Leesfragment: Tsjik

27 november 2015 , door Wolfgang Herrndorf

Het is december, dus blikken we terug. Bijvoorbeeld naar Wolfgang Herrndorfs Tsjik (Tschick, vertaald door Pauline de Bok), dat een van de beste romans van 2011 is volgens onze boekverkopers. Vanavond hoofdstuk 2 en 3 (nummer één is bij Uitgeverij Cossee te lezen, in pdf).

Moeder in de ontwenningskliniek, vader met ‘assistente’ op zakenreis: Maik Klingenberg zal de grote vakantie in zijn eentje doorbrengen bij het zwembad van de villa van zijn ouders. Maar dan duikt Tsjik op.

Tsjik, die eigenlijk Andrej Tsjichatsjow heet, is niet bepaald een toonbeeld van integratie. Hij komt uit een van de aso-torenflats in Berlijn-Hellersdorf en heeft het op de een of andere manier tot het gymnasium weten te schoppen. Hij heeft een lichtblauwe Lada gescoord en daarmee begint een tocht zonder landkaart over het Duitse platteland in hartje zomer. Tsjik wil graag naar Walachije waar zijn opa woont,maar er is in de hele provincie Brandenburg geen enkele wegwijzer naar Walachije te vinden.

Wat volgt, is een reis die zo grotesk, droevig, dramatisch en grappig is dat je geregeld niet meer verder kunt lezen van het lachen, maar evenmin kunt ophouden. In de lege wereld achter Berlijn is blijkbaar niemand echt in vakantiestemming. Niet de knappe Tatjana, op wier verjaardagsfeest zij niet uitgenodigd zijn, niet WO II veteraan Fricke die een uitstekende schutter is, niet de man aan de benzinepomp en helemaal niet het varken op de autosnelweg. Maik vertelt hun vakantieverhaal zonder opsmuk met het temperament van een veertienjarige, argeloos en wereldwijs.

Tsjik is een hartverwarmende en hartverscheurende avonturenroman die maar één nadeel heeft: dat hij maar 256 bladzijden telt en dus veel te snel uit is. Maar zo gaat dat nu eenmaal met verboden tochtjes in een gejatte auto.

2

De dokter doet zijn mond open en dicht als een karper. Het duurt even voor er woorden uitkomen. De dokter schreeuwt. Waarom schreeuwt de dokter nou? Hij schreeuwt tegen de kleine vrouw. Dan bemoeit eentje in uniform zich ermee, een blauw uniform. Een politieagent die ik nog niet ken. Hij wijst de dokter terecht. Hoezo weet ik trouwens dat het een dokter is? Hij draagt een witte jas. Zou dus ook een bakker kunnen zijn. Maar in de zak van zijn jas heeft hij een metalen zaklampje en een luisterding. Wat moet een bakker met een luisterding, broodjes afluisteren? ’t Zal vast een dokter zijn. En die dokter wijst nu op mijn hoofd en brult. Ik tast onder de deken in het rond naar mijn benen. Ze zijn bloot. Voelen ook niet meer volgezeken of bebloed aan. Waar ben ik hier?
Ik lig op m’n rug. Boven is alles geel. Blik opzij: grote donkere ramen. Andere kant: wit plastic gordijn. Ziekenhuis, zou ik zeggen. Dat klopt trouwens ook met de dokter. Ja natuurlijk, de kleine vrouw draagt ook een witte jas en een schrijfblok. En welk ziekenhuis, misschien de Charité? Nee, geen idee. Ik ben immers niet in Berlijn. Eens vragen, denk ik, maar niemand let op mij. Want het bevalt de agent namelijk niet hoe de dokter hem toeschreeuwt en hij schreeuwt terug, maar dan schreeuwt de dokter nog harder – en dan merk je, heel interessant, wie hier de baas is. De baas is namelijk overduidelijk de dokter en niet de agent, en ik ben zo uitgeput en ergens ook gelukkig en moe, ik lijk vanbinnen wel met geluk bekleed en slaap weer in zonder een woord te zeggen. Het geluk heet valium, blijkt later. Het wordt met grote spuiten toegediend.
Als ik de volgende keer wakker word is alles licht. Door de grote ramen schijnt de zon. Er wordt aan mijn voetzolen gekrabd. O, alweer een dokter, een andere dit keer, en een verpleegster heeft hij ook weer bij zich. Geen politieagent. Alleen dat de dokter zo aan mijn voeten krabt, is niet prettig. Waarom krabt hij toch zo?
‘Hij is wakker,’ merkt de verpleegster op. Niet bijzonder spits.
‘Ah, aha.’ De dokter kijkt me aan. ‘Hoe voel je je?’
Ik wil iets zeggen maar uit mijn mond komt alleen maar: ‘Pfff.’
‘Hoe voel je je? Weet je hoe je heet?’
‘Pfff-fèh?’
Wat is dat nou voor vraag? Denken ze dat ik krankzinnig ben? Ik kijk de dokter aan, hij kijkt mij aan en dan buigt hij zich over me heen en schijnt met een zaklamp in m’n ogen. Is dit een verhoor? Moet ik mijn naam zeggen of wat? Is dit hier een martelziekenhuis? En zo ja, kan hij dan alsjeblieft even ophouden m’n oogleden omhoog te trekken, of in elk geval doen alsof mijn antwoord hem interesseert? Overigens antwoord ik helemaal niet. Want terwijl ik nog overweeg of ik Maik Klingenberg moet zeggen of alleen maar Maik of Klinge of Attila de Hun – dat zegt m’n vader altijd als hij stress heeft, als hij de hele dag weer alleen maar slecht nieuws heeft gehad, dan drinkt hij twee Jägermeister en neemt de telefoon op met Attila de Hun – ik bedoel, terwijl ik nog overweeg of ik überhaupt iets moet zeggen of dat je dat jezelf in zo’n situatie niet beter kunt besparen, zegt de dokter al iets van ‘vier hiervan’ en ‘drie daarvan’, en slaap ik weer in.

3

Van ziekenhuizen kun je veel zeggen, maar niet dat het er niet fijn is. Ik lig altijd waanzinnig graag in het ziekenhuis. Je doet de hele dag niks en dan komen de verpleegsters. De plegen zijn allemaal superjong en supervriendelijk. En ze hebben van die dunne witte jassen aan, die ik zo te gek vind, omdat je altijd meteen ziet wat voor ondergoed ze aan hebben. Waarom ik dat zo te gek vind, weet ik trouwens ook niet. Want, als iemand met zo’n jas op straat rondliep, zou ik dat raar vinden. Maar in het ziekenhuis is het fantastisch. Vind ik tenminste. Het is een beetje zoals in maffiafilms, waar gangsters je altijd een minuut lang zwijgend aankijken, voor ze antwoord geven. ‘Hé!’ Een minuut zwijgen. ‘Kijk me aan!’ Vijf minuten zwijgen. In het echte leven is dat raar. Maar als je bij de maffia bent nu eenmaal niet.
M’n lievelingsverpleegster komt uit Libanon en heet Hanna. Hanna heeft kort zwart haar en heeft normáál ondergoed. En dat is mooi: normaal ondergoed. Dat andere ondergoed ziet er altijd een beetje treurig uit. Bij de meesten. Als je niet precies het figuur van Megan Fox hebt, kan het er behoorlijk wanhopig uitzien. Ik weet niet. Misschien ben ik wel pervers: ik ben gek op normáál ondergoed.
Hanna is eigenlijk ook nog maar leerling-verpleegster, dus in opleiding ofzo, en als ze op mijn kamer komt, steekt ze altijd eerst haar hoofd om de deur en klopt dan met twee vingers op de deurpost, dat vind ik heel, heel beleefd, en ze bedenkt elke dag een nieuwe naam voor mij. Eerst heette ik Maik, toen Maiki, toen Maikipaiki, waarbij ik al dacht: allejezus. Maar dat was nog niet alles. Toen heette ik Michael Schumacher, toen Attila de Hun, toen varkensmoordenaar en ten slotte zelfs ‘de zieke haas’. Alleen daarom zou ik het liefst nog een jaar in dit ziekenhuis blijven.
Hanna verwisselt elke dag mijn verband. Dat doet behoorlijk pijn en het doet Hanna ook pijn, dat kun je aan haar gezicht zien.
‘Hoofdzaak is, jij hebt er lol in,’ zegt ze dan altijd als ze klaar is, en ik zeg dan altijd dat ik later waarschijnlijk met haar ga trouwen of zoiets. Maar helaas heeft ze al een vriend. Soms komt ze ook zomaar op m’n bed zitten, omdat ik verder zo ongeveer geen bezoek krijg, en het zijn echt goeie gesprekken die we dan hebben. Echte volwassenengesprekken. Met vrouwen als Hanna is het altijd oneindig veel makkelijker praten dan met meisjes van mijn leeftijd. Als iemand kan verklaren waarom dat zo is, dan mag-ie me gerust bellen, want, ik kan het zelf namelijk niet verklaren.

© 2010 Wolfgang Herrndorf en Rowohlt Verlag GmbH, Berlijn
Nederlandse vertaling © 2011 Pauline de Bok en Uitgeverij Cossee BV, Amsterdam
Auteursportret © Mathias Mainholz

Utgeverij Cossee

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum