Leesfragment: Vossenblond

27 november 2015 , door Rascha Peper

6 september verschijnt de nieuwe roman van Rascha Peper, Vossenblond. Vanavond kunt u al de eerste pagina's lezen en uw exemplaar reserveren.

Walter Tervoort, archeozoöloog, is al jaren geleden gescheiden. De eenzaamheid bestrijdt hij door zo nu en dan een escortdame aan huis te laten komen, liefst een pronte volksvrouw van zijn eigen leeftijd.

Wanneer op een avond de jonge, roodblonde Vera op bezoek komt, raakt zijn bestaan ontregeld en kan hij zich voor het eerst van zijn leven niet goed meer concentreren op het karwei waaraan hij bezig is: het opgraven en bergen van skeletten vanonder een eeuwenoude kerkvloer. Al snel valt het voor hem niet meer te verkroppen dat zijn muze haar geld in de prostitutie verdient. Maar de eigenzinnige, ondoorgrondelijke Vera maakt niet de indruk zich door hem te willen laten 'redden'.

Vossenblond is een breekbare en tegelijk zinderende roman over de aloude verknooptheid tussen Eros en Thanatos en de grillige wegen van liefde en lust.

N.B. Zie ook het uitgebreide fragment uit Pepers vorige roman, Zwartwaterkoorts, op deze site.

1

De argeloze bezoeker die de Grote Kerk in Alkmaar kwam binnenstappen zou, indien nog Bijbels geschoold, overvallen kunnen worden door de gedachte dat hier het laatste oordeel begonnen was: de graven geopend en de doden herrezen. Niet dat de laatsten in den vleze waarneembaar waren, maar de grafkuilen lagen over de volle breedte van de kerkvloer open en de eeuwenoude dekplaten waren afgevoerd. Met wat fantasie kon je in de archeologiestudenten die rond de kuilen bezig waren een hemelse ordebewakingsdienst zien; vandaag droeg een van hen zelfs een voetbalshirt met op de rug ‘Gabriël 1’. Maar wie oog voor techniek had, zag in het zuidtransept al de materialen voor de vloerverwarming liggen die de aannemer daar opgestapeld had.
Kerken behoorden niet tot Walters liefste werkplekken. Hij voelde zich ongemakkelijk in een sfeer van verhevenheid, aanbidding en godsdienstige symboliek. Het bracht muffe herinneringen aan zijn moeder in haar laatste jaren naar boven, de jaren waarin ze tot de hervormde gemeente van haar jeugd was weergekeerd. Bovendien werkte hij het liefst buiten; het pas blootgelegde merovingische paardengraf bij Borgharen, waar hij het afgelopen weekend doorgebracht had, was hem liever dan het moeizame gewroet tussen de fundamenten van een gebouw waarin door de eeuwen heen een gekmakend aantal veranderingen aangebracht was. Maar nu na een grauwe ochtend de zon doorbrak, verzoende hij zich prompt met de kerk.
Het licht viel door de kleine glas-in-loodruitjes zo zilverig opaal naar binnen, letterlijk als een geschenk van boven, dat de ergste godloochenaar nog de neiging zou krijgen van gewijd licht te spreken. Er leek zegen op hun werk te rusten. Zelfs de muurschildering boven in het koorgewelf, waarop een geharnaste aartsengel Michaël bezig was met het wegen der zielen – poedelnaakte stervelingen, zojuist het graf ontvloden, stapten op een grote weegschaal –, werd op slag vriendelijker. Het deel waarop de verdoemden door hellemonsters werden meegenomen om in ketels gekookt of aan een martelrad in stukken gesneden te worden sprong weliswaar meer in het oog dan het gedeelte waarop de zaligen door engelen naar het hemels paradijs werden gevoerd,maar bij deze lichtval kreeg je vanzelf het gevoel dat het met het gewicht van die zielen wel goed zat. Altijd als Walters blik op de voorstelling viel, schoot hem die stupide eenentwintig gram te binnen. Omstreeks 1910 had een Amerikaanse wetenschapper stervenden vlak voor en vlak na het moment van overlijden gewogen, met bed en al. Hij was tot de ontdekking gekomen dat de proefpersonen na het uitblazen van de laatste adem eenentwintig gram lichter waren. De ziel woog dus eenentwintig gram. Zulke feiten beklijfden in je geheugen als een deuntje dat je niet uit je hoofd krijgt.
‘Walt, kom even kijken!’ riep Bart vanuit de buurt van de negentiende-eeuwse grafkuil in de kooromgang waar onder zijn leiding gegraven werd.
Hij liep ernaartoe.
‘Weer een kunstgebit?’
Een paar dagen geleden hadden ze in dezelfde kuil een skelet met een bovengebit van olifantsivoor gevonden. Een vernuftig gesneden meesterwerkje van tandartsenij zoals hij niet eerder gezien had.
‘Nee, een mooie jurk.’
Over het zojuist blootgelegde geraamte van een vrouw lagen nog resten onverteerde, dofblauwe stof in japonvorm over de botten. Al het zoveelste skelet waaraan nog textiel kleefde. Op geen enkel kerkhof zag je zoveel kledingresten; de droge bodemomstandigheden van de op een terp liggende kerk hadden het vergaan van vesten, jakken en lijfjes belemmerd. Ze hadden ook pruiken, kousen en laarzen op de botten gevonden; opmerkelijk weinig broeken.
Paula, de kledinghistorica die aan een proefschrift over negentiende-eeuwse grafcultuur werkte, hing op stukken rubberband om haar jeansknieën zo ver over het geraamte heen alsof ze de beenderen wilde kussen. Ze wees een paar verstelde plekken aan; als je goed keek, was zelfs het garen waarmee de reparaties waren uitgevoerd hier en daar nog zichtbaar. Sinds de universiteiten geen geld meer beschikbaar stelden voor dit soort gemeentelijke projecten, moest je het wat specialismen betreft van vrijwilligers hebben, en Paula was zo’n aanstekelijk enthousiaste vrijwilligster dat iedereen op dagen dat zij aanwezig was geïnteresseerd in kleding raakte.
‘Rachitisbeentjes,’ zei Bart.
‘En scoliose. Moet je zien hoe die ruggengraat verdraaid is. Een kielvormig borstbeen ook. Zal een krom wijffie geweest zijn. De linkerschouder komt helemaal omhoog. Die hebben ze niet recht in de kist kunnen krijgen.’
‘Kijk eens, dit moet een strik op de achterkant van de jurk geweest zijn,’ wees Paula.
Om haar te plezieren gingen Bart en Walter door de knieën en tuurden naar een verdikt stuk stof dat onder het heiligbeen geplet lag en aan weerszijden daarvan nog iets als een plooiing vertoonde.
‘Ze mag dan gebocheld geweest zijn, ze had wel een zijden japon aan!’
Paula’s theorie was dat in het slechte economische tij van de Franse tijd, waarin nauwelijks stoffen te koop waren geweest, de doden bij voorkeur in afgedragen spullen begraven waren. Wat nog niet versleten was, konden de nabestaanden te goed gebruiken om het onder de grond te stoppen. Hollandse nuchterheid. Wie wilde pronken gaf zijn geld liever uit aan een begrafenismaal waar de buurt nog lang over napraatte of aan het extra lang luiden van de klokken. Het ontbreken van broeken verklaarde zij uit het gebruik een gestorvene tot over het middel met een doek af te dekken; de broek zag je toch niet. De linnen onderkleding verging volledig; alleen van wol en zijde vond je nog wat terug. Een mooie jurk was dus iets bijzonders.
‘Een sjieke toverkol,’ zei Bart. ‘Misschien een woekeraarster die geld uitleende voor een wurgrente of een koppelaarster die mooie, arme burgerdochters aan verdorven, rijke kerels hielp.’
‘Of een eerzame naaister,’ zei Paula.
‘Die lag hier vast niet in de kerk.’
Walter keek over de kerkvloer. Ze waren hier nu een halfjaar bezig. De aanpak was van begin af aan geweest om de graven niet laagsgewijs bloot te leggen, maar om per kuil te werken, zoals er door de eeuwen heen ook begraven was. In totaal moesten hier zo’n twaalfhonderd skeletten liggen, daterend van begin zeventiende eeuw tot aan 1830, het laatste jaar dat er in de kerk begraven was. Hoe vaak er in de loop der tijd ook geschud was, op sommige plaatsen lagen ze met zijn twintigen boven elkaar. Hij had opdracht van de gemeente om al die beenderen, uitgesorteerd en beschreven, in keurige knekelkisten te herbegraven. Toen hij het werk aannam, had hij het op vijf maanden geschat. Die waren nu allang om en ze hadden nog wel zes weken te gaan; hij zou er geld bij inschieten. Bart, zijn enige fysisch antropoloog, werkte er met een wisselend legertje studenten fulltime aan; verder konden er geen mensen in vaste dienst ingezet worden. Bovendien begon bij zo’n karwei alles wat in Nederland met archeologie te maken had te watertanden: ze werden voortdurend door keramiek-, glas- en muntspecialisten of medisch-historici van het werk gehouden.
Zijn telefoon ging. Het display vertoonde Trudy’s nummer. Hij liep een eindje de viering in en nam op.
‘Ik kan morgen niet komen,Walt,’ viel Trudy met de deur in huis.
Hij was direct uit zijn humeur.
‘Verdomme. Wanneer dan?’
‘Nou...’ zei Trudy op een manier die hem al meteen nattigheid liet voelen, ‘eerlijk gezegd, jongen, helemaal niet meer. Het spijt me vreselijk,maar ik houd ermee op.’
‘Met mij toch niet?!’
‘Jawel, lieverd. Met jou ook. Het doet me echt verdriet, maar ik moet ermee uitscheiden. Het wordt te moeilijk.’
Dit overviel hem niet. Trudy had het er al vaker over gehad, maar hij wilde het opnieuw niet begrijpen.
‘Wat is er nu moeilijk aan mij?! En het gaat toch goed?’
‘Ja, schat, het gaat hartstikke goed. Het ligt ook niet aan jou, helemaal niet. Het is alleen: ik krijg te veel moeilijkheden met me man. Nu hij zoveel extra diensten draait, wil hij het echt niet meer.’
‘Dan vertel je het hem toch niet!’
‘Dat gaat niet, hij merkt het toch. Vorige keer kwam hij opeens thuis toen ik zelf nog maar net binnen was en hij had het meteen in de gaten. Ik heb er flink mot over gehad.’ ‘Trudy, luister eens...’
Hij staarde over de opgebroken kerkvloer, de gapende kuilen, de knekelkisten her en der, de studenten die op hun knieën aan het werk waren of met een bekertje koffie op een krat zaten.
‘...je kunt me toch niet opeens in de steek laten?’ eindigde hij slap.
‘Ik zeg ook: het spijt me vreselijk. Dat meen ik.’
Hij zag haar bedrukte gezicht voor zich. Hoe haar onderkin op dit moment op haar witte hals moest rusten en haar onbekommerde, blauwe ogen sip naar haar telefoontje keken. Waarschijnlijk trok ze met haar vrije hand aan het gouden kruisje op haar borst, zoals ze vaak deed als ze zich verlegen voelde.
‘Maar ik kan er niets aan doen. Het moet nu eenmaal. Je vindt weer iemand anders, Walt, dat weet ik zeker. Oók een aardige vrouw.’
‘O, vast wel. Genoeg aardige vrouwen! Misschien mis ik je niet eens. Misschien ben ik volgende week blij dat je niet meer komt.’
‘Doe nou niet zo lelijk tegen me, jongen. Heb d’r een beetje begrip voor. Ik moet toch met me man verder, hè? Ik kan toch niet zeggen: barst jij maar!’
‘Nee, dat kun je alleen tegen mij zeggen.’
‘Zo bedoel ik het niet. Ik hoop dat je het me niet kwalijk blijft nemen.’
‘Dat doe ik wel.’
‘Dan zeg ik je nu maar gedag.’
‘Trudy...’
Maar ze had al opgehangen.
Hij liep terug naar zijn collega’s rond het graf en staarde naar de O-benen van de vrouw in de blauwe jurk. Toen hij een kwartier later weer ellepijpen en dijbenen aan het opmeten was, verloor hij zich zozeer in innerlijke woede op Trudy dat het moeite kostte voorzichtig om te blijven gaan met de botten en ze niet op elkaar te kwakken. Hij overwoog om het meten en noteren maar aan Bart over te dragen en een wandeling door de zonnige binnenstad te gaan maken, maar helaas was hij daar te veel vakman voor. Alle schattingen over ouderdom en gebitten moesten door dezelfde persoon gedaan worden; als die verkeerd schatte was het tenminste consequent en de opdrachtgever had recht op consequentie.
Tussen de notities in zat hij grimmig te fantaseren hoe hij de bakkerij waar Trudy werkte zou weten te vinden. Hij zou er binnenkomen op een druk tijdstip, zaterdagochtend elf uur bijvoorbeeld, en haar zien verbleken boven het lichtblauwe schort, het schort met de naam van de bakkerij erop, dat ze op zijn eigen verzoek een keer uitvoerig beschreven had, omdat het hem opwond haar zich in dat schort voor te stellen.Hij zou wachten tot hij aan de beurt was. Ze vermeed zijn blik natuurlijk en wendde zich tot een andere klant. De collega die hem in haar plaats hielp zou vragen of hij nog iets anders wilde dan een halfje gesneden volkoren.
‘Nee, dank u. Bent u trouwens een beetje tevreden met uw salaris hier?’
Op zo’n vraag kreeg je geen antwoord.
‘Wat zegt u, meneer?’ vroeg het bakkersmeisje hooguit, of er volgde een grapje, al naargelang haar aard, maar intussen keek en luisterde de halve winkel al mee.
‘Ik vraag het,’ zou hij met luide stem zeggen, ‘omdat een collega van u helemaal niet tevreden is met haar loon. Die verdient een leuk centje bij met herenbezoek. Lucratief, hoor. Ze maakt algauw vierhonderd euro per avond. Blijven slapen kost het dubbele, maar dat doet ze niet, want dan merkt haar man het.’
Intussen keek hij strak naar Trudy. Wat zouden ze doen? De bakker roepen? Of werd hij door een andere klant de winkel uit gebonjourd?
Het kon ook anders, simpeler.
‘Dag Trudy, kom je nog eens bij me op bezoek?’
‘Waar kan ik u mee helpen?’ zou ze ijzig vragen.
‘Massage en oraal zonder condoom. Je weet het adres.’
Nog beter als hij te weten kon komen waar ze woonde. Aanbellen op een moment dat je kon verwachten dat haar man aan de deur kwam.
‘Meneer, mag ik dit even aan u afgeven? Dat heeft uw vrouw bij mij laten liggen. Ze heeft het misschien nog nodig.’
En daarbij een plastic tasje overhandigen met een rode hoerentanga erin.
Al deze dingen zou hij nimmer doen, omdat hij een beschaafde man van achtenvijftig was, die vrouwen met hoffelijkheid tegemoet trad, of het nu een archeologe, een winkelmeisje of een escortdame was,maar de wraakoefeningen die hij tot in de boosaardigste finesses uitdacht, luchtten hem een beetje op. Uiteindelijk bleef hij echter met een dof gevoel van verongelijktheid zitten. Na vier jaar liet Trudy hem zomaar in de steek.
Bart kwam bij hem staan.
‘Op de radio voorspellen ze voor het eind van de week drieentwintig graden, in het zuiden zelfs warmer,’ zei hij verlekkerd.
Het was nu maandag. Op vrijdag zouden ze er samen tussenuit knijpen naar Borgharen, naar het paardengraf. Bart verheugde zich daar kinderlijk op. Hijzelf trouwens ook; het vooruitzicht om opnieuw een weekend in de aprilzon aan de oever van de Maas te werken verzachtte zijn gemoed.

Net terwijl hij thuis in Haarlem zijn voordeur openmaakte, begon de vaste telefoon te rinkelen. Trudy, om te zeggen dat ze er nog eens over nagedacht had en dat ze morgen toch maar kwam. Maar nee, ze belde nooit zijn vaste nummer. Hij gooide zijn tas in de hal neer, haastte zich naar de werkkamer en nam op.
‘Ja,meneer Vervoort,’ zei een mannenstem. ‘Met de secretaris van meester Maliepaard. Ik bel u om te zeggen dat uw afspraak morgenochtend niet kan doorgaan. De heer Maliepaard moet plotseling naar het buitenland.’
‘U heeft een verkeerd nummer. U spreekt met Walter Tervoort.’
‘Mijn excuses, neemt u me niet kwalijk. Meneer Tervoort bedoel ik.’
‘Maar ik heb geen afspraak! Ik ken geen meester Maliepaard.’
‘U... u kent hem niet?’
‘Nee.’
‘Ach, dan is er een misverstand. Mag ik vragen wat uw nummer is?’
Hij noemde geduldig zijn telefoonnummer.
‘Ja, dat staat hier ook,’ zei de man, aandachtig, alsof hij de genoemde cijfers met zijn vinger had meegewezen. Een moderne bejaarde waarschijnlijk. Iemand die nog bezigheid wilde hebben na zijn pensioen,maar tot wie alles niet meer zo snel doordrong.
‘Toch bent u verkeerd. Goedenavond,meneer.’
Hij wilde al neerleggen, toen de secretaris zei: ‘En u heeft geen absoluteringsverzoek ingediend?’
‘Wat voor verzoek?’
‘Een absoluteringsverzoek.’
‘Ik zou niet eens weten wat dat is.’
‘Dan is er iets raars aan de hand, hier intern,’ zei de man.
‘Neemt u me niet kwalijk,meneer.’
‘Nee, hoor. Ik absoluteer u. Goedenavond.’
Hij trok zijn jas uit en liep terug naar de hal. Hij trof het niet met zijn afspraken voor morgen. Maliepaard opeens naar het buitenland, liet zijn secretaris alles afzeggen. Een zakenman? Advocaat? Absoluteringsverzoek. Zeker verkeerd verstaan. Annuleringsverzoek, activeringsverzoek, de mensen deden de gekste verzoeken.

Na een snelle avondmaaltijd bekeek hij in zijn bijkeuken de lijst met dieren in de vrieskist. Er lag nog een caracal uit Blijdorp waaraan hij nodig moest beginnen; die zou hij eruit kunnen halen voor morgenavond. Maar hij had er geen zin in: katachtigen interesseerden hem niet en om nu morgenavond, als hij zelf al katterig genoeg was, ook nog met een caracal opgescheept te zitten, was te veel gevraagd. De Indische tapir, die hij voor de referentiecollectie al helemaal niet kon gebruiken, was een te grote klus in zijn eentje.De drie kuifzaagbekjes waren meer een priegelwerkje voor tussendoor, net als de fluiteend. De Kaapse haas kwam ook niet in aanmerking; daar zette hij Bram, zijn biologiestudent, wel een keer aan: leerzaam. Eigenlijk wist hij in zijn hart allang wat hij zou doen, het bekijken van de lijst was maar voor de vorm.
Hij opende de vrieskist, verplaatste een paar pakken en haalde een zware, stijfbevroren klomp tevoorschijn waarvan het borstelige, bruine haar door het plastic heen schemerde. Buiten, op het binnenplaatsje, legde hij het pak op een zinken onderschotel en plaatste er een verzwaarde gazen kooi overheen, zodat er geen katten aan het karkas konden komen. Bij dit zachte weer zou het morgenavond ontdooid zijn. Daarna zette hij zich aan zijn bureau in de werkkamer om voor het journaal van tien uur nog een stapeltje dossiers bij te werken. Maar zijn gedachten dwaalden af naar Trudy.

[...]

Copyright © 2011 Rascha Peper
Copyright auteursportret © Vincent Mentzel

Uitgeverij Querido

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum