Leesfragment: Tacitus, impressionistischer

22 februari 2010 , door Vincent Hunink, Daan Stoffelsen
| | | | |

Vrijdag 9 december 2011 ontvangt vertaler Vincent Hunink een van de drie vertaalprijzen die het Nederlands Letterenfonds elk jaar uitreikt. Hunink krijgt deze prijs voor zijn literaire non-fictie vertalingen uit het Latijn. Ter ere van dit heuglijke feit hernemen we deze Nacht een interview met Hunink uit 2010, waarin hij over zijn werk spreekt. [update: een vervolginterview (pdf) is te lezen in de publicatie van het Letterenfonds]

‘Ik ben, zo kun je me denk ik het beste beschrijven, een man van woorden. Mijn vak is lezen, schrijven, dat kan ik tenminste. Voor een vertaling ben ik eigenlijk continu op zoek naar het juiste woord, je vertaalt de hele dag door. De zinnen blijven hangen in je hoofd, je schrijft ze op. Je zoekt de vervreemding op: je leest de tekst na in het vliegtuig, of in de sauna, of ’s ochtends vroeg aan de keukentafel, aan het strand, je probeert even niet de vertaler maar de lezer van de tekst te zijn. Je moet dat Latijn ook gewoon kunnen negeren.’

We spraken Hunink, vertaler van onder andere Tacitus' Historiën, over het loslaten van vertaalroutine, over de charme van fragmentarische teksten, en over het impressionisme en de dubbellagigheid van Tacitus. En we vergeleken zijn oude vertaling van De opstand der Bataven met de nieuwe.

 

Een heel andere aanpak

‘Ik ben eigenlijk in 1997 begonnen met Tacitus. In 2000 kwam mijn vertaling van Leven van Agricola en De Germanen, in 2003 van de Dialogus (Tegen het verval van de retorica) en in 2005 het deel van de Historiën dat over de Bataafse Opstand gaat (De opstand van de Bataven). Dat laatste was een enorme klus, het is al een groot stuk van de Historiën, maar ik was niet helemaal tevreden. Ik heb daarna een tijdje niet naar Tacitus omgekeken. Eigenlijk kun je het ook nooit goed doen. Altijd klaagt er iemand, men vindt het aardig, maar net niet kloppen. Ik had de moed eigenlijk opgegeven met Tacitus. Het keerpunt kwam toen ik eind 2008 gevraagd werd om voor Hermeneus een paar fragmenten van de Annalen te vertalen. Ik had dat toegezegd, maar schoof de klus steeds voor me uit.

Toen moest ik wel, de deadline naderde, en ik besloot het eens heel anders aan te pakken. Het ging om een slagveldscène van het leger van Germanicus in het Teutoburgerwoud, een standaardscène, waarbij Tacitus met bitterheid de nederlaag van Varus in herinnering roept. Ik besloot om het impressionistisch te vertalen.

Tacitus, Annalen 1.60, in Hermeneus 81, 2009, 108-113: ‘De Chauci zegden hulp toe en zij kregen een plaats in de troepenmacht. De Bructeri waren hun eigen gebied aan het platbranden. Lucius Stertinius, die met lichtbewapende troepen door Germanicus was uitgezonden, joeg ze uiteen. Tijdens het moorden en buitmaken vond hij iets: het adelaarsteken van het negentiende legioen. Verloren gegaan samen met Varus.

Vandaar trok de legerstoet naar het verst weg gelegen land van de Bructeri. Alles tussen Ems en Lippe werd grondig verwoest. Zo kwamen ze in de buurt van het Teutoburgerwoud. Daar zouden, naar verluidde, resten liggen van Varus en zijn legioenen, onbegraven.’

Zo kon het dus ook! Dit was een mogelijkheid om die Historiën te lijf te gaan. Als een bezetene ben ik toen begonnen te herschrijven – ik had die eerste capita al eerder vertaald, maar niet tot tevredenheid, en nu pakte ik ze impressionistischer aan, harder, zodat die prachtige bitterheid beter naar voren kwam.

Wikken, wegen, bikken, schaven

Gaandeweg formuleerde ik mijn principes. Ik zou zinnen opsplitsten waar mogelijk, streven naar korte zinnen. Het is een misverstand dat Tacitus alleen van de lange perioden was, daar stuit je op in zijn Annalen, maar dit vroegere werk is beknopter, directer. Fraaier, vind ik ook. En als je dan recht wilt doen aan de eigen taal van een auteur, wat de belangrijkste regel is voor een vertaler, dan moet je dus ook de lengte van de zinnen aanpassen.

Ik zou geen woord te veel laten staan. Ik heb letterlijk ieder woord gewikt en gewogen. Veel lidwoorden kun je missen bijvoorbeeld, maar ook veel voegwoorden, vooral die die tegenstellingen en reden aanduiden. Maar, want, toch, omdat – het staat alleen in de vertaling als het er ook in het Latijn stond. Ik heb veel boeken gemaakt, en dan heb je een zekere routine waarbij je onhandigheden wegstrijkt, maar nu heb ik dingen vager gelaten dan ik het zelf interpreteer.

Ik zou recht doen aan allerlei stilistische kenmerken, en dus ondanks dat andere principe niet te veel korte zinnetjes met korte woorden laten staan. Ik zou kiezen voor zinnen zonder werkwoorden als Tacitus dat ook deed. Ik zou het praesens historicum handhaven. Toen ik Sallustius vertaalde, maakte ik van die vertellende tegenwoordige tijden gewoon een verleden tijd. Daar doen we niet aan in het Nederlands, vond ik, met dat stijlmiddel kunnen we niets. Maar daar ben ik op terug gekomen, het is lang niet zo gek meer om af en toe een tegenwoordige tijd te gebruiken. Ik zie mijn studenten het ook doen. En het heeft een functie natuurlijk, foregrounding, verlevendiging, het maakt een tekst op goede momenten statischer, impressionistischer.

Ik heb ook, anders dan vroeger, verzelfstandigde bijzinnen gebruikt, en wel eens twee hoofdzinnen met een komma gescheiden. Vroeger was ik dan ook veel braver dan nu, en het Nederlands is ook vrijer geworden. Ik weet dat er classici zijn die dat taalverloedering noemen, die het Nederlands willen beschermen, maar het is nog steeds een mooie, prettige taal, veel mooier dan het Engels. Ik heb wel eens naar het Engels moeten vertalen, en dat blijkt veel strikter te zijn, er is veel minder ruimte voor stilistische variatie.

Het werd een proces van veel bikken, schaven en slijpen. Ik kon anderhalf, twee uur bezig zijn met de eerste versie van een paragraafje, dus met niet meer een derde pagina. De dag erna herzag ik het, printte ik het uit voor een frisse blik. Later herzag ik het dan nog een keer: waar kan het nog harder, waar nog snijdiger? Er is veel tijd in gaan zitten. En ik vind het niet erg om veel te werken, maar het werk moet wel opschieten. Het heeft ongeveer een heel jaar gekost, met bijeengesprokkelde avonden, zondagochtenden, een klus die mijn hele vrije tijd opslokte, en dat kon alleen door een bepaalde obsessiviteit.

De Historiën als bron en als literatuur

Tacitus vertalen was dan ook eigenlijk onvermijdelijk. Ik houd van kleine werken, ik houd van proza, niet van poëzie, niet van klassieke poëzie althans. En dan waren die eerste werken die ik van hem vertaalde, de Agricola, de Dialoog, De Germanen, ook nog eens heel erg Tacitus, met die bittere toon en die strakke stijl. De Germanen ging ook nog eens over ons. En dan paste hij goed in het rijtje van Caesar en Sallustius, die ik al eerder vertaalde. Ten slotte is Tacitus gewoon verschrikkelijk mooi.

En niet altijd even duidelijk, dat is waar. De Bataafse Opstand is heel ingewikkeld, met allerlei veranderende loyaliteiten en vijanden van Rome met Romeinse namen. Maar ik verdenk Tacitus ervan dat hij opzettelijk verwarring wil scheppen, de grenzen tussen vriend en vijand wil vervagen, de gruwel van burgeroorlog wil benadrukken. Lucanus heeft dat bijvoorbeeld ook gedaan.

Die hele Opstand was natuurlijk een ding van niets. Het is evident dat Tacitus er iets mee wilde, hij geeft wel heel veel aandacht aan iets dat je makkelijk als gerommel in de marge kunt kwalificeren. Ik denk dat hij het als een potentieel heel gevaarlijk incident inschatte, dat hij wilde waarschuwen dat zoiets onbenulligs het Rijk in de vernieling kon helpen. Je moet je bedenken dat de Bataven geen woeste barbaren zijn – al ontkomt Tacitus niet helemaal aan dat cliché –, dit zijn trouwe bondgenoten, goede vechters die zelfs in Rome als lijfwachten worden ingezet, prima lui. En die komen in opstand!

Je kan daar dus moralistische motieven in lezen, maar Tacitus is bovenal een realist. Hij moest ook wel, hij werd voor de topfunctie van consul aangewezen tijdens de heerschappij van Domitianus, eigenlijk was hij een collaborateur. Moreel maagdelijk wit was hij in ieder geval niet en zou hij niet meer worden. Ik lees die dubbelzinnigheid en ambivalentie ook in zijn werk, dat maakt het juist ook interessant.

Er is de bewondering voor het oude Rome, de mores van de Republiek – alleen, dat kan niet meer hersteld worden. Dus zoekt hij binnen het Keizerrijk naar de oude Romeinse waarden, probeert de goede keizers eruit te halen, die voor overleg kozen, die het volk niet uitzogen, die in ieder geval een functioneel morele onkreukbaarheid hadden. Hij is op zoek naar mensen die redden wat er te redden valt. Dat betekent niet dat hij sympathiseert met de Republikeinse oppositie in de Senaat, hij neemt het niet op voor hen die terug willen naar de oude tijd. Die meer-dimensionaliteit, die meerlagigheid, die maken Tacitus ook interessant.

Dat boeit mij meer in de Historiën dan de feiten die het werk beschrijft. De vraag is ook sterk of Tacitus’ tijdgenoten van hem verwachtten dat hij een objectieve bron was. Historiografie was immers literatuur. Wel zullen ze geïnteresseerd zijn in wat er nu was gebeurd, maar het is niet te vergelijken met hoe wij inmiddels omgaan met Tacitus. Hij is als bron verschrikkelijk belangrijk voor historici. Maar ook literair is hij zeer de moeite waard, en dat heeft mijn interesse. De vormgeving, de taal, de hogere stijlelementen, daar kijk ik naar. Als ik wil weten hoe het zat dan lees ik de geschiedenisboeken wel.

Dat is natuurlijk een keuze. De vertaling die M.A. Wes van de Annalen maakt is heel duidelijk bedoeld voor historici: keurig vertaald, goed leesbaar, de gaatjes opgevuld. Hier en daar heeft hij wel een kleinigheidje van de stijl gehandhaafd. Hij gebruikt voetnoten, inleidende teksten, dingen die ik probeer te vermijden. Bij mijn vertaling van de Historiën zit een omschrijvende index, maar dat had van mij niet gehoeven. Wes vertaalt voor mensen die zich afvragen: hoe ging dat toen. Beide benaderingen hebben natuurlijk hun bestaansrecht.

De charme van het fragmentarische

Bovendien heeft de Historiën door zijn overleveringsgeschiedenis beperkingen als bron. We hadden graag over de verwoesting van Jeruzalem gelezen, maar die staat niet meer in het ene handschrift dat we hebben. Ook in de andere verhaallijnen eindigt de Historiën onlogisch: is Civilis nog gekielhaald, hoe komt Vespasianus uiteindelijk Rome binnen?

We hoeven ook niet meer te verwachten dat de ontbrekende delen nog opduiken – Tacitus schreef natuurlijk ná de vernietiging van Herculaneum, en daar zullen we hem dus niet meer vinden. Voor archaïsche Latijnse poëzie staan de kaarten wat dat betreft gunstiger. Maar misschien is dat ook de charme hoor. Ik ben sowieso erg vóór fragmentarische teksten, je blijft als het ware op je honger zitten. Neem Plutarchus: als we nu maar wat losse delen van de Moralia hadden gehad, en bijvoorbeeld maar één leven, dan had toch iedereen dat gelezen? De paradox is dat volumineuze werken minder toegankelijk zijn. Dus ik ben eigenlijk wel tevreden met die paar boeken die we over hebben van de Historiën.

En de Annalen? Als ik tijd van leven heb, ja, dan wil ik het nog wel doen. Maar het maken van deze vertaling liep niet altijd even soepel. Het ligt een beetje aan de ontvangst. Als er belangstelling naar is, dan zal ik, met een mengeling van grootheidswaan en zelfvernedering, de knop omzetten. Dan komt ook die vertaling er.’

Zoek de verschillen: tweemaal de Bataafse Opstand

Hunink vertaalde de delen van de Historiën waarin de opstand van de Bataven werd beschreven al eerder in 2005, en het verschil in vertaalstrategie is goed zichtbaar. We zetten de vertalingen naast elkaar met de originele Latijnse tekst en opmerkingen van de vertaler.

Latijn  Igitur Civilis desciscendi certus, occultato interim altiore consilio, cetera ex eventu iudicaturus, novare res hoc modo coepit. Iussu Vitellii Batavorum iuventus ad dilectum vocabatur, quem suapte natura gravem onerabant ministri avaritia ac luxu, senes aut invalidos conquirendo, quos pretio dimitterent: rursus impubes et forma conspicui (et est plerisque procera pueritia) ad stuprum trahebantur. Hinc invidia, et compositae seditionis auctores perpulere ut dilectum abnuerent.
2005     Civilis was nu vastbesloten tot afvalligheid. Voorlopig verborg hij zijn diepere bedoelingen - hij zou zien hoe de dingen liepen - en begon als volgt onrust te stoken.Op bevel van Vitellius werd er een lichting onder jonge Bataven gehouden. Dat was op zichzelf al een last, maar het werd nog bezwaard door de corruptie en perversie van de uitvoerenden: die selecteerden oude of zwakke mannen om ze tegen betaling weer te laten gaan, terwijl ze anderzijds de mooiste jonge jongens (en die hebben daar doorgaans al vroeg een rijzige gestalte) meevoerden en zich aan hen vergrepen. Dat zette kwaad bloed en er werd een opstand op touw gezet: de aanstichters bepleitten dienstweigering.
2010     Civilis was vastbesloten tot rebellie. Voorlopig verborg hij zijn diepere bedoelingen: hij zou wel zien hoe alles liep. Hij begon als volgt onrust te stoken.
Op bevel van Vitellius werd een lichting onder jonge Bataven gehouden, een grote last op zichzelf, nog verzwaard door corruptie en perversie van de uitvoerenden. Zij selecteerden oude of zwakke mannen om die tegen betaling weer te laten gaan, terwijl ze anderzijds de mooiste jonge jongens (en die zijn daar doorgaans al vroeg uit de kluiten gewassen) meevoerden en zich aan hen vergrepen. Dat zette kwaad bloed, er werd een opstand op touw gezet, de aanstichters bepleitten dienstweigering.
Hunink  ‘Vooral in de vierde zin van deze passage heb ik gesnoeid, een overbodig voegwoord en verwijzingen eruit gehaald. En ik heb lang getwijfeld over een goede vertaling van procera pueritia die tegelijk de mannelijke homo-erotiek uitdrukt en iets martiaals houdt.’

Latijn  Civilis primores gentis et promptissimos vulgi specie epularum sacrum in nemus vocatos, ubi nocte ac laetitia incaluisse videt, a laude gloriaque gentis orsus iniurias et raptus et cetera servitii mala enumerat:
2005     Civilis riep de stamleiders en de felste mannen bijeen in een heilig woud, zogenaamd voor een banket. Zodra hij zag dat ze door nacht en feestvreugde verhit waren, begon hij over de roem en glorie van hun volk, om vervolgens alle onrecht en afpersingen en andere slavernij-ellende op te sommen.
2010     Civilis roept de stamleiders en felsten van het volk bijeen in een heilig woud, zogenaamd voor een feestmaal. Zodra hij ziet dat ze door nacht en vreugde verhit zijn, begint hij over roem en glorie van hun volk, somt alle onrecht en afpersingen en andere slavernijellende op.
Hunink   ‘Dit is een goed voorbeeld van het praesens historicum dat ik nu wel als tegenwoordige tijd heb vertaald.’

Latijn  … neque enim societatem, ut olim, sed tamquam mancipia haberi: quando legatum, gravi quidem comitatu et superbo, cum imperio venire? Tradi se praefectis centurionibusque: quos ubi spoliis et sanguine expleverint, mutari, exquirique novos sinus et varia praedandi vocabula. Instare dilectum quo liberi a parentibus, fratres a fratribus velut supremum dividantur. Numquam magis adflictam rem Romanam nec aliud in hibernis quam praedam et senes: attollerent tantum oculos et inania legionum nomina ne pavescerent. At sibi robur peditum equitumque, consanguineos Germanos, Gallias idem cupientis. Ne Romanis quidem ingratum id bellum, cuius ambiguam fortunam Vespasiano imputaturos: victoriae rationem non reddi.
Magno cum adsensu auditus […]
2005    
Dit was toch geen bondgenootschap meer zoals vroeger? Ze werden nu behandeld als een soort slaven! Wanneer kwam er nog eens een volledig bevoegd gouverneur, zo bezwaarlijk en arrogant als zijn gevolg ook was? Nee, ze werden overgelaten aan prefecten en centurio's, en als ze die met hun bezit en bloed hadden verzadigd werden die gewisseld. Dan zocht men weer nieuwe zakken om leeg te schudden en allerhande excuses voor plundering. En nu stond er een lichting voor de deur. Die zou kinderen van ouders, broers van broers scheiden, misschien wel voorgoed. Maar nog nooit had Rome er zo slecht voor gestaan! En in het winterkamp vond je alleen buit en oude mannen. Ze hoefden de ogen maar op te slaan en moesten niet beducht zijn voor legioenen die er alleen in naam waren. Zelf hadden ze toch sterk voetvolk en ruiters? De Germanen waren toch hun bloedverwanten en de Gallische provincies wilden toch precies hetzelfde? Ja, zo'n oorlog zou zelfs Rome niet slecht uitkomen. Werd het geen onverdeeld succes, dan zouden ze zeggen dat het `voor Vespasianus' was, en bij een zege was er van verantwoording geen sprake.
Zijn woorden kregen groot applaus.
2010     Dit is toch geen bondgenootschap meer zoals vroeger? Behandeld als slaven! Wanneer komt er eens een bevoegde gouverneur, hoe bezwaarlijk en arrogant zijn gevolg ook is? Nee, ze worden overgelaten aan prefecten en centurio’s, en als die door buit en bloed zijn verzadigd worden ze afgelost. Dan zoekt men weer nieuwe zakken om leeg te schudden, en allerhande excuses voor plundering. Nu staat er een lichting voor de deur die kinderen van ouders scheidt, broers van broers, misschien wel voorgoed. Maar nog nooit heeft Rome er zo beroerd voor gestaan! En in het winterkamp heb je louter buit en oude mannen. Ze hoeven de ogen maar op te slaan zonder schrik voor legioenen die er alleen in naam waren.
Zelf hebben ze toch sterk voetvolk en ruiters? En de Germanen, hun bloedverwanten? En de Gallische provincies, die precies hetzelfde willen? Ja, zo’n oorlog komt zelfs Rome niet slecht uit. Wordt het geen onverdeeld succes, dan was het ‘allemaal voor Vespasianus’. En bij zege komt er geen verantwoording.
Grote bijval voor zijn woorden.
Hunink    ‘Ik ben erg gevoelig voor de vrije indirecte rede die Tacitus hier gebruikt. Daarmee kan je spelen, er een smaak aan toekennen. Tacitus schrijft Civilis hier een motief toe, maar laat er iets insinuerends insluipen. Als je het vergelijkt met de echte redevoeringen die hij opvoert, in de directe rede, dan zijn die heel klassiek. Het waren de makkelijkste passages om te vertalen. Een passage als deze heeft een heel ander stijlregister.
En die laatste zin is onherkenbaar verbeterd.’

 

MINDBOOKSATH : athenaeum