Leesfragment: Walter

27 november 2015 , door Daniël Rovers

11 augustus verschijnt de tweede roman van Daniël Rovers: Walter. Vandaag kunt u al het eerste hoofdstuk lezen en uw exemplaar reserveren.

N.B. We bespraken Daniël Rovers' debuut Elf eerder, en wel zeer positief.

De twaalfjarige Walter, tweede zoon in een Brabants boerengezin, gaat in 1952 naar het seminarie om tot priester te worden opgeleid. Hij voelt zich er thuis, ook al keren begin jaren zestig steeds meer medestudenten de opleiding de rug toe. Walter blijft, maar schuift zijn priesterwijding op de lange baan. Wanneer hij het seminarie verlaat, is de wereld buiten de muren compleet veranderd. Hij is daar niet voor toegerust.

Walters overstap van het zeer besloten seminarie naar de wereld buiten het instituut stelt hem voor grote problemen. Hij heeft nauwelijks een eigen identiteit ontwikkeld, moet vechten tegen de eenzaamheid, en aan de grote liefde die in zijn leven komt, kan hij zich niet overgeven. Alle zekerheden die hij had opgebouwd, blijken op drijfzand te staan.
De roman Walter bestaat uit 24 hoofdstukken, momentopnames van een tijdperk dat al bijna uit het zicht lijkt te zijn verdwenen.

Een

Zenders

Den Hout, 25 juni 1950

In de zomer, als het eerste ochtendlicht onder de gordijnen de kamer in kierde, hoefde Walter niet gewekt te worden. Als je goed je best deed, dan kon je de zon horen schijnen, had Jos gezegd, maar als Walter luisterde, mond en ogen dicht, hoorde hij in de beuken voor het huis alleen het gekwetter van de koolmezen en een paar lijsters daartussen, en ja, een botvink met het begin van een melodie. En onder het fluiten van de vogels, gedempt door de dakpannen en de muren van de stal, het geloei van het vee. Onzalig doch niet ongelukkig, gemeenschap op vier poten, herkauwers.
’s Winters was het anders, dan hield de slaap je vast in de nacht: het donker bewoond door de vuurvliegjes die je ziet als je op een zomermiddag je ogen voor een moment ferm sluit. Op-stáán, op-stáán, op-stáán. Om zes uur klopte moeder driemaal op de houten achterwand van het bed, zodat het dreunde in het duister waarin hij verscholen lag. Een specht boorde in zijn schedel.
Twee ledikanten stonden in de kamer. Walter sliep naast zijn broer Jos, Johan en kleine Jan deelden het andere bed. In de vakanties moesten zij opschikken als grote Jan thuiskwam van de kostschool in Huijbergen, want zijn blozende, brede lijf had ruimte nodig. Jos reutelde van onder de opgebolde lakens; de open monden van kleine Jan en Johan verzamelden klompsokkenlucht. Walter richtte zich op. Wie wilde er nog in bed liggen nu het licht met putsen tegelijk over het erf werd uitgegoten?
Op de rieten stoel naast het bed lagen zijn broek, hemd, overhemd, vest en sokken; als het nodig was kon hij ze aantrekken op de tast. Zijn vingers herkenden de zachte kriebel van de wol, de koelte van het katoen. Met het vest in zijn rechterhand verliet hij de kamer en liep de brede, met tapijt overtrokken trap af, over de tegels van de hal, door de voorkamer tot aan de drempel van het washok. Daar sliepen nog zijn schoenen, nodig tegen de koelte die van beneden kwam. De Surinamerivier, het olifantengeweer, de glibberige vloer van de koeienstal. Droom heette het avontuur dat ’s nachts in slaap plaatsvond. Hij kletste een weinig water in zijn gezicht.
Het licht viel van boven op de gestuukte witte muur van de gang. Stappen tellen terwijl de druppels drogen met elke pas die je doet. De buitendeur klemde op de drempel, het hout kuchte waar het tegen steen werd gedrukt. Buitenlucht. Walter ademde in, hij rook het gras, een zweem kalverenmest, de wol van het grijze vest.
Het erf liep hij af tot aan de Hespelaar. Daar stond Bertus van Leijsen, met voor hem Bertus Junior, die de melkkar trok. Het beest liet de kop hangen, zijn tong droop uit zijn bek. De vacht van de hond was sleets geworden op de plekken waar de tuigriemen om zijn nek spanden. Junior kwijlde, Van Leijsen sprak: ‘Goeiemorge Walter, gaode gij zo vroeg al nar de kerk?’
Walter zette een hand in zijn zij en antwoordde: ‘De vroegmis vandaag, Van Leijsen.’
Van Leijsen haalde zijn neus op. ‘Jaja, nog efkes is ’t hard werke, mar dan kunde ’t er laoter ook goe van nemen.’
Waarvan zou hij het goed moeten nemen? Van Leijsen legde een hand op zijn schouder, als om hem in de aarde langs de rand van de weg te poten. ‘Ge wit wel wa da’k bedoel. Het goeie Roomse leven. Over een tien jaor is ’t al zover. Elken avend wijn uit Frankrijk drinken in de salon van de pastorie. En de bedienden die schenken ’t in vor zulliejen herder.’
Hij beaamde: ‘Dat is het goede leven, Van Leijsen.’
‘Da is ’t beste leven, jongen. Maar eerst op studie hé, en da zal nie gemakkelik zin. Da witte gij wel, hè?’
Dit wist Walter wel: dat Van Leijsen in de oorlog te veel aardappelschillen had gegeten en daarom ook de huid van een aardappel had gekregen, en dat hij in de zomer zijn zoon Krist, die er vier dagen over had gedaan om geboren te worden, aan een touw in de voortuin vastbond zodat het menneke niet de straat op kon.
Buurman Van Leijsen bleef aandringen op zijn aanwezigheid: ‘Een zoon aon ’t altaor en land aon d’Moerdaik, da is ’t beste wa d’r is.’ Hij knikte van ja, ja en nogmaals ja, haalde zijn neus op, verzamelde het slijm in zijn mond en tufte de fluim op de klinkers. Er zat groen en een zweem van roze in.
Walter deed een pas opzij, ging bijna op de voorpoot van Junior staan. De hond hapte naar het scheenbeen van zijn belager. Kaakgeklak. Uit de bek van het beest kwam putlucht zetten.
‘Da zal ow kontje wel vaore,’ gromde Van Leijsen, en hij schopte het beest in de linkerflank. ‘Onzen misdienaar laote gerust.’
Van Leijsen stampte op de straatstenen, alsof hij het koud had. Zijn klompen moesten nodig hersteld worden. De klompen van een knecht, maar de praatjes van een boer. Het werd tijd voor de mis. ‘Houdoe, Van Leijsen.’ Land bij de Moerdijk, dat kreeg die van zijn leven niet.
Op de Heuvel graasden de vaarzen van Van der Ven. De weide tussen de bomen was leeggevreten, toch bleven de beesten naar de laatste grassprieten op zoek. Daarom ook waren hun ogen zo groot, zoals bij vliegen. Eentje draaide zich om, rood zwol haar achterste op, stront – vlats, vlats – kwam in stoten uit de aars zetten. De zon zou er de hele dag op blijven schijnen. Daar kreeg je stevige, bijna zwarte korsten van, met van binnen groene saus. Maakte de zon alles hard? Kleigrond, pas gemaaid gras, broodkruimels. Maar boter wordt zacht als het in de zon op het aanrecht ligt, en ijs smelt in de sloten als de vorstnachten ophouden te duren.
Walter keek naar de punten van zijn schoenen, Trees had ze gisteren nog gepoetst. Er zat een vlekje op. Was dat water van het wassen of een strontspetter van zo-even? Hij spuugde in zijn zakdoek en ging door zijn knieën om het leder schoon te vegen. Wit belletjesschuim. Jezus Christus stond voor de kerk op zijn sokkel een witte slagtand te wezen.
De kerkdeur had een grote smeedijzeren klink, die je met twee handen naar beneden moest duwen. Donker was het voorportaal, het rook naar kelder en naar hersenschudding. Een tweede deur moest hij door, met daarachter het kerkschip. De koster had naast het altaar twee kaarsen aangestoken. In Made was zo vorig jaar op een ochtend brand uitgebroken; de preekstoel had als een braambos vlam gevat.
Weduwe Van Raamsdonk zat al in de kerk, aan de linkerkant, die van de vrouwen. Het silhouet dat al een keer in zijn dromen was verschenen: gebogen schouders, een dunne nek, het haar dat in een knot samengebonden werd. Sarah kon geen kinderen meer krijgen. Ze had een houten been omdat haar rechter een jaar geleden was afgezet. Het was K., had moeder gezegd. Nu mankte ze iedere ochtend over de klinkers van de Vrachelsestraat naar de kerk. Ze had haar man Sjef op zijn sterfbed beloofd dat ze vijf jaar lang voor de gesloten kerkdeuren zou wachten totdat ze naar binnen kon, om boete voor zijn zonden te doen. De koster had het gezegd met het gezicht van een ongelovige. Voortaan was er één parochiaan die precies wist op welk uur koster Bastiaans de dag aanving.
Er was nog een schim aanwezig, niet ver van hem vandaan, op een van de achterste banken. Walter zag een vurige gloed in het halfduister schijnen. Een rossige kat, de tijgerin Tigra. Slagersvrouw Huijben had geweigerd zich na de geboorte van haar tweede zoon te laten zuiveren bij het doopvont. De weken daarna waren de achterhammen groen uitgeslagen bij slagerij Huijben in de Achterstraat, zo weinig volk kwam er nog over de vloer. Ze werd erop aangekeken, het waren de manieren van een losgeslagen vrouw.
Walter ging de sacristie binnen. Op de gelakte eikenhouten tafel lagen zijn toog en superplie klaar, en daarnaast de amict, de albe, de stool, de manipel en het kazuifel van pastoor Peeters. Aan de rand blonken het koperen wierookscheepje en de belstok, de attributen van de acolieten. Zeger zat op zijn hurken naast de deur, alsof hij heel hard niet aan poepen probeerde te denken. Zeger de neger die de ogen had van een gans.
Walter hoorde hakkengeklak, het naderde over de plavuizen. Dat was pastoor Peeters. De deur ging open, de priester metselde met zijn lijf de opening meteen weer dicht. ‘Goedemorgen jongens.’
‘Goedemorgen meneer pastoor.’
Peeters was een man van weinig woorden in de tijd die voorafging aan zijn eerste preek. Snel trok hij priesterhemd en kazuifel over de toog aan, en gebaarde ongeduldig – ‘spoit-u!’ – dat de jongens zijn voorbeeld moesten volgen.
Walter hield het witte gewaad voor zich uit en rook er aan. Lichter en tegelijk ouder werd je ervan. Achter de deur zwol het geroezemoes aan. Peeters hief zijn hand en wees naar de klok, nog één minuut en het zou acht uur zijn. Een minuut duurt zestig tellen, een tel één vingerknip. Peeters streek een lucifer af en liet de wierookkorrels in het koperen scheepje op twee plaatsen ontbranden, en gaf het Zeger in handen; Walter nam de belstok van de tafel. De jongens rechtten hun rug. Niet wandelen maar schrijden, statig als de koningen van Jeruzalem.
Peeters opende de deur en ging voorop. Walter volgde, al wilden zijn knieën niet. Een hart kan zo groot worden dat het in de keel gaat kloppen. Rustig adem blijven halen en dan stap voor stap verder gaan.
Gedrieën liepen ze naar het altaar. Het lichtgroene kazuifel, met stiksels van gouddraad, had Peeters in Parijs laten maken voor zijn vijfentwintigjarig priesterjubileum. Aan de binnenzijde was een rechthoekig stuk stof genaaid, met daarin geborduurd de naam van de fabriek, frères esselinx, paris. Peeters glom als een koe die zojuist heeft gekalfd. In Parijs leefden zo veel mensen dat sommigen er onder een brug moesten slapen.
Wierook maakte de lucht kruidig en mistig, zoals het in de hemel was. De parochianen zaten geknield in de banken, en van sommigen stond de mond open, alsof ze in het land der blinden verbleven, en een lange slaapwandeling hen naar de kerk had gebracht. Peeters maakte een kruisteken bij het bereiken van het altaar. Het gewicht van de belstok rustte in Walters rechterhand; nu moest hij een eerste maal op de plavuizen vloer stampen.
Zijn plaats was naast Zeger, op de onderste trede van het altaar, op het afgesleten kussen van geel fluweel. Walter keek omhoog, naar de lessenaar met het missaal, de kaarsenbank, de kandelaar, de gewijde miskaars voor Maria. En helemaal tegen de achterwand: het tabernakel, daar waar het levende mysterie zijn haven had.
De priester schraapte zijn keel en sprak, afgewend van het volk: ‘Introibo ad altare Dei.’
Ad deum qui laetificat juventutem meam,’ antwoordde Walter een fractie eerder dan Zeger. Latijn was een taal die van buiten, van vroeger kwam.
De pastoor keek naar Zeger, die hem het wierookschip aanreikte. Hij zegende het altaar, zong het Kyrie eleison voor en beleed zijn zonden. ‘Mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa,’ herhaalde Walter, en hij voelde dat het hem werkelijk speet. In zijn buik, zijn hart, zijn vingertoppen, de kriebelende plek net onder zijn linkerknie. Hij richtte zich in zijn hart en hoofd tot Jezus Christus, Hij die al onze zonden op zich heeft genomen.
Met een lagere stem zette Peeters het Gloria in, een melodie waarop de hartslag mee mocht gaan. Het gebed werd uitgesproken, het Credo volgde, waarna de pastoor zich naar het kruis boog en bad om de kracht om het Evangelie te verkondigen. Dat was het teken voor de voorbereidingen op de preek. Peeters draaide zich om en ging opzij van het altaar staan, en keek nu over de hoofden van de kerkgangers heen. Na een tiental tellen stilte begon hij aan zijn sermoen. Hij zond zijn diepe basstem over de banken uit zodat ook de armen achterin zich konden laven aan zijn stem.
Walter probeerde te luisteren, maar de woorden waren te groot, hij had niet de tijd ze in kleinere stukken te snijden. Samenhorigheid, Deemoed, Devotie. Dapper is het om te knielen, en wie wil oogsten, moet geen zilverlingen zaaien.
De koster reikte de manden uit aan de twee collectanten, die ermee langs de banken gingen. Het geluid van muntgeld dat op muntgeld valt; zo had het geklonken in de tempel van Jeruzalem. De mand werden geruisloos van hand op hand overgedragen.
De priester nam weer het woord, en legde een tweespraak op aan alle parochianen in zijn rug.
Sursum corda.’
Habemus ad Dominum.
Het was de Moederkerk die met één stem sprak.
De priester hulde zich in het Latijn als in een gewaad. Hij bad het Sanctus, het Pater Noster en het Agnus Dei. Peeters liep naar het tabernakel en nam de ciborie eruit. Hij zou brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus veranderen. Walter stelde scherp op de koperen kelk die op het altaar stond. Zeger ging opzij de karaffen met water en wijn halen. Niet te zien of er werkelijk bloedwater in kwam.
De priester naderde, Walter boog zijn hoofd en opende zijn mond. De hostie werd op zijn tong gelegd. Het ronde lichaam, dat de wijsheid van wel honderd kranten bevatte, zoog zich prikkend in het vlees vast.
De parochianen kregen nu allen het lichaam van Christus uitgereikt. Ze bogen het hoofd en baden in stilte. Zo bleven ze zitten, geknield, tot de pastoor de woorden Ite Missa Est zou spreken.
Een laatste keer mocht Walter de belstok hanteren; de pastoor en zijn misdienaars vertrokken zoals ze waren gekomen. Zeger met het wierookvat, Walter met de belstok, Peeters met zijn vrome gelaat.
De deur van de sacristie sloot zich weer; de pastoor haalde een pakje sigaretten van onder zijn toog vandaan en stak een Belga op. Een Belgisch merk, van toen hij in het klooster van Westvleteren zat. Peeters rookte als een grondwerker, de sigaret tussen wijsvinger en duim, de rechterelleboog die naar buiten stak. De eerste die zijn peuk wilde afnemen zou hij met één enkele slag vloeren. Zeger zette het wierookvat neer en trok de superplie en de toog uit alsof er rode mieren in hadden gelopen. De misdienaar liet een lange, natte wind.
‘Hé daar, Zeger, gisteravond alweer bonen gegeten?’ vroeg Peeters.
Zeger zette grote ganzenogen op, excuseerde zich en liep snel weg. De priester staarde hem na alsof hij naar weglopend badwater keek. ‘Zeger, een beste, brave jongen, maar niet van het hout waarvan de Heer pastores pleegt te snijden. Gij zijt heel anders Walter, dat zag ik al meteen toen meester Van Alphen hier langskwam om je voor te stellen.’
Walter. Met het noemen van de naam laaide dankbaarheid in hem op. Hij bracht de mouw van het misdienaarsgewaad tot bij zijn neus en rook eraan: wierook was diep in de stof gedrongen.
Pastoor Peeters blies een laatste rookwolk uit. De dag zou hij een aanvang laten nemen met een uitgebreid eierenontbijt. Peeters wreef over zijn kin en vreesde voor een verstandskies. Hij zou zich de komende dagen geen zoetigheden kunnen permitteren. Zijn gebit, een achilleshiel die van boven zat.

Het daglicht deed pijn als je de kerk verliet. Walter knipperde met zijn ogen en keek in de richting van de Heuvel. Voor de beesten van Van der Ven was er een uur voorbij gegaan, terwijl binnen eeuwen waren verstreken. De hostie proefde hij nog, week en zoet. Droog brood wordt papperig als je er water bij doet.
Sjaak Oomen kwam aangereden met een span paarden. Oomen moest aan de teugels trekken om een vrachtauto te laten passeren, een wagen vol bier van brouwerij Drie Hoefijzers uit Breda. De grijsbruine schimmel linksvoor rukte aan het bit, en Oomen vloekte, maar zweeg toen hij Walter zag. De paardenmenner neeg zijn hoofd en nam zijn pet erbij af.
Het waren 351 passen naar huis, bijna evenveel passen als er dagen in een jaar pasten. Er woonden 600 zielen in Den Hout. Hoeveel stappen dan per parochiaan? Walter huppelde, de zon bescheen zijn rechterwang. Ben Oomen, de neef van Sjaak, stond hoog op een ladder. Hij zette het hout van zijn schuur in de zwarte lak, de schuur werd als de nacht. Is zwart wat je krijgt als je alle kleuren mengt? Een regenboog, als je al die kleuren naast elkaar zag.
Het laatste stuk legde hij rennend af, dat kon de pastoor toch niet meer zien. Het nummer 6 was het mooiste getal, dat delen door drie en je had de uitkomst al. Zijn schoenen deed hij bij de voordeur uit en hij liep op kousenvoeten binnen. Moeder zat in de keuken met Marie een pan aardappelen te schillen. Marie was de verloofde van Thijs, die de knecht van vader was.
Uit de voorkamer klonk orkestmuziek. De radioverkoper was helemaal uit Antwerpen gekomen. Hij had het toestel een week in bruikleen gegeven, wie het daarna langer wenste te houden, betaalde het aankoopbedrag. Vader wilde eerst niet, maar grote Jan en Jos hadden hem overgehaald. Moeder had het geld een week later in een envelop klaargelegd. De verkoper haalde de biljetten eruit, en telde ze na waar moeder bij stond. Zonder één bakske te drinken was hij doorgegaan. Alleen in Den Hout had hij naar eigen zeggen veertig radio’s verkocht.
Een kast van notenhout, met vier knoppen aan de voorkant waartussen een soort jutedoek gespannen was. Op de bovenkant stond de zenderverdeling aangegeven. In smaragdgroene letters de plaatsnamen Cork en Poznañ, Praha en Bruxelles, Luxembourg en Stavanger. En natuurlijk Hilversum, een stad in de bossen bij Amsterdam, vanwaar de Nederlandse stemmen de ether in vlogen. Als je aan de knop draaide, hoorde je steeds weer andere mannen en vrouwen die tot je spraken. Jos zei dat wie het lang genoeg probeerde, Amerikaans zou horen.

© 2011 Daniël Rovers en Uitgeverij Wereldbibliotheek bv

Uitgeverij Wereldbibliotheek

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum