Leesfragment: A Clockwork Orange

27 november 2015 , door Anthony Burgess
|

5 juni verschijnt de nieuwe Nederlandse vertaling van A Clockwork Orange (vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema), het roemruchte meesterwerk van Anthony Burgess. Wij publiceren vanavond voor uit het tweede hoofdstuk van deel één.

2

Toen we uit de Duke of New York kwamen, smotten we bij het licht dat door het grote raam naar buiten viel een wauwelende ouwe pianitsa, ofwel dronkenlap, die de gore liedjes uit zijn jeugd zat te galmen en tussendoor van burpedieburp deed, alsof er een of ander vuilharmonisch orkest in zijn rottende stinkdarmen zat. Als er één wesje was waar ik niet tegen kon was het dat wel. Ik kon absoluut niet tegen de aanblik van zo’n gore, waggelende, boerende, dronken moes, jong of oud, maar vooral niet als ie zo stokstarrig was als deze. Hij kleefde zowat tegen de muur en zijn plaatjes zagen er niet uit, die waren slonzig en verkreukeld, en zaten onder de kal, de modder, het vuil en de troep. Dus grepen we hem bij zijn kladden en trakteerden hem op een paar horrorshowe toltsjokken, maar hij bleef gewoon doorzingen. Het liedje was:

En straks keer ik weer naar mijn liefje, mijn liefje, Als jij, mijn liefje, moet gaan.

Maar toen Dom hem een paar keer op zijn gore dronkenmansrot had getimmerd, hield hij op met zingen en begon hij te krietsjen: ‘Toe maar, sla me maar in mekaar, stelletje vuile lafbekken, het hoefde voor mij toch al niet meer, deze wereld stinkt aan alle kanten.’ Ik zei tegen Dom dat hij even moest dimmen, want soms was ik best ljoebopiet wat dat soort starrige aftanders te melden hadden over het leven en de wereld. Ik zei: ‘Zo. En wat stinkt er dan zo?’
Hij riep: ‘Het is een stinkwereld omdat de jeugd de ouderen kan koeioneren zoals jullie doen, en omdat er geen respect meer is voor de wet en het gezag.’ Hij krietsjte als een bezoemde, stond met zijn roekers te wapperen en roerde zijn rot danig, alleen kwam er af en toe nog burp burp uit zijn kiesjka’s, alsof daarbinnen steeds iets voorbijkwam, of alsof een of andere onbeschofte moes de hele tijd sjoem stond te maken, en die ouwe wek bleef maar dreigen met zijn vuisten en roepen van: ‘Dit is geen wereld meer voor een ouwe man, en daarom ben ik absoluut niet bang voor jullie, jochies, want ik ben te zat om de pijn te voelen als jullie me raken, en als jullie me doodslaan zal ik blij wezen dat ik overal vanaf ben.’ Wij smeetsten en grijnsden, maar zeiden verder niks, en toen zei hij: ‘In wat voor een wereld leven we? D’r lopen mensen op de maan en d’r draaien mensen om de aarde als muggen om een lamp, terwijl d’r verders op aarde geen enkel respect meer is voor de wet en het gezag. Dus doe maar wat je niet laten kan, stelletje laf geteisem.’ Toen trakteerde hij ons op wat lipscheten – ‘Brrrrbbbbrrrr’ – zoals wij bij die jonge milicenten hadden gedaan, en daarna begon hij weer te zingen:

O dierbaar land, ik streed voor u En bracht u zegepraal en vree

Dus rosten we hem heerlijk af, met een brede grijns op onze lietso’s, maar hij bleef nog steeds doorzingen. Toen haakten we hem pootje zodat hij plat en zwaar neerging en er een plens bierkots naar buiten kwam flatsen. Dat was smerig, dus schopten we hem voor straf, iedereen een keertje, en toen kwam er geen gezang of kots meer uit zijn gore ouwe rot, maar krof. Daarna liepen we weg.
Bij de Gemeentelijke Energiecentrale kwamen we Billyboy en zijn vijf droeken tegen. In die tijd, mijn broeders, vormde je mobiel-eenheden van een man of vier, vijf, en dat waren dus mobiel-eenheden waarbij vier een prettig aantal was voor een mobiel-eenheid, en zes de absolute max voor een gang. Soms vormden die gangs samen een grotere gang om malenke legertjes te vormen voor grote vespergevechten, maar meestal was het dus het beste om met kleine aantallen rond te zwerven. Als ik Billyboy met zijn vette, grijnzende lietso smotte, werd ik gelijk al misselijk en hij had altijd een won om zich heen van overjarig frituurvet dat veel te vaak gebruikt is, zelfs als hij in zijn beste plaatjes was, zoals nu. Ze smotten ons en wij smotten hun, en we stonden mekaar nu zeg maar ijzig kalm op te nemen. Dit werd serieus, dit werd menens, dit werd iets met nosjen, oezies en brietwa’s, en niet enkel met blote vuisten en kistjes. Billyboy en zijn droeken stopten met waar ze mee bezig waren, en dat was aanstalten maken om iets te gaan uitvoeren met een huilerige jonge dewotsjka van hooguit tien die ze bij zich hadden. Ze stond als een gek te krietsjen, maar had haar plaatjes nog aan. Billyboy had haar bij de ene hand vast en zijn onderknuppel Leo bij de andere. Ze waren vermoedelijk alleen nog maar bij de smerige slowo’s en nog niet bij het malenke vervolg met het ultrageweld. Toen ze ons smotten aankomen lieten ze die boehoeënde kleine koerietsa los – grietjes zat, toch? – en haar dunne witte benen flitsten door het donker toen ze, nog steeds ‘o o o’ roepend, wegrende. Ik glimlachte allerdroekigst en zei: ‘Kijk eens wie we daar hebben, onze stinkende billenmaat Billyboy in hoogsteigen pissoon. Hoe maakt gij het, gij bolle tienliterfles afgeprijsde stinkende frituurolie? Kom er maar eentje in je blokkers halen, als je blokkers hebt tenminste, gij stuk gecastreerde drilpudding.’ En toen gingen we los.
Wij waren z’n vieren en zij met z’n zessen, zoals ik al heb aangegeven, maar die sukkel van een Dom, dom als hij was, telde wat gestoordheid en smerig vechten betrof voor drie. Dom had een hartstikke horrorshowe lange oezie (ofwel ketting) die tweemaal om zijn middel gewonden zat, en die ontrolde hij nu en hij begon er heerlijk mee op ogen, ofwel glazzen, te rossen. Pete en Georgie hadden lekker scherpe nosjes, en zelf had ik een pracht van een starrig, vlijmscherp brietwa dat ik in die tijd heel kunstig kon laten glinsteren en flitsen. Dus we waren daar lekker aan het dratsen in het donker, terwijl die loena waar mensen op liepen net opkwam en de sterren aan de hemel prikten alsof het messen waren die dolgraag mee wilden doen met de dratspartij. Ik slaagde erin met mijn brietwa de plaatjes van een van Billyboys droeken aan de voorkant op meesterlijke wijze van boven tot onder open te rijten, zonder het plot onder de stof zelfs maar aan te raken. Toen lag daar ineens, terwijl we volop aan het dratsen waren, een van Billyboy’s droeken open als een peulenschil, met blote buik en zijn blokkers vol in het zicht, en daar werd hij enorm drazzig van, en hij begon met zijn roekers te zwaaien en te gillen, en vergat zijn dekking, waardoor Dom hem met zijn kronkelende ketting woesjsjsjsjsj vol op zijn glazzen kon raken, waarna die droek van Billyboy huilend om zijn moeder wegstrompelde. Het ging echt hartstikke horrorshow en even later hadden we de onderknuppel van Billyboy gevloerd en blind geslagen met Doms ketting, zodat hij brullend als een beest rondkroop, maar na een welgemikte trap op zijn gelazer was hij nik-nak-knockout.
Van ons vieren zag Dom er zoals altijd het ergste uit, want zijn lietso zat onder het bloed en zijn plaatjes zaten onder het graz, maar de rest van ons was nog oké en ongehavend. Het was die stinkende papzak van een Billyboy waar ik het nu op gemunt had, en ik danste met mijn brietwa in het rond als een barbier aan boord van een schip op een gruwelijk wilde zee, en probeerde zo dichtbij te komen dat ik hem een paar fijne halen op zijn vunzige, olievette lietso kon geven. Billyboy had een nosj, zo’n lange die je kon uitklappen, maar hij was een malenk beetje te traag en log in zijn bewegingen om serieuze wred bij iemand aan te richten. En, mijn broeders, het was mij een waar genoegen om daar zo rond te walsen – links twee drie, rechts twee drie – en wat japen te geven – linkerwang, rechterwang – zodat er daar bij dat winterse sterrenlicht twee gordijnen van bloed tegelijk omlaag leken te stromen aan weerskanten van zijn gore olievette smoelwerk. Het bloed stroomde omlaag, als rode gordijnen, maar je kon smotten dat Billyboy er niks van voelde, en hij bleef log doorbeulen als een gore vette beer en met zijn nosj naar me steken.
Toen sloesjten we de sirenes en wisten we dat de milicenten eraan kwamen met poesjka’s in de aanslag uit de raampjes van de politiemobiel. Die kleine huilebalk van een koerietsa had ze vast gewaarschuwd, want niet ver voorbij de Gemene Energiecentrale stond een cel waar je de smerigen kon bellen. ‘Ik pak je nog wel, stinkende billenmaat,’ riep ik, ‘binnenkort gaan je blokkers er lekker af.’ Toen renden ze weg, traag en hijgend, in noordelijke richting, de kant op van de rivier, behalve onderknuppel Leo, die nog op de grond lag te knorren, en wij gingen de andere kant op. Vlak om de hoek was een steeg, donker, verlaten en met een uitgang aan beide kanten, en daar stopten we even om uit te hijgen en weer op adem te komen. Het was of je uitrustte tussen de voeten van twee geweldige, reusachtige bergen, maar het waren gewoon flatgebouwen, en door de ramen van alle flatjes smotte je blauwig, dansend licht. Teevee dus. Die avond was er wat ze een werelduitzending noemden, dat wil zeggen dat iedereen in de hele wereld die dat wou, dus vooral blokkertjesvolk van middelbare leeftijd, hetzelfde programma kon smotten. Er zou vast een of andere wereldberoemde flutkomiek optreden, of een negerzanger, en dan werd alles via speciale teeveesatellieten buiten de dampkring teruggekegeld, mijn broeders. Wij hielden ons hijgend gedeisd en sloesjten hoe de milicenten met loeiende sirene in oostelijke richting wegreden, dus we wisten dat we veilig waren. Maar die sukkel van een Dom bleef maar met open rot naar de sterren en naar de loena en de planeten staren, als een jochie dat nog nooit zoiets gesmot had. En hij vroeg: ‘Wat zou daar zijn? Ik bedoel, wat zou d’r op dat soort wesjes daar zijn?’
Ik porde hem in zijn ribbenkast en zei: ‘Vooruit, gloepige lul die ge zijt. Wijd er geen aandacht aan. Waarschijnlijk is er daar leven zoals hier, de ene helft heeft een nosj en de andere helft wordt gestoken. En laat ons er nu, mijn broeders, nu de vesper nog molodieus is, vandoor gaan.’ De anderen moesten er om smeetsen, maar die sukkel van een Dom keek me bloedserieus aan, en keek toen weer naar de sterren en de loena. Dus liepen we de steeg uit, met aan weerszijden het blauwige schijnsel van de werelduitzending. Wat we nu nodig hadden was een mobiel, dus sloegen we na de steeg linksaf en wisten we, zodra we het grote bronzen standbeeld smotten van een of andere starrige dichter met een bovenlip als een aap en een pijp in zijn afhangende rothoek, meteen dat we op Priestley Place zaten. We liepen in noordelijke richting en kwamen bij het gore ouwe Filmodrome, dat aan alle kanten stond af te bladderen en van ellende uit mekaar viel omdat er bijna geen hond kwam behalve maltsjieken als ik en mijn droeken, en dan ook nog enkel om een beetje stennis te schoppen of een beetje te rjezatten, of voor een potje op-en-neer-op-en-neer in het donker. Aan de poster op de gevel van het Filmodrome, waar een paar spotjes met vliegenvlekjes op gericht stonden, smotten we dat daar het gebruikelijke cowboyspektakel draaide, met de aartsengelen aan de kant van de sheriff die druk piefpafpoefte op de duivelse gelederen der veedieven, typisch het soort ouballige rotzooi dat Staatsfilm toen uitbracht. De mobielen die bij de bios geparkeerd stonden waren bepaald niet horrorshow, maar bijna allemaal waardeloze, starrige wesjes, al stond er ook een vrij nieuwe Durango 95 tussen, die volgens mij wel geschikt was. Georgie had zo’n polyclef, zoals ze genoemd werden, aan zijn sleutelring, dus we waren in een wip binnen – Dom en Pete gingen achterin als sinjeurs hun kankertjes zitten paffen – en ik draaide het contactsleuteltje om en startte de motor, die hartstikke horrorshow gromde, een heerlijk warm trilgevoel dat helemaal tot in je buikepuik doorgromde. Toen zette ik mijn noka’s aan het werk en reden we keurig achteruit, en geen hond die ons smotte wegrijden.

Copyright © The Estate of Anthony Burgess, 2012 / Heinemann, Londen
Copyright vertaling © 2012 Harm Damsma en Niek Miedema /Athenaeum—Polak & Van Gennep

Athenaeum - Polak & Van Gennep

MINDBOOKSATH : athenaeum