Leesfragment: Wij doden Stella

27 november 2015 , door Marlen Haushofer

Afgelopen week verscheen van de auteur van De wand, Marlen Haushofer, de novelle Wij doden Stella (Wir töten Stella, in de vertaling van Ria van Hengel). Vanavond kunt u er de eerste pagina's uit lezen.

Stella, een jong meisje, wordt tijdelijk opgenomen door een gezin in een klein Oostenrijks stadje. De moeder is een sensitieve vrouw, die haar zoon verafgoodt. In haar nog kleine dochter herkent ze de meedogenloze natuur van haar man, een echte tiran.
Nauwlettend observeert de moeder haar omgeving, het huis en de tuin en het gedrag van de gezinsleden. De schijnbare harmonie die door allen stilzwijgend wordt geaccepteerd, verdwijnt door de komst van Stella. Zij bloeit in korte tijd op van een saai provinciemeisje tot een mooie, intrigerende vrouw. Haar eerste liefde beleeft zij met de vader des huizes, maar die hartstocht leidt voor haar slechts naar de dood.
Wij doden Stella is een huiveringwekkend verslag van wat mensen elkaar kunnen aandoen. De novelle is typerend voor het oeuvre van Haushofer waarin jeugdherinneringen, eenzaamheid, verloren onschuld en de ondergeschikte rol van de vrouw binnen het huwelijk overheersen.

Ik ben alleen, Richard is met de kinderen naar zijn moeder, ze blijven daar het weekend logeren, en de werkster heb ik afgezegd. Natuurlijk heeft Richard mij gevraagd of ik meeging, maar dat was alleen omdat hij wel wist dat ik nee zou zeggen. Hij en Annette zouden alleen maar last hebben van mijn aanwezigheid. En ik wilde eindelijk wel eens alleen zijn.
Twee dagen liggen er nu voor me, twee dagen tijd om op te schrijven wat ik te schrijven heb. Maar ik kan me slecht concentreren sinds die vogel in de linde zit te roepen. Had ik hem vanochtend maar niet ontdekt. Het komt door mijn slechte gewoonte om urenlang voor het raam te staan en de tuin in te staren. Als ik alleen een vluchtige blik naar buiten had geworpen, was hij me nooit opgevallen. Zijn veren zijn net zo groengrijs als de schors van de boom. Pas na een halfuur merkte ik hem op omdat hij begon te roepen en te fladderen. Hij is nog zo jong dat hij niet kan vliegen en al helemaal geen muggen kan vangen.
Eerst dacht ik dat zijn moeder wel gauw zou komen om hem naar het nest terug te brengen, maar ze komt niet. Ik heb het raam dichtgedaan en ik hoor hem nog steeds roepen. Maar ze komt hem vast halen. Waarschijnlijk heeft ze nog andere jongen te verzorgen. Hij roept overigens zo hard dat ze hem beslist moet horen als ze nog leeft. Het is belachelijk dat dat kleine vogeltje mij zo irriteert — een teken van de slechte toestand van mijn zenuwen. Al een paar weken verkeren mijn zenuwen in die ellendige toestand. Ik kan niet tegen lawaai en soms, als ik boodschappen doe, beginnen plotseling mijn knieën te trillen en breekt het zweet me uit. Ik voel het in druppels over borst en dijen stromen, koud en plakkerig, en ik ben bang.
Op dit moment ben ik niet bang, want in mijn kamer kan me niets gebeuren. Bovendien zijn ze allemaal weg. Alleen zou het vensterglas veel dikker moeten zijn, zodat ik dat geroep niet meer hoefde te horen. Als Wolfgang hier was, zou hij proberen die vogel te redden, maar natuurlijk zou hij net zo min als ik weten wat je moest doen. Je moet gewoon afwachten, de vogelmoeder zal heus nog wel komen. Ze moet komen. Ik wens het uit alle macht.
Overigens kan me ook op straat niets gebeuren. Wie zou mij in godsnaam iets moeten aandoen? En zelfs als ik onder een auto kwam zou het niet erg zijn, ik bedoel, niet echt erg.
Maar ik ben zo voorzichtig. Ik kijk altijd naar links en naar rechts voordat ik oversteek, dat is een gewoonte die me is aangeleerd toen ik nog een klein meisje was. Alleen de vrije ruimte om me heen maakt me bang. Maar dat is niet aan me te zien, niemand heeft het nog gemerkt.
Ze kan toch hoogstens in de tuin hiernaast zijn, of in de tuin dáárnaast. Elk huis hier heeft een tuin, die van ons is de grootste en de wildste. De enige reden waarom die tuin er is, is dat ik hem vanuit het raam kan zien. Nu zijn eindelijk de lindenbladeren uitgekomen, sinds het zo warm is geworden. Alles is dit jaar weken te laat. Ja, ik heb al enkele jaren het gevoel dat ons klimaat geleidelijk aan verandert. Waar zijn de hete zomer van mijn kindertijd, de winters vol sneeuw en de aarzelende lente die zich heel langzaam ontvouwt?
Als het plotseling weer koud zou worden, zou dat heel erg zijn voor die kleine vogel. Maar ik maak me onnodig zorgen, het is zelfs een beetje föhnachtig. Dat vogeltje is ook echt niet zo belangrijk, er zijn er zoveel van. Als ik hem niet had gezien en gehoord, zou hij mij niets kunnen schelen.
Ik wilde ook helemaal niet over die ongelukkige vogel schrijven, maar over Stella. Ik moet over haar schrijven voordat ik haar ga vergeten. Want ik zal haar moeten vergeten als ik mijn oude kalme leven weer wil oppakken.
Want dat is wat ik echt graag zou willen, in alle rust kunnen leven, zonder angst en zonder herinnering. Voor mij is het voldoende om net zoals vroeger mijn huishouden te doen, de kinderen te verzorgen en uit het raam de tuin in te kijken. Als je je rustig gedraagt, zo dacht ik, kun je niet in de zaken van anderen verstrikt raken. En ik dacht aan Wolfgang. Het was zo fijn om hem dagelijks om me heen te hebben. Vanaf de dag dat hij geboren werd is hij altijd van mij geweest. Had ik om Stella ons vredige samenzijn in gevaar moeten brengen?
Nou, het had niet slechter voor me kunnen aflopen als ik dat had gedaan. Stella wreekt zich op mij en berooft me van het enige waaraan ik nog gehecht ben. Maar dat is onzin. Stella kan zich niet eens wreken, al bij leven was ze zo hulpeloos, ze moet nu nog veel hulpelozer zijn. Ikzelf wreek Stella op mezelf, dat is de waarheid, en dat is ook helemaal in orde, hoe hard ik me er ook tegen verzet.
Natuurlijk heb ik al die tijd geweten dat de dag eens zou komen, daar was Stella niet voor nodig geweest. Vroeger of later zou ik Wolfgang zijn kwijtgeraakt. Hij is zo iemand die zich geen illusies maakt en die consequenties trekt. Ook ik maak me geen illusies, maar ik leef alsof ik dat wél doe. Vroeger dacht ik dat ik nog een keer opnieuw kon beginnen, maar daar is het nu veel te laat voor, daar is het eigenlijk altijd te laat voor geweest, alleen wilde ik dat niet tot me laten doordringen.
Niets zou meer kunnen helpen, want Wolfgang zou toch bij me weggaan. En dat is goed voor hem.
Ik heb ergens gelezen dat je aan alles kunt wennen en dat gewenning de sterkste kracht in ons leven is. Dat geloof ik niet. Het is alleen maar het excuus dat we gebruiken om niet over het leed van onze medemensen te hoeven nadenken, ja, om zelfs niet over ons eigen leed te hoeven denken. Het is waar, de mens kan veel verdragen, maar niet uit gewenning. Hij kan het doordat er een zwak vonkje in hem smeult waarvan hij stiekem hoopt dat het hem zal helpen om op een dag de gewenning te doorbreken. Dat hij dat meestal niet kan, uit zwakte en lafheid, is daarmee niet in tegenspraak. Of zouden er twee soorten mensen zijn, zij die wennen en zij die dat niet kunnen? Dat kan ik niet geloven; waarschijnlijk is het alleen maar een kwestie van constitutie. Als we op een bepaalde leeftijd komen, worden we door angst overvallen en dan proberen we daar iets tegen te doen. We vermoeden dat we op een verloren post staan en doen wanhopig kleine pogingen om uit te breken.
Als de eerste poging mislukt, en dat doet ze in de regel, berusten we tot aan de volgende poging, die al zwakker is en ons nog ellendiger en zwakker terugwerpt.
Zo drinkt Richard regelmatig zijn rode wijn, zit hij achter vrouwen en geld aan, mijn vriendin Luise achtervolgt jonge mannen wier moeder ze zou kunnen zijn, en ik sta voor het raam de tuin in te staren. Bij Stella, die domme jonge meid, is de eerste uitbraakpoging meteen gelukt.
Ik zou veel liever met haar ruilen zodat ik hier niet hoefde te zitten om haar deerniswekkende verhaal op te schrijven, dat ook mijn deerniswekkende verhaal is. Ik zou veel liever dood zijn zoals zij, zodat ik die kleine vogel niet meer hoefde te horen roepen. Waarom beschermt niemand mij tegen zijn geroep, tegen de dode Stella en tegen het kwellende rood van de tulpen op de ladekast? Ik houd niet van rode bloemen.
Mijn kleur is blauw. Blauw geeft me moed en schuift alle mensen en dingen bij me vandaan. Richard denkt dat ik mijn blauwe kleren alleen draag omdat ze me goed staan; hij weet niet dat ik ze ter bescherming draag. Niemand kan me in die blauwe kleren kwetsen. Het blauw houdt alles bij me weg. Stella hield van rood en geel en in de rode jurk die ik haar had gegeven kwam ze onder een geelgelakte vrachtauto.
Die stralend gele dood, die als een zon op haar afstormde, ik geloof dat die mooi en verschrikkelijk was, zoals we hem kennen uit de sagen van onze voorouders.
Ik moest haar identificeren. Haar gezicht was ongedeerd maar groenig wit en veel kleiner dan ik me herinnerde van toen ze nog leefde. De verbijsterde en half waanzinnige uitdrukking van de laatste dagen was eruit verdwenen en had plaatsgemaakt voor een ijzige stilte.
Stella was altijd een beetje sloom en verlegen geweest, ook als ze blij was bleef haar regelmatige, brede gezicht onbewogen. Het bloeide dan van binnenuit op, tot in haar lippen. Stella was korte tijd erg gelukkig geweest, maar ze was niet in staat de spelregels te leren, ze kon zich niet aanpassen en moest ondergaan.
Door een lichtzinnige en hebzuchtige moeder was ze als kind al naar een internaat gestuurd. Ik herinnerde me dat ik haar destijds, zo’n vijf jaar geleden, in de kerk had geobserveerd. Ze knielde naast me, haar gezicht naar de monstrans toegekeerd, haar ogen wijd open, haar lippen iets getuit, vol overgave en open. En met diezelfde gelaatsuitdrukking staarde ze later naar de avondkrant waarachter Richards gezicht schuilging. Ook Wolfgang zag het. Hij bloosde en verbleekte, en ten slotte verslikte hij zich, om mijn aandacht van Stella af te leiden. Met zijn vijftien jaar wist hij net zo goed als ik wat er voor onze ogen gebeurde, en hij probeerde wanhopig mij tegen die wetenschap te beschermen, terwijl ik er alleen maar naar streefde hem erbuiten te houden en dus precies deed wat ik niet had moeten doen, namelijk niets.
Terwijl Stella, niet in staat haar enige grote gevoel te verbergen, onstuitbaar haar ongeluk in gleed en Richard ons met zijn gladde bonhomie probeerde te misleiden, deed ik mijn best niets te zien en te horen. Ter wille van Wolfgang en ook van mezelf, want aan niets heb ik een grotere hekel dan aan scènes, ruzie, en een gespannen sfeer is al voldoende om mij wekenlang van streek en onrustig te maken.
De eenzaamheid en de rust van mijn kamer, het uitzicht op de tuin, de liefde die me vervult als ik naar Wolfgang kijk, had ik dat alles — en het is alles voor me — op het spel moeten zetten ter wille van een meisje dat versuft en onstuitbaar haar lot tegemoet rende, van meet af aan gedoemd om met haar onnozele, dwaze gevoel te pletter te lopen tegen onze uiteenvallende, gespleten wereld?
Nou, dat was me de moeite niet waard, maar het had me de moeite waard moeten zijn, want Stella was het jonge leven en dat heb ik onder zo’n moordende blikken machine laten komen.
Je kunt op heel verschillende manieren te gronde gaan, uit domheid net zo goed als uit overdreven voorzichtigheid; de eerste manier lijkt me waardiger, maar het is niet de mijne.

Uitgeverij Van Gennep

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum