Leesfragment: Vroeger is ook mooi

11 december 2011 , door Marita Mathijsen
|

5 januari vieren we bij Athenaeum Boekhandel de verschijning van Vroeger is ook mooi, de nieuwe essaybundel van Marita Mathijsen. Vanavond publiceren we er met een blos op de wangen uit voor. Het essay heet 'De echte boekwinkel' en we spelen een hoofdrol.

Voor een verbijsterd publiek begon Marita Mathijsen haar Huizinga-lezing in de deftige Leidse Pieterskerk met de zin: ‘Ik heb een oud hondje. Binkie. Hij is blind.’ Om daarna haarscherp de blindheid van haar hondje te gebruiken om de noodzaak van het verleden te demonstreren. In haar befaamde Jan Hanlo-lezing over gebrek aan stijl stelde ze voor om Connie Palmen en Nelleke Noordervliet in tweeën te knippen en de essayschrijver en romanschrijver apart aan te bieden op Marktplaats, om te zien welke het meest opbracht.

Alles van vroeger is weerloos, als er geen verdedigers zouden zijn van de schoonheid van wat achter ons ligt. Marita Mathijsen weet als geen ander de waarden van het verleden naar het heden toe te halen. Maar ze gooit ook met kennelijk plezier tradities omver als die geen betekenis meer hebben voor het heden. Haar trefzekere en gevoelige stijl wordt bits zodra ze zich opwindt over onbegrip en domheid. Die ziet ze in de afbraak van historische gebouwen, in de minachting voor oudere schrijvers, in de blaaskakerij van academici. Veel van haar essays probeert ze eerst uit op een luisterend publiek, en dat kent inmiddels haar provocerende en onorthodoxe openingen en vergelijkingen. In Vroeger is ook mooi zijn de meest opzienbarende lezingen en essays bij elkaar gebracht.

 

De echte boekwinkel

De eerste boekwinkel waar ik kwam was een kantoorboekhandel in mijn geboortedorp. Ze verkochten er geen boeken, behalve catechismussen en kerkboeken. Verder waren er penhouders en kroontjespennen (2 voor 1 cent als ik het me goed herinner), potloden, dozen Caran d’Ache kleurpotloden, inktpotten, schriften, kladblokken en dergelijke. Wij kwamen er alleen om de catechismus en pennen te kopen.
De tweede boekwinkel die ik bezocht lag in Roermond, in de buurt van mijn middelbare school. Boekhandel Willems had aan de straatzijde van de winkel in de etalage catechismussen, streekromans en boeken van Marie Koenen en Bertus Aafjes staan, zodat de passerende pastoors en paters zich niet zouden ergeren. Maar achter in de winkel stonden de literaire reuzenpockets van De Bezige Bij en boeken van Meulenhoff, en verse literatuur uit Duitsland. Daar kochten mijn broer en ik boeken van Jan Wolkers, Hugo Claus en Harry Mulisch, en van Peter Weiss, die toen net bekend werd. Er was een keurige oude boekverkoper in pak, die opveerde als hij de schooljeugd binnen zag komen, die meeliep naar achteren en ons daar wees op wat net binnengekomen was. Ik herinner me de sensatie die we ondergingen toen we de eerste Wolkers daar ontdekten, want zo voelde het toen we Serpentina’s petticoat in handen kregen.
Toen ik in 1966 ging studeren in Amsterdam werd meteen Athenaeum Boekhandel opgericht. Er is geen verband tussen het een en het ander.

Ik weet niet meer welk boek ik het eerst kocht bij Athenaeum, maar ik weet wel de opwinding die wij studenten voelden toen die mooie nieuwe zaak openging, met dat zo ongekend nieuwe interieur. Boekhandelaar Gerke Postma van het Huis aan de Drie Grachten, waar wij als studenten Nederlands door de docenten naartoe gestuurd werden, moet onmiddellijk een forse omzetdaling gekregen hebben, want voortaan gingen wij alleen nog voor de allerergste studieboeken naar Gerke, verder kochten we alles bij Athenaeum.
Destijds werden andere boekwinkels vooral gerund door bejaarde heren, gekleed in het morsige bruin van hun boekenplanken. Licht was het voornaamste verschil met Athenaeum. In de oude boekwinkels kwam geen licht binnen, terwijl de nieuwe winkel van drie kanten licht ving. Het was nog steeds een winkel van een heer, maar wel die van een jonge meneer in een maatpak. Alles sprak ons toen aan: het assortiment, de inrichting, het publiek dat er vanaf het begin kwam. En Athenaeum heeft dat al die jaren weten te behouden.
Zeker speelt de ligging een belangrijke rol. Wie een beetje gevoel voor onderaards gemurmel heeft, weet dat Athenaeum eigenlijk ook aan drie grachten ligt. Voor het gebouw lag tot in de negentiende eeuw het Spui, een breed stuk water dat vanaf Hoppe strekte tot de Lutherse kerk, en doorliep tot de Kalverstraat, vooraan vrij breed, achteraan wat smaller. Als je op oude kaarten kijkt, lijkt de vorm een beetje op die van een urinaal. Wat nu de Spuistraat heet was toen de Nieuwezijds Achterburgwal, met een gracht. Ook door de Nieuwezijds Voorburgwal liep het water. Het weeshuis, het tegenwoordige Amsterdam Museum, en de oude panden van het Begijnhof stonden met hun voetjes in het water, zoals nu nog de huizen bij het Damrak. Op de een of andere manier lijkt dat water zich nog te spiegelen in de ruiten van Athenaeum. De lichtval van binnen lijkt op die van een pand dat aan water staat. Het is een knooppunt in de stad. Toeristen komen er niet eens zo veel. Die lopen van het Begijnhof weer terug naar de Kalverstraat en het Rokin en komen vanuit de Munttoren op de Bloemenmarkt uit. Het is vooral een trefpunt voor intellectueel Amsterdam: alle alfagebouwen van de universiteit liggen op spuwafstand, de beste cafés en lunchgelegenheden kijken erop uit. Men loopt van de Universiteitsbibliotheek naar Athenaeum, koopt wat boeken en drinkt daarna wat bij De Zwart. Als er toevallig een lunchlezing is, loopt men bij Spui 25 binnen. Wie bij De Zwart binnengaat hoort een plastic tasje van Athenaeum bij zich te dragen.
Wat ook een zwaartepunt van Athenaeum is, is de bediening. Terwijl ik het woord gebruik, weet ik al dat het niet het juiste is. Je wordt bij Athenaeum niet bediend, je raadpleegt er mensen die heel veel van boeken weten. Dat kan de directeur of de jongste bediende zijn, dat maakt helemaal niets uit.
Rob van Gennep zei ooit over de veranderingen in uitgeversland: ‘Er wordt gelogen, bedrogen en gelasterd. De mores vervagen, er zijn niet veel nette uitgevers meer.’ Wat hij vele jaren geleden over uitgevers zei, geldt des te meer voor boekenwinkels: de boekhandel met een groot assortiment, met een overvloed aan dichtbundels, met gebonden verzamelde werken op de planken, en met veel import uit het buitenland is schaars aan het worden. Vraag bij een doorsnee boekhandel naar Van de koele meren des doods van Frederik van Eeden, en men zal u vriendelijk helpen, vragen hoe je Van Eeden spelt en op de computer opzoeken of het boek op de etage met boeken over stervensbegeleiding of op die van waterhuishouding staat.

Wat ik me nu afvraag is of alle boekhandels vroeger intellectuele centra waren. Waren het allemaal meneren, bij wie je binnenliep om te discussiëren over de nieuwste literatuur uit binnen- en buitenland? Ik moet u wat dat betreft teleurstellen: het is niet zo dat het vroeger allemaal beter was. Ik heb gekeken in oude adresboeken van de boekhandel, en de combinaties die je dan aantreft geven te denken. De boekhandel combineren met tabakshandel ligt nog wel voor de hand en men kan zich heel wat sigarenrokers voorstellen die gediend waren met een winkel waar ze al rokend een boek konden aanschaffen met een bijpassende sigaar; maar dat geldt al minder voor een boekhandel annex melkinrichting, die ik ook tegengekomen ben. Helemaal vreemd is de combinatie boekwinkel met doodskistenverkoop.
Er zijn ook verhalen over boekwinkels die wél een centrum van intellectueel verkeer waren. In de negentiende eeuw, en ook daarvoor, was een boekhandel vrijwel altijd ook een boekdrukker en uitgever. Daardoor alleen al kon hij een veel centralere positie innemen dan tegenwoordig een boekhandel.
Bekend zijn de boekhandels waar de verlichte geesten van de achttiende eeuw hun boeken konden uitgeven, en tegelijk hun nieuwe leesvoer uit het buitenland aanschaften. In Den Haag zat de belangrijke uitgever Thomas Johnson, een Engelsman, die gevlucht was naar Nederland en zich specialiseerde in de uitgave van Franse en Engelse boeken. Hij gaf ook Justus van Effens eerste tijdschrift uit, Le misanthrope. In de achttiende eeuw waren er veel allochtone boekhandelaars die zich in Holland vestigden. Dat is een verschijnsel dat we nu nog vrij weinig zien. Er zijn veel Turkse slagers en bakkers, veel Thaise eetgelegenheden en Marokkaanse kappers, maar behalve de Duitse, Engelse, Chinese en Italiaanse boekhandel zijn er geen boekwinkeltjes voor buitenlanders.
Negentiende-eeuwse uitgevers sluiten aan bij de eliteburgerij in die tijd. Een uitgever is over het algemeen iemand die werkt aan de verbetering van de maatschappij en die meebouwt aan de idealen van het burgerschap: vaderlandsliefde, godsdienstigheid, gezin. Boeken kunnen de wereld in de goede richting duwen. ‘Bouwt scholen, geen gevangenissen’, was de kreet, en met een variant daarop: ‘Koop boeken, dan kunnen de tuchthuizen gesloten worden.’ De boekhandelaar krijgt een zware maatschappelijke taak opgedragen. De chroniqueur van de negentiende-eeuwse boekhandel, A.C. Kruseman, meent dat de uitgever aan zichzelf verplicht is lectuur te selecteren:

Bij de vele gepeperde lektuur, die in de romantiek aan de orde is en in den regel, helaas, het meeste geld oplevert, is het voor ons lezend publiek een weldaad te achten, indien de uitgever zich erop toelegt om den smaak te leiden en te geven wat goed in plaats van kwaad kan doen. [...] Maar àl te vaak wordt een roman beschouwd als een onschuldige verpoozing, zelfs in het huisgezin van den eerzamen, deftigen burger. Onschuldig, waar het oog van jongeling en maagd gaat schitteren van onreinen gloed? [...] Tooneel en roman kunnen medewerkers zijn aan volksopvoeding in den besten en ruimsten zin – hoe vaak zenden ze verpestende dampen over ons uit, opwalmende uit den poel van zinnelijkheid en logen! – Heeft de uitgever ook in dit opzicht geen invloed en verantwoordelijkheid?

Die verantwoordelijkheid namen de boekhandelaren dan ook. Bijvoorbeeld Westerman, Diederichs en Van Stockum.

Een meester in de bespeling van de publieke opinie was de Amsterdamse uitgever-boekhandelaar Marten Westerman uit de Kalverstraat. Eigenlijk was hij dichter en acteur, maar hij was niet zo’n hele grote dichter en ook niet zo’n hele grote acteur, dus moest hij zich in leven houden met een boekwinkel. Die gebruikte hij om zijn eigen passies mee uit te leven. Het spreekt dus vanzelf dat hij zijn eigen dichtwerken daar uitgaf, maar ook heel veel toneelstukken. Hij begon al met zijn vaderlandslievende uitwaseming in de Franse tijd. Hij gaf het roken op omdat Napoleon zware accijnzen op de tabak legde, die aan de Franse schatkist toegevoegd werden voor de bekostiging van Napoleons oorlogen. Toen Napoleons nederlaag bekendgemaakt werd stak hij een pijp met tabak uit het stadhouderstijdperk op en schreef het gedicht ‘Neerlands wapenkreet’:

Uw vlag, eenmaal met smaad verscheurd,
Word’ nimmer jamrend weer betreurd!
Neen, voegt uw krachten zamen;
Ja de eendragt geeft ons weder magt:
Op! laat geen beter nageslacht
Zich immer onzer schamen!

Op 1 januari 1814 droeg hij in de stadsschouwburg een gedicht voor, gericht aan de nieuwe Oranjevorst. De kranten meldden dat het publiek niet te houden was. ‘Met ontroerde borst werd hij aangehoord. Na de eerste opwelling van geestdrift keerden alle aanwezigen Zich met het gelaat naar de loge van de vorst en het gehele publiek juichte deze en zijn familie en den dichter donderend en langdurig toe.’
Westerman gaf Vondel in eenentwintig delen uit, voor een voordelige prijs, als een soort Kruidvat avant la lettre. Ten tijde van de Belgische opstand moesten er vrijwilligers geronseld worden: hij had drie zonen die aarzelden wie gemist kon worden. Daarop riep de oude heer uit: ‘Ik of gij drieën!’ waarop de drie zonen gingen. Eén jongen sneuvelde.
Later kreeg hij een nieuwe liefhebberij, samen met een van zijn zonen. Hij begon exotische dieren te verzamelen op zolder en bewoog hemel en aarde om Artis van de grond te krijgen. Benevens gedichten en toneelstukken begon zijn winkel toen ook schreeuwende papegaaien, krijsende apen en boeken over wilde dieren te bevatten. Het maakte zijn winkel alleen maar populairder.

Een andere opvallende boekhandelaar in het Amsterdamse moet Pieter Arnold Diederichs zijn geweest. Ook hij was een nationalist van jewelste. Van hem is bekend dat hij tijdens de Belgische opstand samen met de dichter en suikerraffinadeur Hendrik Warnsinck een nationale klederdracht ontwierp. Het moest maar eens afgelopen zijn met de mode die uit Frankrijk nagevolgd werd. Zowel mannen als vrouwen zouden zich in de nationale klederdracht moeten steken, die natuurlijk op de zeventiende-eeuwse kostuums gebaseerd was. Ik moet zeggen: vooral de mannen werden er heel kek van. Blote kousenbenen onder een soort getailleerde jas met een wijde rok, en een vlotte hoge slappe hoed, het ziet er werkelijk sexy uit. De klederdracht voor de vrouwen was minder apart: pofmouwen, geen decolleté, lange rok. De dameshoeden waren geïnspireerd op bloemen, vooral bloemblaadjes. De margriet was populair. Diederichs gaf twee aparte tijdschriften uit met plaatjes en overtrekpatronen voor de nationale klederdracht, Euphrosine voor vrouwen, Proteus voor mannen. Het gezin van Warnsinck en dat van Diederichs paradeerde op zondagen pontificaal in de klederdracht over de Kalverstraat en het Spui naar de Bloemenmarkt, waar de zaak van Diederichs lag.
Pieter was een van die filantropisch ingestelde burgers zoals men die indertijd veel zag: hij was een collectioneur van handschriften, die hij geschonken heeft aan de Universiteitsbibliotheek; hij was lid van allerlei genootschappen en richtte een moderne leesbibliotheek op. Hij moet een originele man met een rijzige, forse gestalte zijn geweest, die de aandacht trok met joviale manieren. Zijn zaak was enige tijd de grootste boekhandel in ons land, maar met die klederdracht is het nooit wat geworden.

In Den Haag was de boekhandelaar Van Stockum, wiens firma nog steeds bestaat, ruim van hart. Hij wilde niet beslissen voor zijn lezers of hij een bepaald boek wel of niet mocht verkopen. Hij discussieerde vaak met de christelijke staatsman Groen van Prinsterer over de zedelijkheid van buitenlandse lectuur. Groen vond dat hij de boeken van Eugène Sue niet mocht verkopen. Van Stockum vroeg zich af of de ‘weegschaal der beoordeling’ wel in goede handen was bij de boekverkoper. Hij wenste niet te oordelen over zijn kopers.

Dat doen de verkopers bij Athenaeum ook niet. Die oordelen niet. Die verwijzen naar een boekhandel vijftig meter verderop als er klanten komen voor bepaalde boeken die zij niet in hun kasten willen hebben.

 

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum