Leesfragment: Tijger, tijger

01 maart 2011 , door Margaux Fragoso
|

Deze week verschijnt Tijger, tijger (Tiger, Tiger, vertaald door Anne Jongeling), het autobiografische romandebuut van Margaux Fragoso. Deze Nacht kunt u er alvast een hoofdstuk uit lezen.

‘Mag ik met je spelen?’ Op een zomerdag in 1985 ontmoet Margaux Fragoso de veel oudere Peter Curran in het buurtzwembad en stelt hem precies die vraag.  Zij is zeven, hij is eenenvijftig. Wanneer Peter haar en haar moeder uitnodigt om bij hem thuis langs te komen, treft het meisje er een waar kinderparadijs aan. Haar moeder is niet in staat om goed voor Margaux te zorgen en leeft in een constante angst voor haar agressieve echtgenoot. Ze is Peter dankbaar voor alle aandacht die hij aan haar dochter besteedt en binnen de kortste keren brengt Margaux al haar tijd met Peter door. Gaandeweg neemt hij de rol aan van Margaux’ vriend, vader en minnaar.

3

 

Een slechte gewoonte

 

Toen we al drie achtereenvolgende weken op maandag en vrijdag bij Peter waren geweest, vanaf tien uur ’s morgens tot ongeveer halfvijf zodat we weer op tijd terug waren als papa thuiskwam, beging ik de blunder om voor Peters neus met mijn haar te gaan frunniken op de manier waar mijn vader zo’n hekel aan had: ik nam dan ongemerkt hele plukken tussen mijn vingers die ik ronddraaide en in de war maakte. Soms zat ik zo fervent te woelen dat ik hele bossen in onmogelijke knopen en klitten trok, die mama niet eens meer probeerde uit te kammen. We zaten in de tuin. Mama lag in een tuinstoel en ik stond bij het vogelbadje. Ik had net een hele tijd balletjes gegooid voor Paws.
‘O, mijn man en ik proberen haar dat af te leren,’ zei mijn moeder snel. ‘Dat hebben we Margaux keer op keer gezegd. Ik wou maar dat haar vader niet zoveel commentaar op haar had. Het is maar gewoon een zenuwtrekje, net zoiets als nagelbijten.’
‘Allemachtig, dat kind is zeven. Ik vind het wel snoezig. Ze voelt zich helemaal vrij en gelukkig als ze dat doet. Ik snap nooit waarom volwassenen altijd zoveel druk op kinderen moeten leggen.’ Mama haalde haar schouders op en Peter vervolgde: ‘Margaux, doe dat nog eens? Ga gerust je gang, dat mag hier in de tuin, doe waar je zin in hebt. Ga je gang, speel jij maar met je haar, hoor.’
Ik wilde niet. Als ik zo pal voor zijn neus aan mijn haar zat te frutselen, al zei hij dat hij het leuk vond om te zien, schaamde ik me eigenlijk nog meer dan de keren dat papa me ervoor op mijn donder gaf. Het enige wat ik niet leuk vond aan Peter was dat hij zo kon aandringen. Dus leidde ik snel zijn aandacht af en sprong bij hem op schoot zodat hij bijna met tuinstoel en al omviel.
‘Pas op!’ zei mama. ‘Je weet toch dat Peter een slechte rug heeft?’
Peter werd niet boos, hij begon me gewoon te kietelen. Later kwam Ricky ook naar buiten en toen gaf Peter hem de tuinslang om me nat te sproeien. Hij zat ons allebei achterna totdat Ricky er genoeg van kreeg en weer verdween. Naarmate de uren in de tuin voorbijvlogen, werden onze schaduwen steeds langer. Na een poosje zei mama dat het beter was als we maar naar huis gingen voor het avondeten. ‘Waarom blijven jullie niet barbecueën?’ vroeg Peter. ‘Was het niet vrijdag kliekjesdag voor Louie?’
‘Ja, op vrijdag gaan ze altijd na het werk naar het café,’ zei mama. Peter schudde zijn hoofd.
Terwijl Peter hotdogs stond te grillen, wandelde Inès de tuin in met een sandwich op een wegwerpbordje. ‘Wil je niet liever een hotdog?’ vroeg Peter. ‘Nee, dank je, ik heb hier al een volkorenbroodje met olijvenmortadella,’ zei Inès, en ging met haar sandwich en een boek op een gebloemde handdoek liggen. ‘Ik heb ook een broodje voor de jongens gemaakt. ’ Ze noemde haar zonen altijd ‘de jongens’.
Toen Inès later opstond om een belletje te plegen, liet ze haar nauwelijks aangeroerde broodje op het badlaken achter terwijl wij ons te goed deden aan gegrilde hotdogs en bonen met worst die we direct uit het blik lepelden. Onderweg naar huis vertelde mama dat ze langs Inès’ handdoek was gelopen en had gezien dat het broodje was overdekt met krioelende, piepkleine bruine mieren; blijkbaar had Inès ervan gegeten zonder er iets van te merken.
‘Ze is een dromer, net als jij,’ zei mama.

Mama vond het soms leuk om Peter op de kast te jagen met vreselijke verhalen over papa. Ik ging met ze meedoen, en op een vrijdagmiddag zaten we ons met ons drietjes vrolijk te maken over papa tijdens de lunch bij Blimpie op Bergenline Avenue. Mama had een broodje tonijn en Peter en ik aten samen Italiaans brood dat was doordrenkt van olie en azijn en belegd met salami en provolone, toen mama over papa’s obsessie met een keukenkastje begon.
‘Hij heeft alles in dit kastje als een pietje-precies neergezet: elke pen heeft zijn eigen plekje, de zakdoek is lijnrecht opgevouwen – volgens hem heeft hij die uit Madrid – en hij heeft van de luciferdoosjes uit alle landen waar hij ooit gelegerd was keurige stapeltjes gemaakt. Margaux is een keer, toen ze drie jaar oud was, die kleine doerak, op het aanrecht geklommen en heeft in dat kastje zitten rommelen en alles verschoven, en toen hij thuiskwam – let wel, ik had geen idee wat ze had uitgespookt – wierp hij er een blik in en liep meteen naar zijn kledingkast om de riem te pakken. Ik wist dat Margaux doodsbang is voor die riem, dus ging ik tussen hen in staan en uiteindelijk heeft hij zich op mij uitgeleefd. Margaux bleef gelukkig ongedeerd. O, en moet je luisteren, Peter, ik zweer je, hij heeft een setje Japanse vechtstokjes – ken jij iemand die Japanse vechtstokjes heeft liggen? Hij haalt er trucs mee uit om te imponeren, de uitslover. ’
En ik gaf ter plekke een grappig staaltje van papa’s fratsen met de vechtstokjes, midden in de Blimpie. Peter en mama schaterden het uit. Maar ik voelde me toch wel een tikje schuldig toen ik papa later die avond zag. Ik weet dat hij alleen maar van die trucjes deed om mij aan het lachen te maken en mij ervan te overtuigen dat hij me kon beschermen tegen inbrekers.

Ik zat met papa en mama onder een grote parasol op het buitenterras van een restaurant in Westchester. Op weg naar City Island stapte papa daar altijd graag even uit voor een mandje gestoomde krab. Daarna reden we door naar het strand om bij Tony’s te dineren, waar we kreeft of gefrituurde mosselen aten. Tony’s had een paar gameapparaten staan, dus kwam ik bij papa steeds om de kwartjes vragen die hij los in zijn zak had zitten, terwijl hij Heineken dronk, sigaren rookte en met mama praatte. Thuis zei hij nooit zoveel tegen haar, hij schreeuwde dan vooral heel veel. Maar zodra we ergens in een restaurant zaten, wilde hij van alles bespreken. Misschien vond hij het gewoon niet leuk bij ons thuis of was hij gelukkiger in het weekend omdat hij dan niet hoefde te werken. Hoe dan ook, als we eropuit trokken kon hij heel galant zijn voor mijn moeder. Dan bestelde hij pina colada’s zonder rum (ze mocht geen alcohol drinken vanwege haar medicijnen) en haar favoriete gerecht: gebakken garnaal met sauce tartare en koolsla. Hij behandelde haar nog steeds als een baby. Hij stopte het papieren servetje in haar kraag alsof het een slabbetje was en hij veegde zelfs haar mond af, wat ze, zo viel me op, wel leuk leek te vinden al mopperde ze vaak tegen Peter dat ze het niet kon uitstaan als hij haar niet als zijn vrouw maar als zijn dochter behandelde.
Iets anders wat ze leuk moet hebben gevonden, was om papa met lof te overladen: ‘O Louie, je kookt als een chefkok’ of ‘Louie, laat me die foto van jou in San Juan nog eens zien? Die ene waar je precies op Robert Redford lijkt?’ Nu viel me dat alleen maar op omdat ze tegen Peter heel anders over hem praatte. Papa was dol op complimentjes. We hadden thuis een eigen spelletje. ‘Vertel me eens alles over je papa-pa.’ Dan kroop ik bij hem op schoot en vertelde hem elk ideaalbeeld een dochter van haar vader heeft. Dat hij de grootste en knapste was, de slimste en de beste. Ik was daarentegen in papa’s ogen allesbehalve een voorbeeldige dochter.
We waren uit eten en ik moet weer ongemerkt aan mijn haren zijn gaan trekken, want papa zei: ‘Moet je haar nou eens zien. Iedereen kijkt naar haar. Dat kind heeft geen enkel besef van wat dan ook: van het leven, van mij, noem maarop.’ Dat laatste zei hij zonder een spoortje kwaadheid, er lag eerder spijt in zijn stem. Even was hij stil, bijna bedachtzaam. Toen vervolgde hij: ‘Niets zo erg als een kwalijke gewoonte. Een kwalijke gewoonte...’ herhaalde hij en hield daarbij zijn ogen op mama gericht. ‘Kun je misschien iets verzinnen om een einde aan die kwalijke gewoonte te maken? De gewoonte waarmee...’
Mama viel hem snel in de rede in de hoop dat ze zijn preek kon afkappen, want als hij eenmaal op stoom was, wist ze – wisten we allebei – dan was er geen houden meer aan en duurde het een eeuwigheid voor hij ophield. ‘Ze groeit er wel overheen. Dokter Gurney zegt altijd dat het ene kind nu eenmaal nerveuzer is dan het andere en we moeten ons niet druk maken om zo’n stom futiliteitje als Margaux die met haar haar speelt. Sterker nog, hij zei dat nagelbijten een stuk slechter is en dat we blij moeten zijn dat ze niet zo’n kind is: dan krijgt ze allemaal van die losse velletjes en infecties. En Pe...’ zei mama, en ik wist dat ze Peter wilde gaan zeggen, maar ze slikte de rest snel in met een slok frisdrank. Ze wist dat papa nijdig werd als ze Peters naam noemde, behalve als het over zijn jansteenhuishouden ging. Papa had haar gevraagd een beschrijving van ‘dat huis’ te geven; dan kon hij lachen om de wc die niet altijd doorspoelde of dat er mieren over de vensterbank liepen, of dat Peter het grootste gedeelte van het meubilair op de stoep had gevonden op avonden voordat het vuilnis werd opgehaald, en dat hij had opgeschept dat je alles kon opknappen met een dotje tweecomponentenlijm of vulmiddel. Papa werd helemaal blij van die gootsteen die soms tot aan de rand volstond met vuile vaat die niet eens werd afgespoeld. ‘De meur met al die dieren in huis is vast niet te harden,’ zei hij.
Papa kneep wel even zijn ogen tot spleetjes bij het horen van die ‘Pe...’ maar hij ging er niet op in.
‘In elk geval,’ zei mama met neergeslagen ogen, ‘zoals dokter Gurney al zei: het is niet blijvend. Hij heeft het letterlijk zo gezegd: “Kinderen groeien eroverheen.” En Margaux groeit wel over die gewoonte heen om zo met haar haar te spelen.’
‘Ze groeit er wel overheen,’ zei papa, niet te hard, maar wel met een ernst die impliceerde dat hij direct dat specifieke woord uit elk woordenboek zou schrappen als hij de heerser was over de Engelse taal. En alsof hij dat beledigende woord de kans wilde geven om zichzelf te verschonen, probeerde hij het anders uit te spreken, op een vriendelijker toon, terwijl hij ondertussen het stoommandje tussen duim en wijsvinger nam.
De dreigende storm van papa’s gespannen zenuwen leek bedwongen.
Hij schraapte zijn keel en zei: ‘Ik zal je een verhaal vertellen over een meisje in Puerto Rico dat een kwalijke gewoonte had, Keesy. Anders dan die van jou, maar net zo destructief. Haar vader en moeder maakten zich zorgen omdat de kinderen bij haar in de klas dachten dat ze niet goed bij haar hoofd was. Maar dit meisje was zich er niet van bewust dat ze werd uitgelachen, noch dat ze haar arme ouders zoveel verdriet en schaamte bezorgde.’ Hij nam een slokje bier. ‘In elk geval, ze liep altijd te dromen en keek nooit waar ze haar voeten neerzette. Op een dag, althans, zo gaat het verhaal, maakte ze een lange wandeling en liep ondertussen te zingen en te neuriën. Toen ze bij een treinspoor aankwam, legde ze haar benen dwars over de rails, zong een liedje en keek ondertussen naar de blauwe lucht. Ze was zo verzonken in haar dagdromerij dat ze de trein niet hoorde aankomen. De machinist toeterde, maar het meisje keek niet op of om en als een trein eenmaal in beweging is kan hij niet meer stoppen. De trein reed over haar benen en de wielen sneden haar benen tot hier af.’ Hij wees op zijn heup. ‘O jawel, Keesy, en kijk niet zo verschrikt. Haar benen waren eraf en ze lagen daar midden op de rails als voer voor de roofvogels. Dat arme kind hield tot verdriet van haar ouders alleen nog maar twee bloederige stompen over.’
‘Louie, wat een afschuwelijk verhaal!’ zei mijn moeder. ‘Je moet een kind niet van die enge dingen vertellen!’
‘Wat gebeurde er toen met haar, papa? Wat gebeurde daarna?’
‘Je moeder heeft gelijk, dit is een moeilijk verhaal. Als ik nog verder vertel, krijg je alleen maar nachtmerries.’

De ober kwam om de lege Heinekenflessen weg te halen en mijn vader een nieuw biertje te geven. ‘Toe nou, papa, je kan niet zomaar een verhaal vertellen zonder het einde!’
‘Je hebt genoeg fantasie. Maak het verhaaltje zelf maar af, Keesy.’
‘Louie, je hebt te veel gedronken! Je hebt veel te veel gedronken en het is tweeëndertig graden! Tweeëndertig! Je hebt een zonnesteek!’ zei mijn moeder met een fluisterschreeuw – ze wist dat hij woest kon worden als hij publiekelijk voor schut werd gezet. ‘Daar is een telefooncel. Ik ga nu dokter Gurney bellen en hem vertellen dat je Margaux angst hebt aangejaagd!’
‘Ga je gang! Ik geef je wel een kwartje!’ Hij stak zijn hand in zijn broekzak. ‘Hier heb je een paar muntjes. Bel hem maar op. Dan heb ik tenminste even rust en kan ik hier kalm mijn salade opeten! Ga dan!’
Toen mijn moeder van tafel opstond, vouwde ik mijn handen voorzichtig om de metalen staaf die de grote parasol boven onze hoofden op zijn plaats hield. Het gaf me een gevoel van veiligheid.
‘Grappig hoor, die vrouw. Ze heeft vast last van de warmte. Wat denkt ze wel niet? Wat is er zo verkeerd aan wat koude biertjes op een warme dag? Dat mens is niet goed snik. Ik heb geen zin in ruzie met deze hitte. Ik zit liever in de schaduw met een lekker koud biertje onder een grote parasol. Ze doet net alsof het voor mij een lolletje is dat het zo heet is. Ik vind het vreselijk, en dan is het ook nog zo klef! Daarom ben ik uit Puerto Rico weggegaan! Ben ik dat alles ontvlucht en dan loop ik tegen deze vrouw aan.’
‘Vertel de rest van het verhaal nou, papa.’
‘Welaan,’ zei hij en ik staarde naar zijn kastanjebruine baard en moest aan een kever denken die ik onlangs had geplet, om te kijken wat voor kleur zijn bloed had. Het bloed was oranje en rook smerig; ik was zo verbaasd dat het niet rood bleek te zijn. ‘Dat weet eigenlijk niemand,’ vervolgde hij. ‘Er zijn twee versies in omloop. De ene is dat ze bij haar ouders bleef, die haar tot aan haar dood zijn blijven verzorgen. De andere is dat ze tot de duivel heeft gebeden om haar benen terug te krijgen. En tot God, maar ze hebben geen van beiden haar gebeden verhoord. Volgens de legende deed haar moeder op een dag de deur naar haar slaapkamer open en toen was ze weg, niemand heeft haar ooit nog gezien. Maar soms dacht die moeder vreemde kloppende geluiden op het dak te horen, geen regen of takken die op de golfplaten tikten, maar voetstappen. Sommigen beweerden – al zullen we nooit weten of het waar was, want kinderen verzinnen zo vaak dingen –, maar in de tijd dat mijn opa nog leefde waren er kinderen die zeiden dat ze ’s nachts een meisje met een groot beest met horens op het dak zagen en dat het de duivel moet zijn geweest. Ze waren samen aan het dansen!’ Hij nam even een pauze voor een slokje bier tussendoor, en ging toen weer door. ‘Zelf weet ik niet wat ik precies van dat verhaal moet geloven. De eerste versie klinkt het meest plausibel. Maar de tweede zou ook waar kunnen zijn.’
Ik keek bedrukt naar de confetti van mijn servetje. Zonder dat ik het in de gaten had, had ik het ene servetje na het andere tot snippertjes gescheurd. Mijn vader stak zijn hand over tafel, tikte even het puntje van mijn neus aan en streelde over mijn wang.
‘Ik vertel je dit voor je eigen bestwil, Keesy. We moeten in de realiteit leven en niet altijd met ons hoofd in de wolken lopen. Ik wil dat mijn dochter net zo sterk wordt als ik en met beide benen stevig op de grond staat.’

Ondanks papa’s waarschuwende verhaal werd ik met de dag dromeriger naarmate de zomer verstreek en steeds meer verhalen in mijn hoofd rijpten. Peter vroeg me niet alleen mijn verhalen te vertellen, hij hielp mee een verhaal te construeren van hem en mij alleen. Het heette ‘Gevarentijger’ en het ging over een tijger met vleugels die overal mensen kwam redden. Ik herinner me er niet veel meer van, behalve dat Peter verschillende personages uitbeeldde en ik altijd maar eentje, de Gevarentijger zelf. Gevarentijger was een hij, daar stond ik op, anders zouden we ‘Gevarentijgerin’ moeten zeggen. Ik weet niet waarom ik het leuker vond om mannelijke personages uit te beelden als ik met Peter verhalen verzon. Peter daarentegen speelde liever vrouwenrollen en zette dan een gek hoog stemmetje op, waar we altijd erg om moesten lachen. Gelukkig was mijn moeder altijd bezig met het bijhouden van haar Feitenboek of lag ze gewoon te luieren in haar ligstoel en naar ons te kijken zonder met ons mee te doen. Ik vond het ook fijn dat Inès de hele dag op haar werk zat. En de jongens waren meestal weg met hun skateboard, zaten in de automatenhal of op hun zolderkamer of voor de tv. Peter zei een keer tegen mijn moeder dat het maar goed was dat ik was aan komen waaien, want Ricky en Miguel werden nu al wat ouder en hadden geen zin meer om veel tijd met hem door te brengen. Terwijl ik balletjes gooide voor Paws, hoorde ik hem grapjes tegen mijn moeder maken dat het nog makkelijker was om een theekransje te organiseren met een stel apen dan in het weekend het hele gezin naar het zwembad aan Forty-fifth Street te krijgen. ‘De jongens zitten in de fase dat hun vrienden een obsessie voor ze worden. Ricky gaat nu naar groep zeven en Miguel naar de middelbare school, dan krijg je dat. Maar ik werd wel een beetje eenzaam. Gelukkig kwamen jij en Margaux. Jullie hebben mijn leven weer een stuk leuker gemaakt.’
Mama keek op van haar Feitenboek en verjoeg een bromvlieg. ‘Dank je, Peter. Ik vind jou ook als door de hemel gezonden.’
Peter glimlachte even maar keek toen weer bedrukt. ‘Wat jammer dat de scholen weer beginnen in september.’ Hij stak een sigaret op.
‘O, maar we kunnen nog steeds langskomen, hoor,’ zei mama met een achteloos handgebaar. ‘Op zijn laatst om drie uur ’s middags, en dan kunnen we gewoon blijven. Louie is allang blij als hij niet zo vaak hoeft te koken, dan heeft hij meer tijd om in de kroeg te zitten.’ Ze zweeg even. ‘Maar de schoolperiode zal ook de nodige stress met zich meebrengen. Het heeft zoveel voeten in de aarde... Margaux moet een schooluniform hebben, daarvoor moet je naar een speciale winkel, en dan weer naar een andere voor de schoenen. En al die studieboeken! Je moest eens weten, Peter: al die boeken moeten worden gekaft en als ik dat aan Louie vraag wordt hij hels, en het is echt een lastige klus. Je moet het papier heel precies knippen en ik ben tegenwoordig niet meer zo handig in die dingen.’
‘Dan help ik je toch met kaften?’ zei Peter. ‘Neem het boeltje maar mee als het zover is; ik zal je wel laten zien hoe je het heel eenvoudig kunt oplossen.’
‘Maar ik wil je er niet mee lastigvallen...’
‘Het is geen moeite, echt niet, Sandy.’

Mama vond Peters achtertuin de meest ontspannen plek op aarde, nog rustgevender dan zijn huiskamer. Paws aaien was haar favoriete tijdverdrijf. Volgens mij zat er niemand zoveel met die hond te teuten als mijn moeder. ‘Hij krijgt rust noch duur,’ grapte ze, en als Paws eindelijk wegdribbelde om mij of Peter te zoeken, schreef ze weer in haar Feitenboek. Het kleine ringbandje was inmiddels helemaal vol, dus moest ze in de marge krabbelen en op de voor- en de achterkant. Peter gaf haar uiteindelijk een nieuw boekje, en wist haar ervan te overtuigen dat ze met twee aparte exemplaren niet het overzicht zou kwijtraken. En zo begon ze weer met een nieuwe lijst van regionaal nieuws en wereldwijde rampen, boodschappenlijstjes en kinderliedjes, wat ze nog moest doen en wie ze nog moest bellen. Soms vroeg ze of ze even gebruik mocht maken van zijn telefoon, en dan belde ze de mensen uit haar boekje: mensen die ze in de wachtkamer van de psychiatrische kliniek had ontmoet, dokter Gurney of oude schoolvrienden die, zo mopperde ze, nooit aan de lijn wilden komen. Ze had het thuis altijd over een ‘zwarte lijst’ met namen: dat waren mensen die niet terugbelden, maar voor zover ik weet heeft ze nooit iemands nummer doorgestreept. En als ze haar hele bellijst had afgewerkt, belde ze de zelfmoordhulplijn, of het warenhuis om naar de prijs van dit of dat product te informeren, of het ziekenhuis van St.-Mary’s met het verzoek om haar een brochure over kanker te sturen of over een andere ziekte waarvoor ze bang was.

Naast ‘Gevarentijger’ speelden Peter en ik nog een heleboel andere spelletjes die hij had verzonnen. Een daarvan was de geavanceerde versie van het populaire kinderliedje overspinnen, Itsy-Bitsy Spider. Dan kromde Peter zijn vingers en bewoog ze als de wriemelende poten van twee lieve tarantula’s die over me heen klommen en me kietelden. Ook had hij de Gekke Wetenschapper en de Gekke Tuinier bedacht; dat laatste speelden we altijd in de tuin. Peter zat me dan achterna met de tuinslang en als hij me in een hoek had gedreven spoot hij me drijfnat. Bij de Gekke Wetenschapper werd er ook gekieteld, en als hij me had gevangen kreeg ik de ‘kieteldood in etappes’. Peter begon dan op niveau drie, zoals hij het noemde, en dat was de milde versie: dan bleef hij uit de buurt van mijn buik, oksels en voetzolen (niveau één), maar als ik me niet overgaf dan kietelde hij me daar ook. Volgens hem had hij nog nooit iemand ontmoet die niveau één haalde zonder te smeken om genade. Eerst was ik daar heel trots op, later vond ik het niet meer zo leuk omdat ik jaloers werd: ik dacht dat de Gekke Wetenschapper ons eigen spelletje was en zat steeds te piekeren met wie hij dat nog meer had gespeeld.

 

© 2011 Margaux Fragoso
© Nederlandse vertaling 2011, Anne Jongeling en Uitgeverij De Bezige Bij

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum