Leesfragment: Stad der Engelen of The Overcoat of Dr. Freud

27 november 2015 , door Christa Wolf

Vandaag verschijnt de met de Thomas Mann Preis én Uwe-Johnson-Preis bekroonde nieuwe roman van Christa Wolf, Stad der Engelen of The Overcoat of Dr. Freud (Stadt der Engel oder The Overcoat of Dr. Freud, vertaald door Gerrit Bussink). Vanavond kunt u al enkele pagina's bij ons lezen.

De ik-figuur brengt aan het begin van de jaren negentig een paar maanden door in Los Angeles – de stad der engelen – op uitnodiging van het Getty Center. Ze onderzoekt daar de brieven van een zekere L. uit de nalatenschap van een overleden vriendin, wier levenslot zij probeert na te gaan. Het is een vrouw die vanuit het nationaalsocialistische Duitsland naar de Verenigde Staten is geëmigreerd.

De verteller observeert de ‘American way of life’ en duikt in het verleden van New Weimar onder de Palmen, zoals Los Angeles als kolonie van Duitstalige migranten tijdens de Tweede Wereldoorlog genoemd werd. Ze wordt ondertussen voortdurend aan de tand gevoeld over het net weer verenigde Duitsland. Zal het virus van de mensenverachting in deze nieuwe ongewisse situatie voor Duitsland weer de kop opsteken?

Stad der engelen is een rijke, veelomvattende roman over het leven in de twintigste eeuw, over herinneren, vergeten en verdringen, over de verhouding tussen staat en individu, Oost en West, over vriendschap en loyaliteit, over politiek, geschiedenis en cultuur, over ballingschap en thuisblijven.

De werkelijke consistentie van geleefd leven
kan geen enkele schrijver weergeven.
E.L. Doctorow

uit de hemel vallen

                         dat was de zin die me te binnen schoot toen ik in la landde en de passagiers applaudisseerden voor de piloot die het toestel over de oceaan had gevlogen, vanaf de zee koers had gezet naar de Nieuwe Wereld, lang boven de lichten van de enorme stad had gecirkeld en zacht was geland. Ik weet nog dat ik me voornam die zin later te gebruiken als ik over de landing en over het voor me liggende verblijf aan de vreemde kust zou schrijven: nu. Ik kon niet vermoeden dat ik zo veel jaren nodig zou hebben voor mijn hardnekkige pogingen om de juiste zinnen te vinden die op die zin zouden moeten volgen. Ik nam me voor alles goed te onthouden, elk detail, voor later. Hoe mijn blauwe pas enig opzien baarde bij de roodblonde, gespierde officer die de papieren van de reizigers nauwkeurig en streng controleerde, hij bladerde er lang in, bestudeerde ieder visum, richtte vervolgens zijn aandacht op de meermaals bevestigde schriftelijke uitnodiging van het center, onder de hoede waarvan ik de komende maanden zou doorbrengen, ten slotte richtte hij de blik van zijn ijsblauwe ogen op mij: Germany? – Yes. East Germany. – Ik zou het moeilijk gevonden hebben daar nog iets aan toe te voegen, ook vanwege de taal, maar de beambte won telefonisch advies in. Dat was voor mij een vertrouwd tafereel, ik kende het gevoel van spanning goed, ook de opluchting toen hij – omdat het antwoord op zijn vraag bevredigend zal zijn geweest – eindelijk het visum stempelde en zijn met sproeten bezaaide hand me over de balie mijn pas toestak: Are you sure this country does exist? – Yes, I am, antwoordde ik kortaf, dat weet ik nog, hoewel het correcte antwoord ‘No’ geweest zou zijn en ik me tijdens het lange wachten op mijn bagage onwillekeurig afvroeg of het echt de moeite had geloond om met de nog geldige pas van een niet meer bestaand land naar de vs te reizen, alleen maar om een jonge roodharige beambte van de paspoortcontrole in de war te brengen. Het was zo’n koppige reactie waar ik in die tijd nog toe in staat was en die ik – dat valt me nu op – steeds minder vaak heb naarmate ik ouder word. Daar staat de uitdrukking al op papier, heel onopvallend, de uitdrukking waarvan de schaduw me destijds, meer dan vijftien jaar geleden, nauwelijks trof, maar die intussen zo compact is geworden dat ik moet vrezen dat hij ondoordringbaar wordt voordat ik mijn professionele plicht kan doen. Voordat ik dus heb beschreven hoe ik mijn bagage van de lopende band hees, die op een van de gigantische bagagewagens legde en te midden van de verwarrende mensenmassa richting exit liep. Hoe meteen nadat ik de aankomsthal in was gelopen, gebeurde wat ik na alle dringende waarschuwingen van reizigers die het konden weten niet had mogen laten gebeuren, er kwam een boomlange zwarte man op me af: Want a car, Madam?, en ik, onervaren reflexwezen als ik was, knikte in plaats van hem gedecideerd af te wijzen, zoals me was aangeraden. Op hetzelfde moment had de man zich al van de bagagewagen meester gemaakt en liep hij ermee weg, tot nimmer wederziens, meldde mijn alarmsysteem. Ik volgde hem zo vlug ik kon en jawel, daar stond hij langs de rand van de toegangsweg, waar bumper aan bumper, met het stadslicht aan, de taxi’s aan kwamen rijden. Hij streek de dollar op die hem toekwam en droeg me over aan een eveneens zwarte collega, die voor zichzelf een baantje als taxiroeper had gecreëerd. Hij deed zijn werk, hield de eerstvolgende taxi aan, assisteerde bij het inladen van mijn bagage, nam eveneens een dollar in ontvangst en vertrouwde me toe aan de kleine, magere, lenige chauffeur, een Puertoricaan, wiens Engels ik niet verstond, maar die welwillend naar mijn Engels luisterde en – nadat hij het briefhoofd met mijn toekomstige adres had bestudeerd – leek te weten waar hij me heen moest brengen. Pas op het moment dat de taxi optrok, dat herinner ik me, voelde ik de milde nachtlucht, een vleug van het zuiden, die ik herkende van een heel andere kust, waar hij me als een dikke, warme doek voor het eerst had getroffen: op de luchthaven van Warna. De Zwarte Zee, zijn fluwelen duisternis, de zware, zoete geur van zijn tuinen.
Ik zie me nog in die taxi zitten met links en rechts de voorbijflitsende kettingen van licht, soms gestold tot geschreven tekst, wereldberoemde merknamen, felgekleurde reclameborden van supermarkten, van bars en restaurants, die de nachtelijke hemel verlichtten. Een woord als ‘geordend’ was hier waarschijnlijk niet op zijn plaats, op deze kustweg, en wie weet op dit continent. Heel zacht, snel weer onderdrukt, kwam de vraag bij me op wat me eigenlijk hierheen had gevoerd, maar hij was net luid genoeg om hem te herkennen toen hij zich de volgende keer, intussen dringender, aandiende. Maar goed, alsof dat reden genoeg was, gleden de geschubde stammen van palmen voorbij. Geur van benzine, van uitlaatgassen. Een lange rit.
Santa Monica, Madam? – Yes. – Second Street, Madam? – Right. – Ms. Victoria? – Yes. – Here we are.
Voor het eerst het blikken bord op de ijzeren schutting in het licht van de koplampen: hotel ms. victoria old world charm. Stilte. Alle ramen donker. Het was bijna middernacht. De chauffeur hielp me met de bagage. Een voortuin, een tegelpad, de geur van onbekende bloemen, die ’s nachts leek te worden verspreid, het zwakke schijnsel van een zacht schommelende lamp boven de voordeur, een belpaneel waarachter een papier met mijn naam was gestoken. Welcome, las ik. De deur was open, of ik maar binnen wilde komen, op het tafeltje in de hal lag de sleutel van mijn appartement, second floor, room number 17, the manager of Ms. Victoria wishes you a wonderful night.
Droomde ik? Maar anders dan in een droom verdwaalde ik niet, ik vond de sleutel, koos de goede trap, de sleutel paste in het juiste slot, de lichtschakelaar zat waar hij hoorde te zitten – ik knipper een keer met mijn ogen en zie alles voor me: twee staande lampen verlichtten een groot vertrek met een zithoek en aan de andere muur een eettafel met stoelen. Ik betaalde de taxichauffeur kennelijk tot zijn tevredenheid met het ongewone geld, dat ik gelukkig voor mijn vertrek in Berlijn had gewisseld, bedankte hem op gepaste wijze en kreeg, zoals dat hoorde, als antwoord: You are welcome, Madam.
Ik inspecteerde mijn appartement: behalve dit grote vertrek een aangrenzende keuken, twee slaapkamers, twee badkamers. Wat een verspilling. Hier zou met gemak een vierkoppig gezin kunnen wonen, dacht ik die eerste avond, later raakte ik aan die luxe gewend. Op tafel lag een welkomstboodschap van ene Alice, dat moest de medewerkster van het center zijn die de brieven met de uitnodiging had getekend, en waarschijnlijk was zij ook degene die heel zorgzaam brood, boter en wat te drinken voor me in de keuken had neergezet. Ik proefde overal van, het smaakte vreemd.
Ik realiseerde me dat het daar waar ik vandaan kwam al ochtend was, dat ik kon bellen zonder iemand in zijn slaap te storen. Na een paar vergeefse pogingen, waarbij een aantal overseas operators me had proberen te assisteren, slaagde ik erin op de telefoon in het piepkleine kamertje naast de voordeur de juiste cijfers in te toetsen, en achter het ruisen van de oceaan hoorde ik de vertrouwde stem. Dat was het eerste van de honderd telefoontjes naar Berlijn in de daaropvolgende negen maanden, ik zei dat ik nu dus aan de andere kant van de aardbol was neergestreken. Ik zei niet wat ik mezelf afvroeg: waar het allemaal goed voor was. Ik zei nog dat ik heel moe was en dat klopte ook, een vreemde vermoeidheid. Ik haalde nachtkleding uit een van de koffers, waste mijn gezicht en mijn handen, ging in het te brede, te zachte bed liggen en kon nog een hele tijd de slaap niet vatten. In alle vroegte ontwaakte ik uit een ochtenddroom en hoorde een stem zeggen: De tijd doet wat hij kan. Hij vergaat.
Dit waren de eerste zinnen die ik in het grote schrift met lijntjespapier schreef, dat ik uit voorzorg had meegebracht en op de smalle kant van de lange eettafel legde. En dat zich heel snel vulde met mijn aantekeningen, waar ik nu gebruik van kan maken. Intussen verging de tijd, zoals mijn droom me dat laconiek had meegedeeld, het was en is een van de meest raadselachtige dingen die ik ken en die ik naarmate ik ouder word steeds minder begrijp. In mijn ogen is het een wonder dat de straal der gedachten de tijdlagen terugblikkend en vooruitziend kan doordringen, en het vertellen maakt deel uit van dat wonder, omdat wij anders, zonder de weldadige gave van het vertellen, niet zouden hebben overleefd en niet zouden kunnen overleven.
Ik kan zulke gedachten bijvoorbeeld vluchtig door mijn hoofd laten spelen en tegelijk bladeren in de stapel papier die ik ’s morgens op de tafel van mijn appartement aantrof, een First day survival information van het center voor elke nieuwkomer. De dichtstbijzijnde levensmiddelenzaken, koffieshops en apotheken staan erin. De weg naar het center wordt beschreven, ook de huisregels staan erin, en natuurlijk wordt het dag en nacht bereikbare telefoonnummer vermeld. Restaurants en bistro’s worden aangeraden, maar ook boekhandels, bibliotheken, toeristische routes, musea, pretparken en stadsgidsen, en niet in de laatste plaats worden de onwetende nieuweling de gedragsregels bij een eventuele aardbeving ingepeperd. Ik liet het allemaal goed op me inwerken, bestudeerde ook de lijst met de andere stipendiaten uit verschillende landen, die de komende zes maanden mijn collega’s zouden zijn en zich tot leden van een vriendschappelijke commune zouden ontwikkelen en die intussen weer in alle windstreken, dat wil zeggen in hun landen van herkomst, zijn verstrooid.
Pas na mijn verblijf heeft er een zware aardbeving plaatsgevonden in de stad die permanent bedreigd wordt door de San Andreasbreuk, die eronderdoor loopt en waar grote aardplaten langs elkaar schuiven. Als iemand mij een beschrijving van de wereld van vandaag had gegeven, had ik die niet geloofd, hoewel mijn toekomstvisie somber genoeg was. Er is niets meer over van het restje argeloosheid waarover ik in die tijd nog moet hebben beschikt. Gebleven is een moeilijk te realiseren voornemen, dat onuitgevoerd en dus permanent overeind blijft: het spoor van de pijn volgen.
Daar heb ik het later vaak met Peter Gutman over gehad, maar hem kende ik die eerste ochtend nog niet, hij zou een van de laatste collega’s zijn die ik leerde kennen, en we hebben er toen om moeten lachen. Er werd trouwens veel gelachen in de lounge van het center als we samen de thee dronken en de koekjes aten die Jasmine, de jongste van de beide secretaressen in de office, elke morgen stipt om elf uur en ’s middags om vier uur voor ons klaar had gezet, tegelijk met de kranten uit alle landen waar we vandaan kwamen, natuurlijk Amerikaanse, maar ook Italiaanse, Franse, Duitse, Zwitserse, Oostenrijkse, zelfs Russische, hoewel er geen Rus in ons gezelschap was, allemaal in net zulke houders als in een Weens koffiehuis, allemaal één of twee dagen oud, wat ons een weldadige afstand veroorloofde tegenover de onplezierigste berichten die we erin aantroffen en die we soms hoofdschuddend aan elkaar voorlazen, alsof we een wedstrijd hielden om de meest trieste toestanden in de landen waar we vandaan kwamen.
Ik geloof niet dat ik me vergis als ik zeg dat ik in onze kring nieuwsgieriger werd bekeken dan ieder ander. Niet alleen was ik de oudste, daar moest ik aan wennen, het was mijn land van herkomst dat mij een speciale positie verschafte. Niemand was zo tactloos me er rechtstreeks op aan te spreken, maar iedereen wilde natuurlijk graag weten hoe iemand zich voelt die rechtstreeks uit een ten onder gegane staat komt.
Het ochtendlicht viel elke dag door het tralieraam in mijn slaapkamer, gefilterd door wat ranken die zich langs de muur van ms. victoria omhoog hadden gewerkt en gedeeltelijk mijn raam hadden bereikt. Mijn ochtenddromen spoelden woorden naar me toe, die ik later noteerde: ‘Heilloos’, lees ik, afkomstig uit een verband dat verloren is gegaan. Eerst in bed, daarna op de rand van mijn bed, deed ik de paar oefeningen die ik mezelf had opgelegd, omdat ik, alleen in dit verre vreemde land, niet ziek of immobiel mocht worden, daarna stapte ik in de kleine badkamer die ik had uitgekozen onder de douche, waarvan de kop, anders dan in Europa, vast op de muur was gemonteerd, zodat er speciale technieken voor nodig waren om alle lichaamsdelen nat te krijgen. Het ontbijt dat ik genoot tijdens het luisteren naar de voor mij onbegrijpelijk muziek en naar het voor mij onbegrijpelijke nieuws van het lokale radiostation van Los Angeles, stelde ik met intussen geroutineerde handgrepen samen uit gedeeltelijk ongebruikelijke bestanddelen, muffins, waarom eigenlijk niet, een vreemd müslimengseltje en de sinaasappelsap die mij na een paar missers het meest drinkbaar leek, alleen met de koffie moest ik nog experimenteren, ik moest iemand vinden die de koffiesmaak van de Germans kende en mij van de tientallen blikken bij pavilions het merk kon aanraden dat die smaak het best benaderde. (In de ddr was er op een gegeven moment bijna een opstand uitgebroken toen de regering, om de kostbare ‘echte’ bonen aan te lengen, de bevolking een ongenietbare koffiemix voorschotelde, die echter, toen in de bedrijven de protesten zo hoog opliepen dat er met stakingen werd gedreigd, vlug weer uit de handel werd genomen.)

Bill, die vóór mij in het appartement had gewoond en bij een vriend was ingetrokken, had diverse exotische kruidenmengsels voor me achtergelaten en een flinke batterij flessen – olijfolie, balsamicoazijn, goede whisky en Californische wijnen. Op zijn laatste dag in de stad had hij me mee uit eten genomen naar de Italiaan in Second Street en had hij me liefdevol en ironisch ingewijd in de gebruiken van het oude ms. victoria en in die van het jonge center. Het gekke is, had hij gezegd, dat je de geschiedenis van good old Europe nergens beter kunt bestuderen dan hier in de Nieuwe Wereld. Ze verzamelen als bezetenen alles wat te maken heeft met het oude continent, alsof ze er hier in elk geval een kopie van willen hebben als Europa door atoombommen of andere rampen ten onder zou gaan. Bill schreef over de geschiedenis van het katholicisme in Spanje en Frankrijk en rekende me voor hoeveel duizenden mensen het slachtoffer waren geworden van de verschillende christianisatiegolven in die landen. Bij elke kolonisering, zei hij, werd om te beginnen de religie, het geloof van de onderworpenen, uitgeroeid om de mensen hun identiteit te ontnemen. Bovendien, en misschien klonk dat ongeloofwaardig, hadden de veroveraars op grond van een diepzittend minderwaardigheidscomplex de dringende behoefte om niet alleen hun wapens, niet alleen hun goederen, maar ook hun geloof en gedachtewereld superieur te vinden. Vertel mij wat, had ik gezegd, en Bill, de Engelsman, had me onderzoekend aangekeken: Jullie komen daar op dit moment zeker net achter! Hij vroeg niet om een reactie. Soms, als ik ’s avonds van zijn voorraad een glas wijn dronk, hief ik in gedachten het glas met hem.
Heel vaak ging ik ’s morgens op pad, door de bloeiende voortuin van het ms. victoria, vol vreemde planten en met in het midden in een rond perk een pomeransboompje, waarvan ik de vruchten rijp zag worden. De auto’s slopen hier in hun volle extreme breedte voorzichtig op de kruisingen af, ze stopten beleefd, zelfs als er in het verkeerslicht geen groen mannetje te zien was dat de voetgangers walk toestond, ze deinden zacht in hun vering, vriendelijke, goed geklede en zorgvuldig gekapte vrouwen of smarte mannen in donkere pakken met stropdas en kraag boden de voetgangster van achter hun stuur met nonchalante gebaren voorrang aan, zonder enige haast stak ik California Avenue over; zag ik de in november, december felrood bloeiende bomen langs de straat nog wel? Herfstbladeren, grijze, nevelige dagen bleven me dat jaar bespaard, maar werden me ook onthouden. Miste ik ze al?
Ik kan het center op ieder willekeurig moment voor mijn innerlijk oog laten verrijzen, in die tijd een veel verdiepingen tellend zakelijk kantoorgebouw, dat intussen allang is vervangen door een spectaculair postmodern gebouwencomplex hoog boven de stad. Een brede buitentrap dus, die omhoogloopt naar een rij zuilen waartussen ik mezelf dagelijks naar de enorme spiegelende glazen vleugeldeuren toe zag lopen. Van de zes mogelijke deuren trok ik altijd dezelfde open en liep dan de reusachtige hal in, waar dag in dag uit op altijd dezelfde plek altijd dezelfde man was geposteerd, portier of bewaker, die bezoekers die zijn voorkeur genoten begroette door zijn rechterarm uit te steken en vertrouwelijk met zijn vingers te knippen, en die zijn waakzame blik ook door de uitgestrekte lokettenhal van de First Federal Bank liet dwalen waar de hal aan de rechterkant in overging. Dat was trouwens de bank waaraan ik al verscheidene keren mijn tweewekelijks aankomende cheque had toevertrouwd en die me weliswaar mondeling en schriftelijk had verzekerd van zijn dankbaarheid voor mijn bewijs van vertrouwen, maar van zijn kant weinig vertrouwen in mijn financiële degelijkheid had getoond; want nog altijd miste ik de atm-card, die me in staat zou stellen contant geld, cash, uit de geldautomaat te halen, wat de dames achter de loketten telkens weer uitdrukkelijk hadden betreurd om me vervolgens gerust te stellen, terwijl ik steeds sterker de indruk kreeg dat zij of hun onzichtbare superieuren het verstrekken van dat belangrijke document opzettelijk op de lange baan schoven, omdat ze zich er eerst van wilden overtuigen dat het saldo van deze klant weliswaar niet met sprongen, maar toch constant opliep en nauwelijks gevaar liep plotseling in te storten. Ik kon steeds weer in de lach schieten als ik bedacht hoe uiteenlopend de redenen voor wantrouwen jegens mij waren in de verschillende maatschappelijke formaties waarin ik had geleefd en leefde.
In elk geval zag ik ervan af naar de loketten van de bank af te slaan, liep linea recta naar de liften en registreerde niet zonder genoegdoening dat de portier – bewaker? – me voor het eerst begroette met het gebaar dat was voorbehouden aan diegenen onder de talloze bezoekers van dit gebouw die hij had opgenomen in de inner circle van mensen die erbij hoorden. How are you today, Madam? – O great! – Voor elk welbehagen bestaat een vergrotende en een overtreffende trap.
Van de vier liften nam ik zoals altijd de tweede van links, waarna ik bewonderend de jongedame van de staff bekeek, die tegenover me stond en, superslank in haar strak zittende mantelpakje, met op haar vlakke hand een van goudpapier gemaakte zwaan, een cadeautje, naar boven zweefde, naar de hogere sferen van de tiende verdieping, waar ik nooit kwam. How are you today? – Fine, hoorde ik mezelf zeggen, een teken dat zich nieuwe reflexen vormden, want nog maar kortgeleden, gisteren nog, had ik in mijn hersens moeten spitten om een toepasselijk snel antwoord te vinden, dat pretty bad had kunnen luiden – waarom eigenlijk? Daar zou ik later over na moeten denken – maar nu had ik begrepen dat ik alleen werd geacht te gehoorzamen aan een ritueel, dat ik opeens niet meer leugenachtig en oppervlakkig, maar bijna humaan begon te vinden. Elevatorsyndrom.
Zoals altijd stapte ik uit op de vierde verdieping, waar de zwarte securityman me al bij mijn naam wist aan te spreken en me een envelop overhandigde die voor me was afgegeven; waar ik automatisch mijn hand naar het juiste haakje in het sleutelkastje uitstak voor de identitycard, voorzien van een foto, te bevestigen op het revers, nog een belangrijk teken dat ik erbij hoorde, en daar kwam het tenslotte op aan.
Soms nam ik een van de twee trappen naar de zesde verdieping, soms, als mijn gewrichten te veel pijn deden, ging ik met de lift. De weg tussen de rekken waarin de foto’s van alle kunstwerken van alle eeuwen en alle continenten zijn gearchiveerd, vonden mijn voeten in hun eentje, het overkwam me niet meer dat ik een verkeerde sleutel in een verkeerde deur stak. Ik deed dus de deur van mijn kantoortje open en was al zo blasé dat ik niet meer elke ochtend automatisch naar het grote raam liep om achter Second Street en een rij huizen en een rij palmen, met een gevoel dat devotie benaderde de Stille Oceaan aan mijn voeten uitgestrekt te zien. De telefoon. Het was Berlijn, de stad was gekrompen tot één stem, die ik per se elke dag wilde horen. De stem wilde me herinneren aan de Oostzee. De Oostzee, waarom ook niet. Een mooie, aardige zee, die dat ook zal blijven, en dat ik het in een grandioos landschap op de duur niet uithoud, in de Alpen bijvoorbeeld, dat is bekend. Maar het gevoel dat er tot Japan niets meer komt, gewoon alleen maar steeds die oneindige watervlakte! Waren mijn gevoelens overdreven?
Ik legde mijn tas neer, waarin ik het stapeltje papieren met me meedroeg dat mij twee jaar daarvoor na de dood van mijn vriendin Emma ten deel was gevallen en dat me, dat is niet te veel gezegd, na aan het hart ging: brieven van een zekere L., van wie ik alleen wist dat ze in de vs had geleefd en nauw bevriend geweest moest zijn met mijn vriendin Emma, haar leeftijdgenote. Ook vanwege die brieven was ik hiernaartoe gekomen en ik koesterde de illusie dat ik er hier achter zou kunnen komen wie die ‘L.’ eigenlijk was.
Ik ging naar de office, zwaaide in het voorbijgaan door openstaande deuren, waar mijn tijdelijke collega’s in hun cel voor hun computer zaten, als ze niet ergens in het uitgestrekte gebouw in de bibliotheek of in archieven een spoor volgden of in de stad andere wetenschappers ontmoetten. Soms benijdde ik hen om hun vastomlijnde arbeidsprofiel, zonder nadenken konden ze hun vak benoemen, architectuurgeschiedenis of filosofie of literatuur- en kunstwetenschappen, filmgeschiedenis, zelfs middeleeuwse literatuur kwam voor, en allemaal konden ze ook zondermeer het onderwerp van hun studie opdreunen, waar ze hier een eind mee dachten op te schieten, terwijl ik door een vraag naar mijn werkplannen in verlegenheid werd gebracht. Of moest ik toegeven dat het enige wat ik in handen had een stapeltje oude brieven van een dode vrouw was en dat ik gewoon nieuwsgierig was naar de schrijfster ervan, die jaren geleden, toen ze die brieven aan mijn eveneens overleden vriendin Emma schreef, in deze stad moest hebben geleefd? En dat de uitnodiging voor een verblijf hier mij ook om die reden van pas was gekomen, en dat ik nu gebruik maakte van het privilege dat men van een schrijfster van literaire boeken geen al te nauwkeurige informatie over haar project mocht vragen. Zelf vond ik het heel waarschijnlijk dat ik geen geluk en succes zou hebben met mijn plan, en nog altijd vind ik het een ongelooflijk toeval dat ik uiteindelijk, althans met dit project, wel geluk en succes heb gehad. Als ik die slecht passende woorden hier bij wijze van uitzondering mag gebruiken.
Het minst pijnlijk vond ik trouwens mijn ontwijkende manoeuvres – die ik misschien alleen zelf zo voelde – tegenover de beide secretaresses van de afdeling, Kätchen en Jasmine: de een van middelbare leeftijd, uiterlijk nogal onopvallend, maar bekwaam en ervaren in alles wat het center betrof, absoluut betrouwbaar en discreet, en geroutineerd in de technische vaardigheden waar juist ik in het begin hulp bij nodig had en, iets wat we allemaal wisten te waarderen, vol medeleven als het ging om moeilijkheden en tegenslagen voor bijvoorbeeld een lid van onze community. De ander, Jasmine, blond en jong, rank en slank en een genot voor het oog van de mannen, was verantwoordelijk voor ons lichamelijk welzijn, voor de inkomende en uitgaande post en voor alle zaken buitenshuis, dus het organiseren van ontmoetingen met andere mensen uit de stad, waar ook uitnodigingen in allerlei restaurants door een van de scholars bij hoorden, want de medewerksters van de afdeling wisten dat zij ervoor verantwoordelijk waren dat nieuwkomers zich in deze vreemde omgeving zo gauw mogelijk thuis voelden.
Ik haalde de post uit mijn vakje, Jasmine gaf me een paar kranten en Kätchen zei dat ze nog geen reactie had gekregen op mijn verzoek om informatie die ze bij de libraries van de universiteit en van de stad voor me had opgevraagd. Maar ze vond het toch al onwaarschijnlijk dat daar, of waar dan ook, een volledige lijst van Duitse emigranten zou bestaan die hier in de jaren dertig en veertig hun toevlucht hadden gevonden. Hoewel, zei Lutz, mijn vele jaren jongere landgenoot, een kunstwetenschapper, die in het aangrenzende vertrek stond te kopiëren, hoewel het schier onmogelijke hier mogelijk was, waar, indien niet hier. Hij kwam meteen met het voorbeeld van de foto van een schilderij van een lang vergeten en pas recentelijk herontdekte schilder die hij bestudeerde. Nadat alle archieven van Europa hadden gemeld dat de foto was verdwenen, had hij hem gewoon hier in het archief gevonden. Dat kan wel, zei ik, een beetje verlegen, maar ik weet van de gezochte vrouw zelfs niet hoe ze heet. Het enige wat ik heb is een letter, waarschijnlijk van haar voornaam, en die letter was L. Tja, zei Lutz, dat was inderdaad een bijzonder moeilijk geval. Dan kon hij me ook niet goed verder helpen, zei hij terwijl we naar de lounge liepen, omdat het intussen theetijd was en ook de anderen zich daar zouden verzamelen.
In de lounge, waar het Californische licht ongehinderd door een enorme glazen wand stroomde en waar je het oog over de Stille Oceaan kon laten glijden en je van links naar rechts de grote boog van de zon kon volgen, een beeld dat ik telkens weer adembenemend vond en dat sindsdien vaker dan enig ander beeld uit dat jaar voor mijn geestesoog oprijst – daar zaten ze, iedereen achter de krant uit zijn eigen land. Er begonnen zich weldadige gewoontes te ontwikkelen. Hi! groette ik, hi! was de reactie van achter de kranten. Er bestonden al een soort vaste plaatsen, de mijne was, toeval of niet, die tussen de beide Italianen: Francesco, die zich met architectuur bezighield, en Valentina, die voor een kort verblijf naar la was gekomen om in het beroemde museum van het center haar studie over een antieke figuur te voltooien. Ze had een kopje voor me neergezet, de thermoskan met thee binnen bereik, de Duitse krant waarop ze hier een abonnement hadden ook. Ik bedankte haar met een blik. Met haar bruine krullen en haar uit allerlei kleuren bestaande patchworkjack was ze weer eens heel erg mooi. Zoals altijd als we elkaar zagen, keek ze me stralend aan. Ik schonk dus thee in, vouwde de krant open en las wat er drie, vier dagen geleden in Duitsland voor de krant de moeite waard was geweest. Ik las dus dat een collega die ons land een paar jaar voor het was ingestort had moeten verlaten maar toch een soort gelijkgezinde was geweest, zich nu ontpopte als een radicale criticus van iedereen die in de ddr was gebleven in plaats van dat land net als hij vol afschuw te verlaten. Ik las dat hij de ‘revolutie’ van de herfst van 1989 verweet dat ze zonder bloedvergieten was verlopen. Er hadden koppen moeten rollen, las ik, en dat we te timide en te laf waren geweest. Dat werd geschreven door iemand wiens kop in elk geval nooit enig gevaar had gelopen, dacht ik, en ik merkte hoe ik in stilte met die collega begon te discussiëren.

[...]

Oorspronkelijke titel en uitgave Stadt der Engel oder The Overcoat of Dr. Freud, Suhrkamp Verlag, Berlijn 2010
© Suhrkamp Verlag Berlijn 2010
Nederlandse vertaling © 2011 Gerrit Bussink / Uitgeverij Van Gennep

Uitgeverij Van Gennep

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum