Leesfragment: Van alles het beste

27 november 2015 , door Rona Jaffe

Het is december, dus blikken we terug. Bijvoorbeeld naar Rona Jaffes Van alles het beste (The Best of Everything, vertaald door Petra C. van der Eerden), dat een van de beste romans van 2011 is volgens onze boekverkopers. Vanavond kunt u bij ons uit het eerste hoofdstuk lezen.

Rona Jaffes iconische pageturner verscheen in 1958 en maakte bij verschijnen een enorme indruk. Sommige lezers waren geschokt, maar de meeste, miljoenen, vonden het fantastisch zichzelf in het verhaal van de vijf jonge, ambitieuze medewerkers van een New Yorkse uitgeverij te kunnen herkennen.

Van alles het beste volgt meisjes als de pas afgestudeerde Caroline, die op de typekamer droomt van een promotie tot redacteur, April, het naïeve provinciaaltje, dat in een paar maanden tijd transformeert tot een vrouw met wie elke man gezien wil worden, en Gregg, de vrijgevochten actrice, die stiekem hunkert naar een huiselijk bestaan. Jaffe volgt hun persoonlijke en zakelijke strubbelingen in intelligent, meelevend proza, dat tegelijk zo scherp is dat je je eraan kunt snijden.

Hoofdstuk 1

Je ziet ze elke ochtend om kwart voor negen haastig de muil van de metrotunnel uit komen, de vele honderden meisjes die in drommen het Grand Central Station verlaten en Lexington, Park, Madison en Fifth Avenue oversteken. Sommigen hebben er zin in, sommigen hebben de pee in en sommigen lijken amper uit bed te zijn gestapt. Sommigen zijn al op sinds half zeven, dat zijn de forensen vanuit Brooklyn, Yonkers, New Jersey, Staten Island en Connecticut. Ze hebben de ochtendkrant bij zich en een volgepropte handtas. Sommigen dragen roze of geelgroene pluizige mantels, vijf jaar oude schoenen met enkelbandjes en hun haar met speldjes in de krul gezet onder een sjaaltje. Sommigen dragen een chique zwart mantelpakje (misschien van vorig jaar, maar wie ziet dat nou?) en glacé handschoenen. Zij hebben hun lunch bij zich in een papieren zak met viooltjes van warenhuis Bonwit Teller. Geen van hen heeft geld genoeg.
Op woensdag 2 januari 1952, om kwart voor negen in de ochtend, verliet een twintigjarig meisje genaamd Caroline Bender het Grand Central Station. Ze liep naar het westen, richting Radio City. Het was een meer dan aantrekkelijk meisje met donker haar en lichte ogen en een gezicht dat zachtaardigheid en intelligentie uitstraalde. Ze droeg een grijs tweed pakje, haar nette pakje uit haar studietijd, en een klein attachékoffertje met daarin een portefeuille met vijf dollar, een bundeltje forensenkaartjes, wat makeupspullen en drie tijdschriften, te weten The Cross, My Secret Life en America’s Woman.
Het was zo’n koude, mistige New Yorkse winterochtend waardoor je onwillekeurig aan longaandoeningen moet denken. Caroline liep haastig met de massa mee, maar nerveus, bang en lichtelijk opgetogen als ze was, zag ze bijna niemand. Dit was de eerste dag van de eerste baan die ze ooit in haar leven had gehad en ze zag zichzelf niet echt als carrièrevrouw. Vorig jaar had ze nog gedacht dat ze op deze waterkoude januaridag getrouwd zou zijn. Ze had immers een verloofde dus dat leek logisch. Nu had ze geen verloofde meer en ook niemand op wie ze een oogje had, en haar nieuwe baan kwam niet alleen financieel goed uit, ook emotioneel gezien was het een noodzaak. Ze had niet het idee dat het werk als secretaresse in een typekamer werkelijk fascinerend zou zijn; ze moest er zelf iets van zien te maken. Anders zou ze maar tijd hebben voor haar gedachten en veel te veel herinneringen...
Fabian Publications besloeg vijf verdiepingen met airconditioning in een van de moderne panden in Radio City. Deze eerste week van het nieuwe jaar waren de jaarlijkse vacatures weer ingevuld. Drie secretaresses hadden de typekamer verlaten, eentje om te gaan trouwen, de andere twee omdat ze beter werk hadden gevonden. Woensdag 2 januari zouden er drie nieuwe secretaresses beginnen. Een van hen was Caroline Bender.
Het was vijf voor negen toen Caroline aankwam op de verdieping waar de typekamer zich bevond. Tot haar verbazing was het er nog donker en waren alle typemachines nog afgedekt. Ze was bang geweest om te laat te komen en nu was ze de eerste. Ze vond de schakelaar van de plafondlampen en neusde wat rond zolang er nog niemand anders was komen opdagen. Het was een grote centrale ruimte vol rijen bureaus voor secretaresses, omringd door de gesloten deuren van de kantoren van de redacteuren. Op sommige deuren zaten nog steeds zilveren kerstklokjes en rode strikken geplakt, een sjofel en sneu gezicht nu de feestdagen voorbij waren.
Ze keek een paar kantoren in en zag dat ze gerangschikt leken te zijn naar de positie van de bewoner. Van kleine hokjes met tegels en twee bureaus tot grotere kamers met een enkel bureau, en uiteindelijk twee grote kantoren met tapijt op de vloer, lederen leunstoelen en houtpanelen tegen de wand. Uit de boeken en tijdschriften die er rondslingerden kon ze opmaken dat de ene het kantoor van de redacteur van Derby Books was en de andere van de redacteur van The Cross. Plotseling hoorde ze stemmen in de centrale ruimte, mensen lachten en begroetten elkaar. Ineens bevangen door een aanval van verlegenheid stapte ze langzaam het kantoor van de redacteur uit.
Het was negen uur en de ruimte stroomde ineens vol met meisjes die haar geen van allen opmerkten. De telextypiste kamde haar ingekrulde haar uit, een van de typistes liep de bureaus langs om lege glaasjes op te halen en koffiebestellingen op te nemen. Typemachines werden van hun hoes ontdaan, jassen opgehangen, kranten op de bureaus uitgespreid en elk meisje dat binnenkwam werd met enthousiaste kreten begroet. Het leek wel alsof ze elkaar vier weken niet gezien hadden in plaats van vier dagen. Caroline wist niet welk bureau voor haar was en aangezien ze bang was om de plek van een ander in te nemen, bleef ze maar staan kijken. Voor het eerst die ochtend voelde ze zich een buitenstaander in een besloten club.
Op dat moment kwam er een man binnen met een geamuseerde maar timide blik, alsof hij een theekransje voor dames kwam verstoren. Een aantal meisjes ging rechtop zitten zodra ze hem zagen, in een poging zakelijker over te komen. Hij was achter in de veertig en van gemiddelde lengte, maar pezig, waardoor hij kleiner leek. Zijn bleke, verstrooide gezicht zag er extra verlopen uit doordat het er alle schijn van had dat hij ooit erg aantrekkelijk was geweest. Hij bleef staan bij het fonteintje en boog zich lange tijd voorover om water te drinken, waarna hij in een van de redacteurskantoren verdween. Hij droeg een kameelharen jas met een flink brandgat van een sigaret op de rever.
‘Wie is dat?’ vroeg Caroline aan het dichtstbijzijnde meisje.
‘Mr. Rice, de redacteur van The Cross. Jij bent nieuw, hè?’ zei het meisje. ‘Ik ben Mary Agnes.’
‘Ik ben Caroline.’
‘Ik hoop dat het je hier bevalt,’ zei Mary Agnes. Het was een mager, alledaags uitziend meisje met donker, golvend haar. Ze droeg een zwarte wollen rok en een doorschijnend bloesje van wit nylon. Ze had een uitermate platte boezem.
‘Dat hoop ik ook,’ zei Caroline.
‘Nou, je mag een van die twee bureaus uitkiezen, mocht je spullen kwijt willen. Je werkt deze week voor Miss Farrow, want haar secretaresse is opgestapt. Ze komt meestal rond tien uur binnen. Zij zal je wel rondleiden en aan iedereen voorstellen. Wil je koffie?’
‘Lekker,’ zei Caroline. Ze schoof haar attachékoffertje en handschoenen in de la van een van de lege bureaus en hing haar jasje over de rugleuning van de stoel.
Mary Agnes wenkte het meisje dat de koffiebestellingen opnam.
‘Brenda, dit is Caroline.’
‘Hallo,’ zei Brenda. Ze was een mollig blondje, best knap om te zien, maar toen ze lachte, bleek er aan elke kant een tand te schitteren door afwezigheid. Dat gaf haar iets van een weerwolf. ‘Hoe wil jij je koffie? Je kunt beter zo’n glazen potje nemen dan een papieren bekertje.’
‘Bedankt,’ zei Caroline.
Brenda liep met draaiende heupen terug naar haar bureau. ‘Pas maar op met haar,’ zei Mary Agnes op samenzweerderige toon toen het meisje buiten gehoorsafstand was. ‘Ze laat je betalen voor de koffie en het glazen potje, en als ze de lege potjes terugbrengt, houdt ze het statiegeld zelf. Dat moet je niet pikken.’
‘Ik zal het proberen,’ zei Caroline.
‘Heb je de sleutel van het damestoilet al?’
‘Nee.’
‘Nou, dan mag je de mijne wel zolang gebruiken. Gewoon even vragen. Zag je die tanden?’
‘Van wie?’
‘Brenda. Ze is verloofd en nu laat ze al haar slechte tanden trekken zodat haar man straks de renovatie kan betalen. Heb je ooit zoiets gehoord?’ Mary Agnes giechelde en begon vellen carbon en briefpapier in haar typemachine te draaien.
‘Die Mr. Rice – zo heet hij toch? Hoe is die?’ vroeg Caroline. Ze zag graag mannen met kameelharen jassen. Dat deed haar denken aan Clark Gable in de film The Front Page.
Het alledaagse gezichtje van Mary Agnes betrok op een kinderlijk oprechte aangeslagen manier. ‘Het is heel triest,’ zei ze. ‘Ik heb altijd medelijden met dat soort mensen. Ik wou maar dat iemand hem kon helpen.’
‘Wat is er dan mis met hem?’
‘Wacht maar tot je dat tijdschrift van hem leest. Misselijk word je ervan.’
‘Bedoel je dat hij dat allemaal schrijft omdat hij het zelf gelooft?’
‘Erger nog,’ zei Mary Agnes. ‘Hij schrijft het omdat hij helemaal nergens in gelooft. Die artikelen die hij schrijft, klinken allemaal reuze stichtelijk, maar het zijn loze woorden. Ik heb medelijden met de arme zielen die erin geloven, maar ik vind het nog erger voor Mr. Rice zelf. Ik denk vaak dat hij wel erg eenzaam moet zijn.’ Ze glimlachte meesmuilend. ‘Maar laten we niet beginnen over Mr. Rice en zijn niet-bestaande geloof. Daar kan ik uren over doorgaan en ik moet nu echt deze brieven uittypen.’
‘Misschien kunnen we straks samen lunchen,’ stelde Caroline voor.
‘O, dat zou leuk zijn... Maar het kan niet. Ik lunch altijd met mijn vriend. Nou ja, soms komt hij zijn lunch hier opeten en soms ga ik met mijn boterhammen naar hem toe. Hij werkt in een meubelfabriek in de stad. We gaan trouwen. Volgend jaar juni.’
‘Dat is nog ver weg,’ zei Caroline.
‘Ik weet het,’ zei Mary Agnes nuchter. ‘Maar het had nog wel langer kunnen duren.’
‘Ik wens jullie in elk geval het allerbeste,’ zei Caroline. Ze liep naar haar bureau en ging zitten. Ze was hier gekomen om niet te hoeven nadenken over trouwen, en nu bleken de eerste twee meisjes die ze had ontmoet allebei verloofd. Maar goed, voorlopig zou ze de laden van haar bureau maar even leegruimen. En dan zou Miss Hoe-heet-ze komen en die zou haar waarschijnlijk meer werk geven dan ze aankon, nerveus als ze was op haar eerste dag. En dan zou haar hoofd al snel zo vol zitten met kantoorproblemen dat ze niet kon gaan mijmeren over dingen waar ze niet aan moest denken.
Ze had inmiddels een mentaal lijstje van dingen die ze uit haar hoofd moest bannen, maar dat was moeilijk omdat het dingen waren die voor anderen doodnormaal waren en die telkens vanzelf weer opdoken. Jongens die Eddie heetten. Parijs. Bijna alle liedjes van Noel Coward. Drie of vier restaurants. Alle boeken en verhalen van F. Scott Fitzgerald. Chianti. W.B. Yeats. Stoomschepen naar Europa. Stoomschepen vanuit Europa.
Ze wilde al die dingen niet echt vergeten, omdat ze haar destijds allemaal gelukkig hadden gemaakt. Het zou alleen mooi zijn als ze er ooit aan kon terugdenken zonder dat het pijn deed. Dat was de truc, al het goede uit het verleden behouden en alle pijnlijke dingen uitbannen.
Ze zat in haar derde jaar van Radcliffe toen ze Eddie Harris ontmoette. Hij zat in zijn laatste jaar van Harvard. Het was een geweldige jongen, geestig en aantrekkelijk, hij speelde jazz op de piano, las boeken waar verder niemand ooit van gehoord had, hij had een gevoel voor humor waarmee hij haar uren aan het lachen kon houden. Hij had ook slechte buien. Dan liep hij op blote voeten door zijn kamer in een coltrui en een kaki broek, draaide liedjes van Noel Coward op de grammofoon en wilde dagenlang met niemand praten, alleen met haar. Hij haalde op school alleen maar negens zonder dat hij er veel voor leek te doen, en zijn familie had geld. Ze kon nauwelijks geloven dat dit haar overkwam, een meisje van achttien dat nog nooit een jongen had ontmoet die haar ook maar iets deed. En nu was Eddie Harris verliefd op haar en aanbad zij hem.
Ze wist heel zeker dat zij meer van hem hield dan hij van haar, maar hij was tenslotte een man en mannen hadden andere dingen aan hun hoofd.
Ze zouden dat najaar trouwen, na zijn afstuderen aan Harvard. Intussen zou zij een zomercursus volgen en haar diploma halen. Daar hadden haar ouders op gestaan. Ze was nog maar negentien en ze zeiden dat ze er later spijt van zou krijgen als ze het opgaf terwijl ze haar bul bijna binnen had. Meisjes van negentien hoefden niet zo’n haast te hebben met trouwen, zeiden ze, hoewel ze net zo blij waren met haar verloving als zijzelf. Eddie steunde haar en zij deed uiteraard alles wat hij vroeg, al zag ze niet echt in wat die paar maanden extra les voor zin hadden. Alleen al door om te gaan met Eddie was ze zich al zoveel meer bewust van alles wat ze las, hoorde en zag dat ze zich een compleet ander mens voelde. Een studie moest je toch aan het denken zetten? Nou, Eddie had haar aan het denken gezet en haar enige doel in het leven was een goede en aantrekkelijke echtgenote voor hem te zijn en hem gelukkig te maken, dus niet nog een paar honderd regels van Shakespeare in haar hoofd stampen.
Maar goed, ze deed die zomercursus. En Eddies ouders gaven hem als afstudeercadeau een reis naar Europa. Ze had het zelf leuker gevonden als ze dat hadden bewaard voor als Eddie en zij op huwelijksreis gingen, maar dat vond ze zo’n egoïstische gedachte dat ze er niet eens over begon. Wereldreizen waren in die tijd erg in op Harvard en Radcliffe; iedereen ging. Reizen was een nieuwe ervaring voor hun generatie in die eerste jaren na de oorlog, en Caroline was het gebabbel op cocktailparty’s al snel beu geweest. De conversatie bestond vooral uit interessant doen en met plaatsnamen smijten. ‘Jij bent toch zeker ook wel naar Europa geweest?’ Ze moest lachen om al die studentjes die naar Parijs vluchtten en daar vervolgens in cafés rondhingen, op zoek naar Amerikaanse meisjes die ze al kenden van thuis. Ze wist zeker dat Eddie meer uit zijn reis zou halen.
Toen ze aan boord afscheid van hem ging nemen, gaf ze hem dapper glimlachend een fles champagne. Maar hun hele afscheidszoen lang had ze het liefst willen roepen: ‘Neem me mee, ga niet alleen’. Hij zei dat het maar voor zes weken was, dat de tijd voorbij zou vliegen en dat hij alleen maar aan haar zou denken. Hij zei (glimlachend): ‘Beloof dat je me een beetje zult missen’, terwijl ze allebei wisten dat hij wilde dat ze hem enorm zou missen. En dat ze dat ook zou doen, of hij het nou vroeg of niet. Aan dek ontdekte hij de ouders van Helen Lowe, een meisje met wie hij jaren geleden op school had gezeten. Hij was meteen niet meer bij haar vader weg te slaan. Zie je, glimlachte hij Caroline geruststellend toe terwijl het schip de haven uit voer, hier sta ik naast deze aardige middelbare man, kijk eens hoe netjes ik me gedraag.
Helen was ook aan boord. Ze was zich in haar hut aan het bedrinken met vier klasgenootjes van Sarah Lawrence. Ze was een lang, slank, rondborstig meisje met van dat asblonde haar dat bijna grijs lijkt en pas jaren later een populaire haarkleur werd. Ze had een witte Franse poedel en had voor vertrek Franse les genomen.
Toen de zes weken eindelijk voorbij waren, kreeg Caroline een brief op de dag dat Eddies schip zonder hem aankwam in New York.
‘Ik weet niet hoe ik het je moet vertellen,’ zo begon de brief. ‘Dit is de vierde keer dat ik je probeer te schrijven. De vorige drie ver sies heb ik verscheurd.’ Het klonk alsof hij het erg sneu voor zichzelf vond dat hij het haar moest vertellen. Hij dacht waarschijnlijk: wat een drama, wat een drama. Het is zoveel makkelijker om je liefde te verklaren dan om diezelfde liefde in te trekken, vooral als het iemand was die je nog steeds erg leuk vindt. Zo te horen vond hij deze vervelende kwestie erger voor zichzelf dan voor haar. Zij hoefde immers alleen maar zijn brief te lezen en haar toekomst en geluk stilletjes aan scherven zien vallen.
Eddie had altijd al een hekel gehad aan vervelende kwesties. Misschien dacht hij dat een huwelijk met Helen Lowe alles zou oplossen. Zij was gedistingeerd, verstandig, intelligent en mooi, en haar vader bezat oliebronnen. Of misschien was hij net als al die andere eenzame studenten in Parijse cafés (of in zijn geval aan boord van een schip) op zoek naar een bekend gezicht. Misschien had Caroline hem te hoog ingeschat. Dus Helen en haar ouders namen samen met hem de boot terug naar Amerika en een maand later volgde een wanstaltig kostbare bruiloft in Dallas.
Aangezien ze haar zomercursus had afgemaakt, was er niet nog een laatste collegejaar dat afleiding kon bieden. Dus deed ze een cursus Handel en Steno en de dag nadat ze die had afgerond, nam ze de eerste baan aan die haar werd aangeboden. Het maakte haar in feite niets uit, als ze maar van negen tot vijf iets te doen had, want dat betekende dat ze acht uur lang niet over haar eigen zaken hoefde na te denken. Toch was ze eigenlijk wel blij dat het een baan in de uitgeverswereld bleek te zijn. Ze kocht drie Fabiantijdschriften die ze de avond voor haar eerste werkdag bij Fabian van voor tot achter doorlas. Ze wist niet zeker over wie ze zich meer verbaasde, de mensen die zulke rommel lazen of de mensen die het publiceerden. Maar het vreemde was dat ze tegenwoordig bij elk verhaal met een happy end moest huilen.
‘Ben jij de nieuwe secretaresse? Ik ben Amanda Farrow.’
Caroline sprong op en schudde haar dagdroom van zich af. De vrouw die voor haar stond was achter in de dertig, lang en slank, met glanzend koperrood haar in een strakke chignon. Ze zag er zelfverzekerd en elegant uit in haar modieuze kleding. Ze droeg zelfs een klein hoedje, of eigenlijk twee donzige veren met een piepkleine zwarte voile. ‘Ik ben Caroline Bender.’
‘Ik zie je graag zo dadelijk in mijn kamer. Nummer negen.’
Ze keek toe terwijl Amanda Farrow in kamer Negen verdween en diepte toen een stenoblok en een paar potloden op uit de la van haar nieuwe bureau. Dankzij haar verkenningstocht eerder die dag wist Caroline dat Amanda Farrows kantoor een van de chiquere kamers was, één rang lager dan de kantoren met tapijt. Ze zag de plafondverlichting in kamer Negen aangaan, wachtte nog even, opende de deur en stapte naar binnen.
Amanda Farrow zat aan haar grote bureau. Ze had nog steeds haar hoedje op en was haar nagels aan het lakken. Er stonden een grote archiefkast tegen de muur en twee leunstoelen voor het bureau.
‘Ga eerst maar een kop koffie voor me halen, zwart met suiker,’ zei Amanda Farrow. ‘Alle papieren die opgeborgen moeten worden, liggen in deze doos. Mijn secretaresse is vorige week opgestapt en het is hier een rommeltje. De post komt viermaal per dag. Alles wat binnenkomt, maak je open en alles wat een persoonlijk antwoord vereist, gaat in deze doos. Sommige post kun je zelf beantwoorden, als het van vreemde snuiters komt bijvoorbeeld. Maar alles wat je schrijft, moet ik zien voor je het verstuurt. Heb je een Social Security-kaart?’
‘Nog niet.’
‘Nou, dan moet je die tijdens je lunchpauze maar gaan halen. Mr. Fabian is heel strikt als het gaat om werknemers zonder Social Security-kaart. Je hebt een uur voor de lunch en ik wil dat je op tijd terug bent, want dan kun je mijn telefoongesprekken aannemen. O, en als je tijd hebt, kun je een doosje talkpoeder voor me ophalen bij Saks.’
Caroline vond deze vrouw steeds minder sympathiek. Ze sprak zo snel dat ze nauwelijks te volgen was. Caroline ging in een van de stoelen voor Amanda Farrows bureau zitten en pakte de telefoon om de koffiebar te bellen.
‘Niet hier!’ zei Miss Farrow geïrriteerd terwijl ze haar flesje nagellak dichtdraaide. ‘Dat doe je maar met je eigen telefoon, daarbuiten. Je neemt mijn telefoongesprekken aan je eigen bureau aan en dan neem je op met “het kantoor van Miss Farrow”. Als je mijn koffie hebt besteld, kun je terugkomen om een brief op te nemen.’
Caroline haastte zich terug naar haar bureau, belde de koffiebar, ging terug om de brief op te nemen, moest stoppen met archiveren om nog een brief op te nemen om vervolgens te moeten stoppen met het uittypen van de brieven om nog meer te archiveren. Amanda Farrow leek een allesbehalve ordelijke geest te hebben; zodra ze iets bedacht dat met spoed gedaan moest worden, bedacht ze iets anders wat nog grotere spoed vereiste. Elke keer als de telefoon ging, moest Caroline stoppen met archiveren en de kamer uit rennen om aan haar eigen bureau de telefoon op te nemen. Af en toe kwam Miss Farrow haar kantoor uit om over Carolines schouder mee te kijken. De eerste keer dat ze dat deed kreeg Caroline zo de zenuwen dat ze meteen twee fouten maakte. ‘Ik dacht dat jij goed kon typen,’ zei Miss Farrow.
Om twaalf uur precies, na twee uur op kantoor, vertrok Miss Farrow om te gaan lunchen.
‘Hoe bevalt je nieuwe baas?’ vroeg Mary Agnes.
‘Ik hoop dat ik haar maar tijdelijk heb,’ zei Caroline bezorgd. ‘Ze heeft de laatste drie jaar twaalf secretaresses gehad,’ zei Mary Agnes. Ze pakte een boterham in bruin papier uit haar bureaula en trok een wit acryl truitje met glazen kraaltjes aan. ‘Kom, dan nemen we de lift naar beneden.’
‘Weet jij waar ik mijn Social Security-kaart kan halen?’
‘Twee blokken verder zit zo’n kantoor. Maar ik zou eerst iets eten, want het duurt uren voor je aan de beurt bent.’
‘O, maar ik heb maar een uur lunchpauze,’ zei Caroline.
‘Ze komt nooit terug voor half vier, dus weet zij veel. Als je maar om drie uur terug bent.’
‘Hoe komt er ooit werk uit haar handen?’ vroeg Caroline. ‘Of is dat heel naïef van mij?’
‘Het werk wordt niet gedaan door stafleden,’ zei Mary Agnes. ‘Hoe hoger je komt, hoe minder je hoeft te doen. Totdat je helemaal aan de top staat, want dan moet je beslissingen nemen en dat is moeilijk. De mensen net onder de top zitten het beste.’
Toen Mary Agnes richting metrostation vertrok, keek Caroline rond op Fifth Avenue. Iedereen leek haast te hebben om ergens te komen, iemand te ontmoeten of iets te gaan doen. Meisjes probeerden tijdens hun lunchpauze haastig wat te winkelen in de warenhuizen, koeriers haastten zich om hun envelop of pakketje af te leveren voordat de ontvanger zou gaan lunchen, leidinggevenden wilden zo snel mogelijk aan hun eerste martini zitten. Op de trappen van St. Patrick’s Cathedral stonden een paar toeristen hun camera’s in lederen hoesjes scherp te stellen op elkaar, breed glimlachend voor de historische architectuur. Een vlucht duiven rees met een droog, fladderend geluid vanaf de bovenste trede op, alsof iemand een wolk witte houtkrullen omhooggooide in de koude lucht. De zon was gaan schijnen en alles schitterde.
Caroline voelde plotseling een enorme opwinding. Het was haar eerste dag in een nieuwe baan waar ze vijftig dollar per week zou verdienen. Het leek een heel fortuin. Ze woonde nog bij haar ouders in Port Blair in de staat New York, en behalve kleding, lunch en kaartjes voor de metro had ze bijna geen onkosten. Misschien zou ze tegen de zomer opslag krijgen en dan kon ze met een ander meisje een flatje in New York huren. Er werken minstens honderd meisjes bij Fabian, dacht ze. Ik vind vast wel iemand die ik aardig vind en die zin heeft om een flatje met mij te delen. Ze baande zich een weg door de mensenmassa, knipperend tegen de onverwachte winterzon en ze besefte pas dat ze liep te glimlachen toen een loopjongen in een leren jack haar toe grijnsde en zei: ‘Hallo, schoonheid.’
Hij vindt zichzelf een hele bink, dacht ze. Als ik me zou omdraaien en hallo terug zei, zou hij vast flauwvallen. Ze moest lachen. Ze was nog gewend aan het gemoedelijke van een klein universiteitsstadje waar je in het kwartiertje lopen van het studentenhuis naar de collegezaal al kaakkramp kon krijgen van alle glimlachjes naar vage kennissen. En uiteraard kende iedereen iedereen in Port Blair, soms niet persoonlijk, maar dan toch via het roddelcircuit.

[...]

Copyright © 1958 Rona Jaffe
Copyright Nederlandse vertaling © 2011 Petra C. van der Eerden / bv Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam

Uitgeverij De Arbeiderspers

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum