooit lang genoeg stil om even goed na te denken, maar op de een of andere manier voelde ik dat mijn instinct goed was. Ik had met anderen het vaag optimistische gevoel dat sommigen van ons echt vooruitgang boekten, dat we de juiste weg hadden gekozen, dat de besten onder ons uiteindelijk de top zouden bereiken.
Tegelijkertijd had ik ook het duistere vermoeden dat het leven dat we leidden een verloren zaak was, dat we stuk voor stuk acteurs waren, dat we onszelf voor de gek hielden terwijl we onderweg waren op een doelloze odyssee. Het was de spanning tussen die twee polen — een rusteloos idealisme aan de ene en een gevoel van naderend onheil aan de andere kant — die mij in beweging hield.

Een

Mijn flat in New York bevond zich in Perry Street, vijf minuten lopen van de White Horse Tavern. Ik was er vaste klant, maar werd niet geaccepteerd omdat ik geen stropdas droeg. De incrowd wilde niets met me te maken hebben.
Ik zat er wat te drinken op de avond dat ik naar San Juan zou vertrekken. Phil Rollins, met wie ik had samengewerkt, betaalde mijn bier, dat ik achteroversloeg in een poging dronken genoeg te worden om in het vliegtuig in slaap te kunnen vallen. Art Millick, de meest gevreesde taxichauffeur van New York, was er. En ook Duke Peterson, die net terug was van de Maagdeneilanden. Ik herinner me dat Peterson me een lijstje gaf met namen van mensen die ik kon opzoeken als ik op St. Thomas kwam, maar ik raakte het briefje kwijt en heb nooit iemand van het lijstje ontmoet.
Het was een klotenacht halverwege januari, en ik droeg slechts een licht corduroy jasje. Alle anderen droegen zware jacks en flanellen pakken. Het laatste wat ik me herinner is dat ik op de smerige klinkers van Hudson Street stond, Rollins een hand gaf en de ijzige wind vervloekte die vanaf de rivier de straat in gierde. Ik stapte bij Millick in de taxi en sliep tot aan het vliegveld.
Ik was aan de late kant, en er stond een rij voor de desk. Er stonden zeker vijftien Porto Ricanen voor me. Een paar plaatsen voor me stond een kleine blonde vrouw. Ik hield haar voor een toerist, een wilde, jonge secretaresse op weg naar het Caraïbisch gebied voor een ruige vakantie van twee weken. Ze had een lekker lijf en straalde al wachtend heel wat ongeduld uit, wat op veel opgekropte energie wees. Ik bekeek haar aandachtig en met een glimlach, terwijl het bier door mijn aderen stroomde, en wachtte tot ze zich zou omdraaien om oogcontact te maken.
Ze kreeg haar ticket en liep in de richting van het vliegtuig. Er stonden nog drie Porto Ricanen voor me. Twee van hen wikkelden hun formaliteiten af en liepen door, maar de derde werd vertraagd omdat hij van de baliebediende een reusachtige kartonnen koffer niet als handbagage mee aan boord mocht nemen. Ik luisterde knarsetandend naar hun gebekvecht.
Uiteindelijk viel ik hen in de rede. ‘Hé!’ riep ik. ‘Wat heeft dit te betekenen, verdomme? Ik moet dat vliegtuig halen!’
De baliebediende keek op en negeerde het geschreeuw van de kleine man voor me. ‘Wat is uw naam?’
Ik vertelde hem hoe ik heette, kreeg mijn ticket en rende naar de gate. Toen ik bij het toestel was, moest ik me langs vijf of zes mensen dringen die stonden te wachten om in te stappen. Ik liet mijn ticket aan de mopperende stewardess zien, stapte in en wierp een blik op de stoelen aan weerszijden van het gangpad.
Nergens een blonde vrouw te zien. Ik liep snel naar voren, in de veronderstelling dat ze misschien zo klein was dat haar hoofd niet boven de stoelleuning uitkwam. Maar ze was niet aan boord, en inmiddels waren er nog maar twee stoelen naast elkaar vrij. Ik liet me op een van de stoelen vallen en legde mijn typemachine op de stoel bij het raampje. De motoren werden gestart, ik keek naar buiten en zag haar aan komen rennen over de startbaan, zwaaiend naar de stewardess die op het punt stond de deur te sluiten.
‘Wacht even!’ schreeuwde ik. ‘Nog een passagier!’ Ik keek toe totdat ze de trap had bereikt. Toen draaide ik me om en glimlachte naar haar terwijl ze instapte. Ik wilde mijn typemachine pakken en op de grond zetten, toen een oude man langs me dook en plaatsnam op de stoel die ik wilde vrijhouden. ‘Deze stoel is bezet,’ zei ik snel en greep hem bij de arm.
Hij rukte zich los, snauwde me iets toe in het Spaans en draaide zich om naar het raampje.
Ik greep hem opnieuw vast. ‘Opstaan,’ zei ik boos.
Hij zette het op een krijsen terwijl het meisje langsliep, een meter verderop bleef staan en een lege stoel zocht. ‘Hier is nog een plaats,’ zei ik, terwijl ik stevig aan de arm van de oude man rukte. Voordat ze zich kon omdraaien, was de stewardess bij me en trok me aan mijn arm.
‘Hij zat op mijn typemachine,’ legde ik uit, terwijl ik wanhopig naar het meisje keek dat ergens voorin een lege zitplaats had gevonden.
De stewardess klopte de oude man op zijn schouder en hielp hem terug op zijn stoel. ‘Wat bent u voor een bullebak?’ vroeg ze me. ‘Ik zou u eigenlijk het toestel uit moeten zetten!’
Ik liet me mopperend op mijn stoel zakken. De oude man naast me staarde recht voor zich uit totdat we opstegen. ‘Vieze ouwe klootzak,’ mompelde ik tegen hem.
Hij gaf geen sjoege, en uiteindelijk deed ik mijn ogen dicht en probeerde te slapen. Nu en dan keek ik naar het blonde hoofd voor in het vliegtuig. Totdat de de lichten werden uitgedraaid, en ik helemaal niets meer zag.
Toen ik wakker werd, was het ochtend. De oude man sliep nog, en ik leunde over hem heen om naar buiten te kijken. Een paar duizend meter onder ons lag de oceaan, donkerblauw en zo glad als een meer. Verderop zag ik een eiland liggen dat felgroen oplichtte in de ochtendzon. Er lagen stranden omheen en in het binnenland was bruin moerasland zichtbaar. Het vliegtuig begon te dalen en de stewardess kondigde aan dat iedereen zijn veiligheidsriem moest vastmaken. Enkele ogenblikken later zwiepten we over eindeloze palmbossen en kwamen we taxiënd tot stilstand voor het grote luchthavengebouw. Ik besloot te blijven zitten tot het meisje langsliep, dan pas op te staan en samen met haar de landingsbaan over te steken. Aangezien we de enige blanken aan boord waren, leek me dat heel normaal.
Alle andere passagiers waren gaan staan en wachtten lachend en kwebbelend totdat de stewardess de deur zou opendoen. Plotseling sprong de oude man overeind en probeerde als een hond over me heen te springen. Zonder na te denken ramde ik hem met een enorme bons terug tegen het raam, zodat het doodstil werd in het toestel. De man maakte een zieke indruk en probeerde opnieuw langs me te kruipen, terwijl hij hysterisch gilde in het Spaans.
‘Stomme ouwe zak!’ schreeuwde ik, en ik duwde hem terug met één hand terwijl ik met de andere mijn typemachine probeerde te pakken. De deur was inmiddels geopend en de passagiers liepen achter elkaar naar buiten. Het meisje kwam langs en ik probeerde tegen haar te glimlachen terwijl ik de oude man vastgepind hield tegen het raam totdat ik zelf het gangpad in kon stappen. Hij ging zo enorm tekeer, schreeuwend en met zijn armen slaand, dat ik zin kreeg hem op zijn bek te slaan om hem tot zwijgen te brengen.
Toen arriveerde de stewardess, gevolgd door de copiloot, die op hoge toon een verklaring eiste voor mijn gedrag.
‘Hij heeft die arme oude man vanaf het vertrek uit New York zitten aftuigen,’ zei de stewardess. ‘Wat een sadist.’
Ze hielden me tien minuten vast, en aanvankelijk dacht ik dat ze me wilden overdragen aan de politie. Ik probeerde alles uit te leggen, maar ik was zo moe en in de war dat ik niet wist wat ik moest zeggen. Toen ze me uiteindelijk lieten gaan, sloop ik als een crimineel het vliegtuig uit, zwetend en met mijn ogen knipperend tegen de zon, terwijl ik de landingsbaan overstak naar de bagageruimte.
Het barstte er van de Porto Ricanen, en het meisje was nergens te zien. Ik had weinig hoop haar te vinden, en ik was niet bepaald optimistisch over wat er zou gebeuren als ik haar wél vond. Niet veel vrouwen hebben sympathie voor een vent van mijn soort, iemand die oude mensen lastigvalt. Ik herinnerde me de uitdrukking op haar gezicht toen ze me zag terwijl ik de oude man tegen het raampje gedrukt hield. Het was vrijwel onmogelijk om die indruk goed te maken. Ik besloot ergens te gaan ontbijten en mijn bagage later op te pikken.
Het vliegveld van San Juan heeft een mooi, modern gebouw, één en al vrolijke kleuren, zongebruinde mensen en Latijnse ritmes uit luidsprekers die aan kale dwarsbalken boven in de lobby hangen. Ik liep een helling op met mijn jas en typemachine in de ene hand en een kleine leren tas in de andere. Ik volgde de bordjes naar nog een helling en uiteindelijk naar de koffiebar. In het voorbijgaan bekeek ik mezelf in een spiegel, ik zag er smerig en sjofel uit, een bleke landloper met rode oogjes.
Afgezien van mijn sjofele uiterlijk stonk ik naar verschaald bier. De stank stond in mijn maag als een klomp zure melk. Toen ik plaatsnam aan de bar en schijven ananas bestelde, probeerde ik niet uit te ademen.
Buiten schitterde de startbaan in de ochtendzon. Daarachter bevond zich een dicht oerwoud van palmbomen, dat het vliegveld scheidde van de oceaan. Een aantal kilometers van de kust af voer een zeilboot traag langs de horizon. Ik staarde er even naar en raakte in trance. Het was vredig hier, vredig en heet. Ik wilde naar het palmbos om er te slapen, een paar stukken ananas en dan de jungle in en slapen.
In plaats daarvan bestelde ik koffie en wierp opnieuw een blik op het telegram dat ik samen met mijn ticket had gekregen. Er stond op dat er een kamer voor me was gereserveerd in het Condado Beach Hotel.
Het was nog geen zeven uur, maar de koffiebar zal al aardig vol. Er zaten groepjes mannen aan tafeltjes langs het brede raam, ze zogen aan een melkachtig brouwsel en praatten opgewonden met elkaar. Sommigen van hen droegen een pak, maar de meesten droegen wat hier kennelijk het voorgeschreven tenue was: een zonnebril met een dik montuur, een glanzend zwarte broek, wit overhemd met korte mouwen en een stropdas.
Ik ving flarden van hun gesprekken op: ‘… goedkope strandtenten bestaan niet meer… ja, maar dit is Montego niet, heren… maak je geen zorgen, hij heeft genoeg, en het enige wat we nodig hebben… dik voor mekaar, maar we moeten wel snel handelen voordat Castro en zijn mensen zich ermee komen bemoeien met hun…’
Na dit tien minuten met een half oor te hebben aangehoord, vermoedde ik dat ik me in het gezelschap bevond van een stel sjacheraars. De meeste leken in afwachting van de vlucht van halfacht uit Miami, die – voor zover ik begreep uit de gesprekken – barstensvol zou zitten met architecten, horecafiguren, adviseurs en vanaf Cuba gevluchte Sicilianen.
Ik raakte geïrriteerd door hun stemmen. Ik heb in feite niets tegen sjacheraars, geen ene moer, maar verkopen op zich stuit me tegen de borst. Ik heb stiekem enorme zin om iedere verkoper een hengst voor zijn bek te geven, hem de tanden uit de mond te rammen en hem dikke bulten rond zijn ogen te slaan.
Toen ik me eenmaal bewust was van de aard van hun gesprekken, hoorde ik ook niets anders meer. Mijn gevoel van luiheid was op slag verdwenen, en uiteindelijk kreeg ik zo de pest in dat ik mijn koffie opdronk en als de donder de bar verliet. De bagagehal was verlaten. Ik vond mijn twee plunjezakken en liet ze door een kruier naar de taxi brengen. Lopend door de vertrekhal keek hij me aldoor grijnzend aan en herhaalde steeds: ‘Sí, Puerto Rico está bueno… ah, sí, muy bueno... mucho ha-ha, sí...’
Eenmaal in de taxi leunde ik achterover en stak een sigaartje op dat ik in de koffiebar had gekocht. Ik voelde me een stuk beter, warm, slaperig en volkomen vrij. De palmbomen flitsten langs, de grote zon scheen fel op het wegdek vóór ons, en er schoot een gevoel door me heen dat ik niet meer had gehad sinds mijn eerste maanden in Europa – een mengeling van onwetendheid en een soort ‘wat-maakt-het-uit’-gevoel van zelfvertrouwen dat een mens overvalt als de wind opsteekt en hij zich met hoge snelheid en in een rechte lijn naar een onbekende horizon beweegt.
We scheurden over een vierbaanssnelweg. Aan weerszijden lag een uitgestrekt complex van gele nieuwbouwwijken die doorsneden werden door hoge tornadomuren. Even later reden we langs een andere woonwijk, die volstond met identieke roze en blauwe huizen. Bij de ingang stond een groot reclamebord dat voorbijgangers erop wees dat ze de El Jippo Urbanizacíon passeerden. Een paar meter naast het reclamebord stond een hutje dat was opgetrokken uit palmbladeren en stukjes blik, met ernaast een handgeschilderd bordje met de tekst Coco Frío. Binnen leunde een jongen van ongeveer dertien op de toonbank en staarde naar de langsrijdende auto’s.

Halfdronken aankomen in een vreemd land vergt erg veel van je zenuwen. Je hebt het gevoel dat er iets niet klopt, dat je de situatie niet onder controle hebt. Ik had dat gevoel nu ook, en toen ik in het hotel aankwam, ging ik meteen naar bed.
Het was halfvijf toen ik wakker werd, ik had honger, voelde me smerig en wist niet precies waar ik was. Ik liep het balkon op en staarde naar het strand beneden. Onder me zag ik een menigte vrouwen, kinderen en mannen met bierbuiken die ronddansten in de branding. Rechts van me stond nog een hotel en daarnaast nog een, allemaal met een eigen, overvol strand.
Ik nam een douche en ging daarna naar beneden naar de hotellobby in de open lucht. Het restaurant was gesloten en dus probeerde ik de bar, die eruitzag alsof hij rechtstreeks en integraal was overgevlogen vanuit een skioord in de Catskill Mountains. Ik bleef daar twee uur zitten drinken, pinda’s eten en naar de oceaan staren. Er zat een man of twaalf in de bar. De mannen zagen eruit als zieke Mexicanen, met dunne snorretjes en zijden pakken die glansden als plastic. De meeste vrouwen waren Amerikaans, een afstandelijk groepje, geen van allen jong, stuk voor stuk gekleed in mouwloze cocktailjurken die als rubberzakken om hun lijf hingen.
Ik voelde me als iets wat was aangespoeld op het strand. Mijn gekreukte corduroy jasje was vijf jaar oud en gerafeld aan de kraag, in mijn broek zat geen vouw, en hoewel het nooit bij me was opgekomen om een stropdas om te doen, viel ik duidelijk uit de toon zonder zo’n ding. In plaats van er schijnheilig bij te willen horen, bestelde ik geen rum meer maar een biertje. De barkeeper wierp me een stuurse blik toe en ik wist waarom – ik droeg niets wat glom, en het was zonneklaar dat ik buiten de boot viel. Als ik hier indruk wilde maken, zou ik oogverblindende kleren moeten aantrekken.
Om halfzeven verliet ik de bar en liep naar buiten. Het begon donker te worden en de grote Avenida lag er koel en elegant bij. Aan de overkant stonden huizen die ooit hadden uitgezien op het strand. Nu zagen ze uit op hotels, en de meeste hielden zich inmiddels schuil achter hoge hagen en muren, waardoor ze onzichtbaar waren vanaf de straat. Hier en daar zag ik een binnenplaats of een veranda waar mensen onder ventilatoren rum zaten te drinken. Een eindje verderop hoorde ik belletjes rinkelen op de slaperige melodie van het Wiegelied van Brahms.
Ik liep een paar straten verder en probeerde te ontdekken hoe de sfeer was. De belletjes kwamen steeds dichterbij. Even later verscheen een ijscowagen die langzaam midden op straat reed. Op het dak stond een reusachtige ijslolly, die aan en uit flitste met rode explosies van neonlicht die de hele straat verlichtten. Ergens uit het binnenste klonk de melodie van Brahms. Terwijl hij langs me reed grijnsde de bestuurder opgewekt en drukte op zijn claxon.

© The Estate of Hunter S. Thompson, 1998
Auteursportret © The Estate of Hunter S. Thompson
© Vertaling uit het Amerikaans: Ton Heuvelmans, 2011
© Nederlandse uitgave: Lebowski Publishers, Amsterdam 2011

Uitgeverij Lebowski

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum