Leesfragment: Scheerjongen

31 januari 2011 , door Maria Stahlie
|

Vorige week verscheen Scheerjongen, de nieuwe roman van Maria Stahlie. Deze Nacht kunt u er een uitgebreid fragment uit lezen.

Nog net geen vijftien jaar is Aldo Rossi als hij – een onbevangen, bevoorrechte jongen uit Amsterdam – in aanraking komt met de excessieve, taaie sferen die ooit het Naakte Zuiden van Italië kleurden. Il Mezzogiorno Nudo... het zonovergoten, kurkdroge land dat mannen als Aldo’s overgrootvader ertoe aanzette om stoutmoedig, opstandig en onbaatzuchtig in de werkelijkheid te staan.
De kennismaking met de schokkende én verkwikkende daadkracht van zijn overgrootvader boort pure heimwee aan bij Aldo, een dorst naar een tijd die hij nooit heeft gekend, een verlangen naar een bestaan waarin de weekdieren en de wereldwijze wereldburgers nog niet alle touwtjes in handen hadden. Een reiziger wil Aldo worden, een reiziger die op weg gaat naar het vuur en de wilde idealen van het Naakte Zuiden. Een groot doel, zo’n reis in de geest, maar ga er maar aan staan als je een jongen van deze tijd bent en je om de haverklap wordt afgeleid door onbereikbare meisjes, basketbal, bokszakken en drumstellen. Ga er maar aan staan als je een beginneling bent in de traditie van het Naakte Zuiden, een prille leerling, een scheerjongen.

 

1

Het was het heetste uur van de dag en omdat de dag in augustus viel behoorde het uur tot de heetste uren van het jaar. Aldo Rossi, een maand verwijderd van zijn vijftiende verjaardag, zat in het portaal van de lage, massieve kerk die in de elfde eeuw de basis had gevormd voor het bergdorp van zijn voorgeslacht. Het bergdorp bevond zich in het zuiden van Italië, het land van de aardbevingen. De laatste grote aardbeving – die van 1980 – had een paar scheuren in de stompe, natuurstenen klokkentoren geslagen, maar de kerk zelf – een stier van een kerk – had geen krimp gegeven. Aldo zat in de hoek van het portaal waar nog schaduw viel. Hij zat daar alweer bijna een uur. Los vallende spijkerbroek, wit t-shirt en zwarte gymschoenen, veel meer was er niet aan hem te zien. Hij had zijn knieën opgetrokken en leunde met zijn rug tegen het oude hout van de kerkdeur. Zijn ouders en zijn broertje waren die ochtend vertrokken voor een dagtocht naar de zee, maar hij had niet mee gewild. Hij wilde alleen zijn, hij wilde al drie weken lang alleen zijn. Het kokende zonlicht kroop langzaam maar tergend zeker zijn kant op. Aldo leek het niet te merken. Er ontsnapte een rillerige zucht aan zijn organisme. Het was de laatste dag van de vakantie die zijn levensschema ruw had doorkruist, het was de laatste dag van de vakantie die hem in aanraking had gebracht met krachten waarvan alleen hijzelf inzag hoe ondermijnend ze waren.
Aldo kon zich geen zomer herinneren waarin hij níet een paar weken bij zijn opa in Italië had gelogeerd. Hij voelde zich thuis in het bergdorp, hij kon de straten en de stegen dromen. Ook het kerkplein kon hij dromen. De kerk bevond zich niet in het centrum maar aan de rand van het dorp. Achter de kerk was alleen nog het kerkhof en daar weer achter begon de snel aflopende, met taai gras en struiken bezaaide berghelling. Het kerkplein was in een halve cirkel rond de kerk aangelegd. Aldo’s vader (stedenbouwkundig ingenieur) had in een Amerikaans wetenschappelijk tijdschrift een artikel gepubliceerd over de technieken en de precisie waarmee men in een ver verleden in berglandschappen terreinen waterpas kreeg. Het kerkplein was volkomen waterpas. Vanuit het plein vertrokken er drie straten als zonnestralen naar hoger gelegen delen van het dorp. Aldo had op de laatste dag van de desastreus verlopen vakantie geen oog voor het waterpasse plein dat in de zon lag te bakken, hij had geen boodschap aan de vier sigaretten rokende oude mannen (onder wie zijn opa, onder wie een oudoom van Anna) die de wetten van de siësta negeerden en dertig meter verderop op het terras bij de bar annex kruidenier annex apotheek onder een grote parasol in de weer waren met dobbelstenen en zonnebloempitten.
Het withete zonlicht kroop – de zon hoefde er niet noemenswaardig voor te bewegen – langzaam maar tergend zeker in de richting van Aldo’s hoek van het portaal. Een kiezelsteentje dat misschien zestig centimeter van de zwarte gymschoenen lag, was al voor de bijl gegaan. Aldo had het moment gemist. Hij nam de geluiden van de siësta voor kennisgeving aan – het gesnater van de cicades die op het kerkhof woonden, het gezoem van een enkele vlieg – en hij reageerde niet als een van de mannen iets naar hem riep. ‘Hé Aldo, pas op dat je geen wortel schiet!’ ‘Hé Aldo, daar heb je Anna!’ De alliantie van spijtoptanten, zo noemde zijn moeder die vier oude mannen. Ze waren in de Verenigde Staten geboren en getogen, ze hadden hun werkzame leven in grote steden doorgebracht, maar waren de Nieuwe Wereld ontvlucht zodra zich de kans had voorgedaan. Aldo’s opa was niet lang na de dood van zijn vrouw voor altijd uit Amerika vertrokken. Hij wilde sterven – ooit – op de warme, harde geboortegrond van zijn vader, ver weg van de effen gezichten van de politici en de ambtenaren die het in de Verenigde Staten voor het zeggen hadden. Hij had een kapperszaak voor mannen en een boksschool voor buurtgenoten achtergelaten in het steeds vaker door toeristen bezochte Little Italy van Chicago. De andere drie spijtoptanten waren de dikke priester die in Philadelphia een parochie had gehad, de apotheker die in Boston een keten was begonnen en de kleine ex-jockey uit Los Angeles. De ex-jockey, de oudoom van Anna, was een verschrompelde verschijning, bijna zwart van de zon, zo goed als tandeloos maar met de alerte oogopslag van een twintigjarige. Hij was degene die – in het Engels – ‘Hé Aldo, daar heb je Anna!’ had geroepen, woorden die de geplaagde jongen langs zich had laten afglijden. De voertaal tussen Aldo en de spijtoptanten was Engels. Ook Aldo was in Amerika geboren en ook hij was er niet gebleven. Aldo was tweetalig. Zijn vader was een volbloed Amerikaan van Italiaanse afkomst. Zijn moeder was een Nederlandse die kunstgeschiedenis had gestudeerd in Chicago. Het jonge gezin was vlak na zijn zevende verjaardag naar Nederland verhuisd omdat zijn moeder, twee maanden voordat ze zwanger werd van haar tweede kind, een baan had geaccepteerd in de hoofdstad van haar vaderland. Als Aldo het op zijn zevende voor het zeggen had gehad, dan waren ze niet naar Nederland verhuisd maar naar Italië. Hij was toen al drie keer drie weken in het bergdorp van zijn opa geweest en had al lang en breed vriendschap gesloten met Anna.
‘Hé, Aldo!’ Het was opnieuw de stem van de gekrompen oudoom die de betrekkelijke siëstastilte op het kerkplein verbrak. ‘We hebben nog een speler nodig… als het even kan een puber met liefdesverdriet…’
Aldo kéék niet eens in de richting van het groepje mannen onder hun parasol. Hij legde zijn armen op zijn knieën en zijn hoofd op zijn armen. Zijn halflange, sluike haar sloot hem nog nadrukkelijker af van zijn omgeving, van de spijtoptanten en van het nietsontziende zonlicht dat nu toch wel erg dicht was genaderd. Hij wilde alleen zijn, alleen met zijn getourmenteerde, in muurvaste rondjes malende gedachten. Anna. Anna was weg. Anna had hem verraden. Ze had zich verloofd. Ze had zich verloofd met een jongen van negentien jaar die tachtig kilometer verderop woonde. In een ander bergdorp. Niemand verloofde zich nog, behalve Anna en haar negentienjarige geliefde! Ze bracht de zomer door bij de familie van haar verloofde. Aldo voelde de bittere tranen die in deze vakantie zo moeilijk te bedwingen waren alweer opkomen. Hij kneep hard in de zijkant van zijn knieën. Hij hoefde zijn ogen niet te sluiten om haar gladde, goud-olijfkleurige benen voor zich te zien, de kwetsbare binnenkant van haar elleboog, de geheimzinnige vlakte tussen haar schouderbladen. Hij hoefde zijn ogen maar te sluiten of hij hoorde haar stem. ‘Buona notte, Aldo, a domani.’ En altijd was ze er geweest, de volgende dag. Nu was ze weg. Ze was verliefd op een Italiaan die negentien jaar oud was. Hij had zich verkeken, Aldo, hij had zich verschrikkelijk verkeken. Hij had gemeend dat het er niet toe deed dat hij uit Nederland kwam en dat ze anderhalf jaar ouder was dan hij, hij had gedacht dat ook zij zich een toekomst had voorgesteld waarin ze tot in lengte van dagen bij elkaar zouden zijn. Tot in lengte van dagen. Wat een afgang! Wat een vernedering! Wat een donderslag bij heldere hemel! Zijn ingewanden verkrampten als hij zich voor de geest haalde hoezeer hij naar deze vakantie had uitgekeken. Het had de vakantie van zijn eerste tongzoen moeten worden. Via Google was hij te weten gekomen dat in Nederland 50 procent van alle veertienjarige jongens wel eens had getongzoend. Door de bezegeling van zijn liefde voor Anna zou hij zich nog mooi op tijd bij de uitverkoren helft scharen. Hij had zelfs al uitgebroed waar de zoen moest plaatsvinden: op het kerkhof, in het huisje dat de overkapping vormde voor een graf waarop zowel Anna’s achternaam stond (Toscana) als die van hem (Rossi). Hier hadden ze vaak gespeeld, de schaduw opgezocht, hier zou hun liefdesleven een aanvang nemen. Aldo produceerde een schamper geluidje. Hij dacht aan zijn beste vriend, aan Erik. Erik was zijn klasgenoot, zijn buurtgenoot, zijn basketbalgenoot maar hij was nooit met Aldo mee naar Italië gegaan. Hij werd zenuwachtig als hij Amsterdam uit moest. Daar stond tegenover dat hij op zijn dertiende niet alleen gezoend had maar zelfs een keer door de hand van iemand anders – van een meisje, welteverstaan – was bevredigd. Erik wist niet beter of Aldo en Anna vormden een paar, met alle gevolgen van dien. Aldo had hem niet tegengesproken. Het was een kwestie van tijd, meer niet, voordat de inschatting van Erik zou samenvallen met de werkelijkheid. Duh! Het mikpunt van Eriks spot, Aldo, als zou blijken dat hij al aan de kant was gezet voordat er ooit sprake was geweest van iets wat ook maar een heel klein beetje in de buurt was gekomen van een vrijage. Hij haalde zijn neus op, hij slikte snot weg. Pispaal hij, Aldo Rossi, te beginnen hier in het dorp. Alle volwassenen – ook zijn ouders, naar nu bleek – hadden zich in voorgaande jaren geamuseerd bij de aanblik van het onnozele kalf dat tot over zijn oren verliefd was op een meisje dat – voor iedereen zichtbaar behalve voor hem – op zijn hoogst een erg plooibaar broertje in hem zag. En ook zijn gebroken hart… zijn ingestorte wereld… was kennelijk een bron van vermaak, een aanleiding voor luchtig bedoeld commentaar. Zijn opa: ‘Kop op, jongen, vergeet niet dat de vrouwtjes in het dierenrijk minder fel gekleurd zijn dan de mannetjes.’ Zijn moeder: ‘Een onsje minder mag ook wel.’ Anna’s oudoom: ‘Nog niet eens een baard en dan al gehoornd.’ Modderfiguur, hij, en dat allemaal omdat –
Aan zijn oor werd hij overeind getrokken – ‘Au! Au! Au, dat doet pijn!’ –, aan zijn oor werd hij uit het portaal gesleurd – ‘Meekomen, jij!’ –, misschien een halve minuut voordat het ongrijpbare zonlicht hem bereikt zou hebben en hem een stuk minder hardhandig uit de kelders van zijn gemoed zou hebben gehaald. Zo diep verzonken in zijn gedachten was Aldo geweest dat hij zijn gedrongen, oersterke opa niet had horen uitroepen dat het nú genoeg was – de getergde uitroep was in het Italiaans gedaan, de voertaal tussen de spijtoptanten onderling was Italiaans – en dat het pas tot hem doordrong dat de bejaarde boks - instructeur het plein was over gebeend toen er een scherpe pijn vanuit zijn linkeroor zijn hoofd binnendrong. Aan zijn oor werd hij de augustusmiddag ingetrokken.

[...]

© 2011 Maria Stahlie en Uitgeverij Prometheus

Uitgeverij Prometheus

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum