Leesfragment: Zo gaan we niet met elkaar om

27 november 2015 , door Renske Jonkman
| | | |

Op 14 juli verschijnt Zo gaan we niet met elkaar om van Renske Jonkman (een van de optredende auteurs op Lowlands). Deze Nacht kunt u de proloog en een deel van het eerste hoofdstuk lezen.

De twaalfjarige Hazel leert de wereld kennen aan de hand van haar oudere broer Jaris. Ze communiceren in geheime codes, delen een fascinatie voor zwarte gaten in het heelal en het communisme. Maar op weg naar de volwassenheid worden de gedachtes van Jaris steeds donkerder, tot hij in zijn schizofrenie alle grip op de realiteit verliest. Na de verdwijning van Jaris verruilt Hazel het ouderlijk huis in Heerhugowaard voor een zolderkamer in Amsterdam. Daar ontpopt ze zich tot een rebelse studente. Samen met haar onmogelijke vrienden Das en Keizer bewandelt zij de genadeloze weg naar de afgrond en geeft zich over aan drank, drugs en seks. In een laatste poging Jaris terug te vinden start Hazel een zoektocht naar haar broer.

Ik moest weg van hier en met mijn zieke, koortsige lichaam wurmde ik me door de dansende massa. De muziek knalde naar binnen. Alle kleuren waren vlijmscherp en duidelijk omrand. Ik moest weg van de dansvloer waar alles en iedereen elkaar altijd maar aanraakte. Weg van de mensen, de krioelende lichamen die als sterrenstelsels door aantrekkingskracht tegen elkaar opbotsten en het universum imiteerden. Weg van iedereen die zich God waande, maar waar God zelf was verdwenen.
Weg van de wereld.
Benauwd staarde ik om me heen en plotseling kon ik mij precies voorstellen hoe iedereen er dood uitzag; de dood was overal. Het enige wat ik zag waren dansende lijken met ingevallen gezichten, de wijd opengesperde ogen, de benige vingers die me vastgrepen en me naar beneden trokken, de diepte in sleurden. Vanuit de verte zag ik de man in het zwart op mij afkomen, hij kwam alsmaar dichterbij.
Zou hij mijn angsten voelen? Was dit echt of een illusie? Waarom bracht ik alles wat ik bedacht weer in twijfel, want als ik het dacht dan moest het toch de waarheid zijn?
Uitgeput smakte ik tegen de grond.
Ik viel voorover en kotste over mijn gympen.
Duizelig keek ik omhoog naar de benen die om mij heen stonden, bewegend in het ritme, en ik dacht terug aan hoe Job jaren geleden tijdens het schoolfeest naast mij was geknield, en had gezegd: ‘Je verstaat elkaar beter als je laag bij de grond zit.’
Put me up, put me down. Put my feet back on the ground.
Hoe hij had gezegd: ‘Dat komt omdat het geluid gedempt wordt, door de mensen boven ons.’
Omdat wij onder de mensen zitten, wist ik. Omdat wij onder de mensen zitten.
De man in het zwart stond voor me, knielde. Ik vroeg hem of hij wist waar Jaris was, maar hij antwoordde niet. Hij legde zijn magere hand op mijn gezicht, drukte met zijn vingers langzaam mijn ogen dicht, tot het zwart werd. Waar is Jaris, schreeuwde ik, waar is Jaris. En daarna Niets.

 

Deel I


Alle Dingen Die Ik Nu Wel Leuk Vind En Ook Als Ik Ouder Ben

‘Ik zou hem Koba noemen,’ zegt Jaris.
Iedereen kijkt naar het konijn dat zich als een mol onder mijn witte nachtjapon beweegt, van mijn schouder naar mijn navel en weer terug. Het beest heeft een grote strik om zijn nek, wat ik er nogal stom vind uitzien, en met gespitste oren steekt hij zijn kop boven mijn nachtjapon uit. Hij mist een stukje bij zijn linkeroor.
Het is een Vlaamse reus, maar hij is niet groter dan mijn hand.
‘Groeit hij nog?’ vraag ik en zet mijn bril recht op mijn neus.
Ik kijk omhoog, naar de gezichten van papa, mama en Jaris; nieuwsgierige koeien die met omgekeerde gezichten boven mij gebogen staan. Ik lig op mijn rug, op de koude marmeren keukentegels en maak zwembewegingen met mijn armen. Door de open tuindeuren valt een straal ochtendlicht naar binnen.
Vandaag vieren Jaris en ik samen onze verjaardag. Omdat het handig is volgens mama, aangezien er toch maar drie dagen tussen zitten. ‘Dan zijn we er maar in één keer vanaf,’ verzucht ze dan. Ik vind het raar dat mama ertegen opziet om onze verjaardag te vieren, want ze heeft toch ooit graag gewild dat we geboren zouden worden?
Zacht bewegen de snorharen langs mijn wangen.
‘Ze worden vanzelf groot,’ zegt papa die zijn ochtendjas vastknoopt. ‘Voordat je het weet gaan ze het huis weer uit.’
Papa weet veel van dieren. Hij is een lange zwierige man die schilderijen maakt van pasgestorven dieren en soms gaat hij een middag mee met de broeders van de dierenambulance. Laatst nog kwam hij thuis met een onthoofd waterhoentje en een overreden haas. Je kon het nauwelijks nog een haas noemen. Maar wij vinden het allang niet zielig meer. ‘Het is de natuur,’ weet papa.
Hij staat op zijn leren sloffen en zijn haar staat in warrige plukken op zijn hoofd. Met de rug van zijn hand wrijft hij over de stoppels van zijn baard.
‘Ik zou hem Bruintje noemen,’ fluistert mama. Ze is gehurkt naast me komen zitten. Het knoopje van haar pyjamajasje is los waardoor haar linkerborst naar buiten steekt, alsof hij is verdwaald.
‘Waarom Bruintje?’ bemoeit Jaris zich ermee.
‘Hij is bruin,’ zegt mama.
‘Dat is toch geen reden.’
Ik vind dat Jaris gelijk heeft maar dat zeg ik niet.
Omdat Jaris en ik sinds vanochtend niet meer met elkaar praten. Omdat hij onze verjaardag heeft verpest. En omdat hij dat alleen maar goed kan maken door onze geheime vredescode in omgekeerde volgorde uit te spreken, zonder zijn vingers te kruisen. Maar ook dat zeg ik niet.

Boven de eettafel hangen twee slingers met daarop de letters G-E-F-E-L-I-C-I-T-E-E-R-D. Eén voor Jaris en één voor mij. Ze hangen achter elkaar waardoor er G-E-F-E-L-I-C-I-T-E-E-R-DG-E-F-E-L-I-C-I-T-E-E-R-D staat.
Aan de andere kant van de huiskamer hoor ik de lakens op het bed van mijn zus Mensje knisperen; sinds een paar weken staat haar uit ijzer opgetrokken bed met heliumballonnen als een ruimteschip tussen de boekenkast en de tv geparkeerd. Wanneer Mensje aan haar rug is geopereerd mag ze in de huiskamer slapen. Op sommige ochtenden kruipen Jaris en ik bij haar op bed en kijken met opgetrokken benen naar de drie dikke dames op Nederland drie. Of tekenfilms op de BBC, hoewel ik die niet versta. Mensje is de oudste van ons drieën, loopt al sinds haar zesde niet meer en heeft een rolstoel waarmee ik weleens rondjes door de tuin mag rijden. Sommige mensen worden zenuwachtig als ze de rolstoel zien en behandelen ons alsof we heel bijzonder zijn en aaien Mensje over haar hoofd, hoewel dat natuurlijk nergens op slaat.
‘Ik zou hem Koba noemen,’ zegt Jaris opnieuw. Hij kijkt streng op mij neer.
Ik doe of ik hem niet hoor en duw de kop van het konijn weg.
‘Waarom Koba?’ vraagt papa.
‘Koba was de bijnaam van Stalin.’
‘Het beest is een Vlaamse reus,’ zegt papa, ‘geen Rus.’
Sinds een half jaar is Stalin de nieuwe superheld van Jaris, en bijna elke dag leest hij wel een paar bladzijden uit het boek Het communisme als politiek-sociale wereldreligie. Volgens hem is het communisme een geloof. Soms voert hij de eendjes om ze te leren dat ze altijd alles eerlijk moeten delen.
Ik kijk weer terug naar het konijn, de lange oren kriebelend langs mijn huid. En hoewel ik het niet wil zeggen, moet ik het toch zeggen, omdat ik ooit mijzelf beloofd heb om altijd alles te zeggen als dat van mijzelf móét, omdat ik er anders voor altijd spijt van houd.
‘Ik noem hem Koba,’ zeg ik zonder Jaris aan te kijken. Maar vanuit mijn ooghoek zie ik dat hij tevreden zijn schouders recht.
‘Nou, Stalin zal weer trots zijn op de familie Friedland,’ zucht papa die een stap achteruit zet, ‘geef je zo’n kind een konijn, krijg je een communistische dictator.’
Ik zeg dat ik wel weet wat communistisch is maar niet wat een dictator is. En dat ik Koba gewoon een leuke naam vind. Ook vraag ik hoe laat ze ongeveer denken dat we taart gaan eten.
‘Je verandert zijn naam toch niet?’ vraagt Jaris als ik overeind ben gekomen.
Ik schud mijn hoofd. Eigenlijk wil ik hem vragen ‘waarom’ en ‘hoezo’, maar hoewel ik dat niet doe, geeft Jaris als vanzelf het antwoord: ‘Als je ouder wordt zijn sommige dingen gewoon niet meer zo leuk.’ Hij kijkt alsof hij het meent.
Toen ik Jaris vanochtend voor onze verjaardag wakker maakte had hij zich op zijn buik gedraaid, het dekbed over zijn hoofd getrokken en gezegd dat hij ‘alleen’ wilde zijn en dat hij hier ‘te oud’ voor was.
Ik begreep het niet.
Jaris had nog nooit alleen willen zijn op z’n verjaardag. Ik had mijn cadeau, een T-shirt dat ik van gekleurd textielverf voor hem had gemaakt, onder mijn armen geschoven. Het was een Herman Brood-shirt, omdat hij daar fan van is, en ik had Jaris in graffitistijl nageschilderd. Ik vond hem heel goed gelukt en al dagenlang had ik het in cadeaupapier verpakte shirt in een kist onder mijn bed verstopt. Zoals elk jaar kon ik niet wachten bij Jaris in bed te kruipen, met mijn hoofd tegen zijn schouder, kijkend hoe hij verrast mijn cadeau uit het papier haalde. Hoe hij daarna ook zijn verjaardagscadeau aan mij zou geven, dat hij zoals altijd uit de onderste la van zijn bureau tevoorschijn zou halen.
Maar nu moest ik zijn slaapkamer uit.
Ik dwaalde een beetje door zijn kamer, rondjes draaiend met de stof van mijn nachtjapon om mijn vinger.
Ik drukte de deurklink naar beneden en weer omhoog.
‘Waar moet ik dan heen?’ vroeg ik uiteindelijk, want ik wist het ook echt niet. Ik kon moeilijk bij papa en mama in bed kruipen, want die deden in het weekend altijd zo stom zenuwachtig als ik hun slaapkamer in liep, alsof ik een valse hond was. En bij Mensje was het eigenlijk ook gezelliger als we gewoon met z’n drieën op haar bed lagen. Maar in de afgelopen weken had Jaris nog maar één keer met z’n drieën op het bed van Mensje willen liggen.
‘Doe eens gewoon,’ zei ik. ‘Je kan toch wel normaal doen.’
Hij trok het dekbed nog verder over zijn hoofd. ‘Ik doe normaal.’
‘Als je zo doet dan ben je nog niet jarig,’ zei ik streng. Papa zegt dat ook weleens, bijvoorbeeld als ik de tijd ben vergeten omdat ik buiten in het plantsoen voor de buurtkatten een nest
van kartonnen dozen zit te maken.
‘Ik zou wíllen dat ik niet jarig was,’ antwoordde Jaris. Zijn stem sloeg over, daar had hij wel vaker last van; dan kwam zijn hoge jonge stem zomaar piepend door zijn volwassen stem heen, als de stem van een oude bekende.
Boos draaide ik mijn gezicht van hem weg en staarde rond in zijn donkere kamer. Het rook er muf, alsof hij vannacht in één keer alle zuurstof had opgeademd. Aan de muur naast zijn kledingkast, waar zijn afgekloven knuffel Bobo bovenop stond, hing een poster van Pamela Anderson, tenminste, die naam stond in grote krulletters onder haar blote voeten geschreven. En niet alleen haar voeten waren bloot. Ik wist niet waarom Jaris een poster van een vreemde naakte vrouw in zijn kamer had opgehangen.
Op het houten bureau naast het raam lagen dikke boeken met lange titels die bijna niet op de rug pasten, zoals De geschiedenis der menschheid van de oudste tijden tot heden. Achter het dichtgetrokken gordijn kwam nog een stukje oud behang tevoorschijn waarop springende marsmannetjes stonden afgebeeld. Met mijn wijsvinger wilde ik op een van de marsmannetjes drukken – om te zien of hij misschien in beweging kwam – maar Jaris dacht dat ik de gordijnen wilde opentrekken en ik hoorde hem grommen vanonder zijn dekbed: ‘Laat ze dicht.’
In een reflex trok ik alsnog het gordijn open.
Licht bulkte de kamer binnen.
‘Sodemieter op!’ riep Jaris, terwijl ik gillend zijn kamer uit vluchtte: ‘Jij bent nog niet jarig! Jij bent nog lang niet jarig!’

[...]

Zie ook hoofdstuk 15, het 'gelekte' hoofdstuk, via de website van de uitgeverij.

© Renske Jonkman
Foto © Loek Buter

Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum