Leesfragment: Alles is altijd fictie

27 november 2015 , door Daphne Huisden
| | | | | |

Onlangs werden de genomineerden voor de Academia Literatuurprijs 2012 bekendgemaakt . Naast Erik Nieuwenhuis (zie het uitgebreide fragment...) en Erik Menkveld (... en de voorpublicatie) nomineerde de vakjury Daphne Huisden voor haar Alles is altijd fictie. Daarom in onze Nacht een uitgebreid fragment uit dit debuut.

Je denkt dus je bent. Was het maar zo simpel, want dan rest nog steeds de vraag: maar wie dan precies?
Als je net uit huis bent, kun je echt iemand gaan worden, denk je. Je sluit vriendschap met de zonderlinge buurman, ontloopt je bemoeizieke moeder en zoekt een keurig baantje bij een saai kantoor. En dan begint het. De chaos. Iedereen wil iets van je. Iedereen lijkt een rol te spelen - of zelfs verschillende. Je omgeving lijkt één groot toneelstuk met jou als enige figurant. En terwijl je jezelf beschouwde als een doodnormaal persoon, word je tot het uiterste gedreven en doe je dingen die je nooit voor mogelijk had gehouden. Maar deed jij dat echt of was het je omgeving?
Ben jij wel echt?
Alles is altijd fictie is een indringende coming-of-ageroman over schijn en de harde werkelijkheid. Confronterend en toch herkenbaar.

Daphne Huisden (1988) is een van de jongste debutanten van Uitgeverij Prometheus. Om haar manuscript onder de aandacht te brengen, zette ze een bijzondere campagne op die veel aandacht trok. Zie www.allesisaltijdfictie.nl. Ze woont en werkt in Rotterdam.

1

In een tijdelijke woning is niets heilig. Achter de voordeur staat alles klaar om in geval van nood te vertrekken, te vluchten naar een nieuw onderkomen of lijdzaam te wachten op de vuilcontainer. Een huis op de slooplijst biedt onderdak aan stoelen die bestand zijn tegen lekkage, diefstal en buitenproportionele visite. Deze stoelen kunnen eerdere verhuizingen navertellen, omdat ze zich op zolders en in vochtige kelders verscholen voor de ophaaldienst. De vernieuwingsgolf uit Zweden trok aan hen voorbij terwijl ze ineengedoken op de vliering luisterden naar het schroeven, het boren en het vloeken onder zich. Na jaren van trouwe dienst spannen ze zich samen in om de tijd die hun nog gegeven is zo lang mogelijk te rekken. Samen, want ze weten dat ze in hun eentje geen kans maken tegen de verse laklaag van de nieuwkomers. Het rieten stoeltje dat de grillen van de krolse kat onderging, klampt zich tot het laatste moment vast aan de tafel die voor de komst van de onderzetters in huis werd genomen. De koffiekringen staan op zijn blad gedrukt en herinneren de bewoners aan een tijd dat er nog gasten kwamen met grotere dromen en zorgen dan poetsdoeken en placemats. En zowel de poef als de gebarsten schemerlamp zal treuren als dat kleine krukje, dat niemand tot last was maar het slachtoffer werd van een imagogril, op een kille lenteochtend wordt meegenomen om als een spons vocht te trekken op de stoep.
Het is deze onderlinge solidariteit die ervoor zorgt dat deze inrichting altijd een coherenter geheel vormt dan je in welke woongids dan ook zult aantreffen. Elk seizoen vallen ze op de deurmat – die op zijn beurt zijn best doet de kleurige plaatjes een ongelukkige landing mee te geven: reclamefolders, drukwerk vol nieuwe meubels die de zelfoverschatting van de fabriek met zich meedragen en die een ongekend gevoel van comfort beloven. Maar aan de afwezige blikken van de figuranten in deze brochures kun je zien dat ze geen thuis verkopen. Ook zij dromen van zuchtende leunstoelen. Als we onszelf een houding wisten te geven was er geen behoefte aan meubels met een persoonlijkheid.

Mijn eerste kamer staat vol spullen die zich aan elkaar en aan mij hechten. Dat wil ik althans graag geloven. Ik heb ze gered uit de schuur van mijn moeder. Tussen ons geen nieuwkomers. Voor een vreemde vormen we misschien een bij elkaar geraapte bende, maar ik voel me verbonden met mijn lotgenoten en na de eerste week in het slooppand kon ik me ook de muren niet zonder hun vochtplekken voorstellen. Ze geven het bestaan van mijn voorgangers prijs. Andere huurders die de leidingen door het oude pand hoorden lopen, die zich net als ik ergerden aan de trage stortbak en die hadden moeten wennen aan het stroeve openen van de sloten.
Niets in mijn huis zal me herinneren aan de vierkante kamer met zijn witte muren, wit plafond en lichte houten vloer waar ik een thuis zocht en niet vond. Voor mij geen wit bed, met witte sprei en dito kussens. De kamer waar mijn moeder witte gordijnen en witte vitrage voor de ramen hing, ramen die uitkeken op de symmetrische achtertuin met zijn witte kiezelpad tot het marmeren fonteintje en het vogelbad, de tuin waar het altijd winter was zonder een vlokje sneeuw. Wit is de kleur waarop vuil en oneffenheden zich niet kunnen verbergen, zo is mijn moeders overtuiging.
Mijn moeder heeft vele overtuigingen.

Nu ik op mezelf woon, zie ik haar in gedachten rondlopen in die gerenoveerde vrijstaande woning net buiten de stad. Haar hakken tikkend op de maat van de antieke klok in de salon. Met over elkaar geslagen armen kijkt ze elke dag een uur zuchtend naar haar tuin. Op het eerste gezicht tevreden, maar de geoefende kijker weet dat ze spiedt naar onkruid, gras dat het waagt zich uit te rekken onder haar regime. Groen blijft een lastige kleur. Het liefst zou ze de achtertuin laten betegelen, maar dat vindt ze ordinair. Grijze tegels zijn voor gewone mensen. Voor je het weet heb je fakkels rond de barbecue. Of erger nog, een jolige tuinkabouter met een kruiwagen. Wansmaak verspreidt zich als een virus, dat is haar tweede overtuiging.
Ze had me liever niet zien vertrekken. We hadden met zijn tweeën genoeg ruimte in dat stille huis. Bovendien zouden we elkaar bezig kunnen houden op zon- en feestdagen die geen einde leken te kennen. Mijn moeder neemt het me kwalijk dat haar vaste theepartner is vertrokken. Haar talent bezigheden te vinden of liever nog te verzinnen om de uren vooruit te doen snellen, om zo aan het einde van de dag een voldaan gevoel over te houden, heb ik niet geërfd. Naast haar overtuigingen heeft mijn moeder ook vele talenten. Zo kent ze geen verveling en heeft ze een neus voor verspilling, zonde en boven alles: bederf.

*

‘Lieverd, je moet de dag afsluiten met een voldaan gevoel, anders is het zonde.’
Op de ochtend van mijn verhuizing herinnerde ze me aan deze mantra. Met de blauwe map op schoot zat ze met over elkaar geslagen benen en een zitdoekje onder zich op de bank. Die zitdoekjes had ze zelf genaaid. De enkele keer dat er bezoek kwam, haastte ze zich voor hen uit om een fleurige lap onder ze te schuiven voor ze zich durfden neer te zetten op haar tijdloze driezitter.
‘Want een nieuw bankstel gaat niet zonder meer jaren mee, schat, daar heb je zelf de hand in.’
Met haar knokkels roffelde ze op de map. Die blauwe map trekt ze altijd op schoot wanneer ik dreig te twijfelen aan haar goede bedoelingen. Het is haar levenswerk, waarin alle fondsen, clubs en verenigen waar ze zich de afgelopen zes jaar voor heeft ingezet in chronologische volgorde zijn samengebracht. Een boekwerk van bijna twee kilo. De rode map met daarin het decennium dat aan de blauwe map voorafging, liet ze die ochtend in de kast staan, het zware geschut bewaarde ze voor een echte crisis.
‘Kom nou eens bij me zitten. Doe eens niet zo ongezellig.’ Het zitdoekje lag al uitgespreid, een motief van klap - rozen. Slurpend nam ze een slok uit haar theeglas, de designertheelepel drukte tegen haar wang.
‘Wat zit je nou te lachen?’ vroeg ze bits. Met een klap zette ze haar glas op de chromen onderzetter. Daar heeft mijn moeder geen aanleg voor, ze kan haar bovenlip niet sluiten. Het slurpen blijft, naast haar gebrek aan geduld, haar grootste handicap. Ze sloeg de map op een willekeurige plek open en hield hem naar me op. ‘Kijk, lieverd, de bomenclub. Weet je dat nog? Zet de iep in het zonnetje. Hebben we samen nog folders voor gevouwen. Een lintje in de lente, weet je dat niet meer?’
Of ik dat nog wist. Het knipsel van de wijkkrant had maanden ingelijst in de gang gehangen.
De foto waarop ze me in een houdgreep vastklemt, mijn haar gevangen in de vlinderbroche op haar borst, gele linten in mijn beschaamde puberhanden. Madonna en kind.
‘Nee, zegt me niets.’ Ik haalde mijn schouders op en keek uit het raam. Het gehuurde verhuisbusje stond op me te wachten, maar ik had geen rijbewijs.
Ze zuchtte en nam een slok van haar thee. ‘Je hebt het geheugen van je vader. Maar neem nou van mij aan dat je een heerlijke dag had. Je kreeg er gewoon geen genoeg van. En maar linten knopen, we zijn uren bezig geweest, schat. Enig toch?’
Haar nostalgische gevoelens zouden aandoenlijk zijn geweest, als je niet wist dat dit een van haar manieren was om propaganda voor haar geslaagde moederdom te voeren.
‘Mam?’
‘Ja, schattebout.’ Ze negeerde mijn blik op de klok en bladerde onverstoorbaar verder. ‘Ach, de daklozendag. Weet je dat dan nog wel?’ Hoofdschuddend verzamelde ik al mijn geduld bij de vensterbank.
‘Van die enige soepkommetjes in de winter. Kijk, je vader staat er ook op. Naast de grote pan en die verschrikkelijke man van zijn werk, hoe heet hij ook alweer?’ Ze tikte met een lange nagel op het gezicht van mijn vader die er ongemakkelijk bij stond met een grote soeplepel in zijn hand. Zijn collega Ad stond te glimmen van trots, de gemeente had haar bijdrage geleverd, zijn arm had hij om een vervallen figuur in een spijkerjas geslagen. Ik had die foto al zo vaak gezien.
‘Ik moet zo weg, mam.’
Een gekweld kuchje dat vonken van ergernis langs mijn ruggengraat deed snellen, maar ik reageerde niet. ‘Ik weet van wie je het hebt,’ zei ze zacht. ‘Het zit in de familie.’
Uiteindelijk komt het altijd hierop uit. Mijn moeder is onschendbaar en zet alles in om zichzelf te overtuigen van dat feit. Ik keek langs haar heen, naar het portret van mijn vader dat op het dressoir stond.
‘Maar van mijn kant komt het niet,’ zei ze met trillende stem. ‘Wij waren thuis dankbaar. Voor alle aandacht, zorg en liefde. Besef je wel hoe gelukkig jemag zijn? Dat ik de moeite neem je naar dat krot te rijden, hoewel ik weet dat ik dat busje binnen de kortste keren opnieuw kan huren. Want je houdt het daar niet uit, dat verzeker ik je. Je verpest het voor jezelf, weet je dat? Voor jezelf!’ Ze sloeg de map dicht, haalde diep adem en knipperde verwoed met haar ogen. Snuivend en tranen plengend. Troosten had geen zin, je moet mijn moeder altijd rustig haar act uit laten spelen. Ik vermeed haar vochtige ogen en bleef staren naar de foto van mijn vader, die langzaam met me meetelde. Nog dertig seconden. Twintig. Tien.
Langzaam hief ze haar hoofd op en liet achter een natte sluier haar meest menselijke gezicht zien.
‘Je komt er nog wel achter, lieverd,’ fluisterde ze. ‘Ik zal je bed elke week verschonen.’
Ik had mijn jas al aan.

Inwendig mopperend beklom ze de steile trap die achter de glazen tussendeur opdoemde. Samen tilden we de verhuisdozen, plastic tassen en het kleine bureau van mijn vader naar boven. En ze heeft maar één keer gedaan alsof ze naar beneden zou storten. Haar verschrikte kreet en grote ogen riepen het beeld van een kreupele moeder bij me op. ‘Mantelzorg’ en ‘mededogen’ stonden in neonletters op haar gezicht geschreven. Een doembeeld van dagen vol gezelligheid en het afstoffen van de vensterbank onder de soundtrack van haar vrolijke gefluit. Maar moeder was me die dag gunstiger gezind dan ik dacht. Eenmaal binnen gunde ze het huis twee afkeurende blikken voor ze vertrok. Kneepje in mijn wang.
‘Elke week, hoor je me. Je kunt altijd terugkomen.’
Ze verdroeg geen ongeverfde panden, maar had wel de moeite genomen een plattegrond achter te laten met daarop een praktische indeling voor mijn kamer. Met dat velletje heb ik mijn prullenmand ingeluid, mijn huis zou geen kopie worden van de kamer waarin ik me zo veel jaar had verveeld. Demonstratief zette ik mijn staande lamp midden in de kamer. Twee stoelen onder de lamp als bij een intiem kampvuur. Niemand zou zich storen aan mijn inrichting als ik het zelf niet deed. Dat had ik me voorgenomen toen ik bij de bezichtiging voor de eerste keer over de drempel stapte.

*

De ambtenaar die me uit mijn ouderlijke vesting hielp ontsnappen, stond al op de stoep toen ik de straat in kwam rennen. Hoge bomen aan weerszijden, een glasbak voor de deur en een rode kater die zich loom waste op de eerste stoeptegel zonlicht. Alle andere deuren in de straat gingen schuil achter roestbruine stalen platen.
Ad keek streng op zijn horloge, alsof hij verwachtte dat ik hem de verloren minuten kon terugbetalen. Nog voor ik mijn excuses kon aanbieden, draaide hij de deur van het slot en ging me voor naar boven.
‘Het wordt een mooie dag vandaag,’ zei hij in vier treden. Halverwege de trap hield hij zijn pas in en draaide abrupt zijn hoofd om, waardoor ik bijna tegen zijn antracietkleurige achterkant opliep. ‘Is je moeder niet mee?’ Hij wachtte mijn antwoord niet af. ‘Ach, het is misschien ook beter van niet.’
Op de overloop wees hij de deuren aan. ‘Keuken, badkamer en toilet.’ Ad nam mijn stilzwijgen aan voor verlegenheid en wachtte vaak op een hoofdknik, een teken dat ik hem begreep. Dus knikte ik braaf voor hij me de keuken liet zien.
‘Klein hokje, maar wel in goede staat, er is zelfs nog een oude koelkast.’
De keuken was inderdaad klein, maar de beperkte ruimte werd goedgemaakt door de muren. Grote gele zonnebloemen op een groene achtergrond en wankele paarse planken waar iemand met vaste hand en op ware grootte lieveheersbeestjes op had geschilderd.
‘Praktisch,’ taxeerde Ad. Ik vond het prachtig en volgde hem naar de badkamer die niet veel groter was. Een douche hok en wat haakjes. Maar ook hier had iemand zich uitgeleefd met een pot verf. Oranje vissen in een hemelsblauwe oceaan. Ze zwommen elkaar achterna en verscholen zich in groene waterplanten. Toen we weer op de gang stonden zag ik naast de deuren een trap. ‘Wat is er boven?’ vroeg ik.
‘Hierboven staat het leeg. Een ruime zolder, de sleutel is met de laatste bewoner verdwenen. Staat zelfs op instorten,’ knipoogde hij. Gewichtig ging hij me voor naar de laatste deur.
‘Jouw kamers liggen hierachter. We beginnen bij de achterkamer.’
We stapten een ruime kamer in en het eerste wat me opviel was het grote raam en de balkondeur ernaast, waar het daglicht door naar binnen stroomde en in aanraking kwam met het zachtgele behang op de muren. Het plafond was hoog en opgemaakt met pleisterwerk, in de hoek van de kamer stond een cilindervormige gaskachel. Ad zette zijn handen in zijn zij, duwde zijn buik naar voren en liet een goedkeurend gebrom horen, alsof hij de ruimte eigenhandig in elkaar geknutseld had.
‘Zo, daar zijn we dan. Hier geen belachelijke kleurenzee, zoals je ziet. Een voor- en achterkamer, hoge plafonds, rustige wijk. Dat vind je voor dit bedrag nergens anders.’ Ik begreep dat het verkooppraatje van start was gegaan. Dat de wijk rustig was viel te verwachten. Er woonde niemand meer in de straten die in het najaar plaats moesten maken voor een grote parkeerplaats.
‘Hoe lang kan ik hier blijven?’ vroeg ik.
Zijn gezicht vertrok, dit stond niet in het script. Maar als een koorddanser wist hij zich snel te herpakken. Met een traag gebaar haalde hij zijn schouders op en stak in een vloeiende beweging zijn handen in de zakken van zijn gesteven broek. ‘Kijk, daar kan ik niks zinnigs over zeggen. Als ze opschieten met bouwen, dan moet je er voor het eind van het jaar uit. Loopt het uit, dan hebben we het over een andere termijn. Dat is het risico. Maar een risico, dat mag ook wel voor deze prijs.’ Hij grinnikte om wat klaarblijkelijk een grap was geweest, een echte ambtenaarsmop. De gesmolten zakhorloges van Dalí stuiterden op zijn stropdas. Kennelijk zag hij mij staren naar het lelijke souvenir uit Figueras dat een kennis in zijn kledingkast terecht had doen komen, want hij greep naar het koord en trok met een ruk zijn gezicht in de plooi.
‘Het is nu april, dus je kunt hier in ieder geval een paar maanden blijven, tot er iets anders vrijkomt.’
Ik liep door de openstaande tussendeur naar de voorkamer die ik mijn slaapkamer zou noemen. Ook hier hing het lichte behang en bij het raam, dat uitkeek op straat en de kat die nog altijd zijn stoeptegel bewaakte, zag ik dat ik ’s nachts een extra lamp zou hebben aan de straatlantaarn die pal voor het raam stond. Ad was me gevolgd, zag dat ik het eerste minpunt had ontdekt en loodste me snel terug naar de achterkamer. Hij wees me op de praktische inbouwkasten en het ruime balkon. Hij roemde het uitzicht over de stad, dat je als je op een stoel ging staan om over de ruïnes van huizen aan de overkant en de hijskranen te kijken, inderdaad in de verte kon zien liggen. Ik had geen aanbevelingen meer nodig, maar liet hem nog even zijn best doen.
‘Een eigen balkon en een gaskachel, meer mag een jong mens niet vragen.’Hij sloeg me op mijn schouder en keek me fronsend aan. Nu werden we persoonlijk.
‘Ik heb je vader goed gekend. Bert was een goeie collega, nooit te beroerd om zich in te zetten. Overwerken, doorpakken, je kent het.’
‘Bertus.’Hij keek verbaasd, had ik nu echt iets gezegd? ‘Mijn vaders naam was Bertus.’
Het kind kon praten, het had hem gecorrigeerd, een wonder. Maar Ad deed niet aan wonderen en hernam zich snel.
‘Dat bedoel ik, hij maakte nergens een punt van, maar deed zijn werk.’ Grommend klopte hij zacht op de muur. Zijn dikke bruine haar schoof bij deze onverwachte beweging onnatuurlijk over zijn voorhoofd. Ik had het altijd al vermoed.
‘Denk erom, dit aanbod doe ik niet iedereen.’ Met een hand op zijn haarstukje krabbelde hij nonchalant aan het gerafelde behang.
‘Daar mag je iets aan doen. Maar ik zou niet te veel aanpassen. Ik ga niet met je wedden, maar voor dit bedrag huur je volgens mij nog geen halve studentenkamer.’
‘Ik ben geen student.’
Weer stond Ad verstomd van mijn spraakzaamheid. ‘Wat vindt je moeder daarvan?’ vroeg hij.
Ik keek naar buiten. Op het balkon paradeerden meeuwen met nieuwsgierige snavelkoppen. Zelfvoldaan marcheerden ze langs het raam en stelden hun kamp op voor de deur.
‘Ze vindt het goed, als het maar niet te lang duurt.’ Hij zweeg. Ik zag dat hij zich het beeld van mijn moeder voor de geest haalde, zichzelf ervan overtuigde dat hij er goed aan deed medeplichtig te zijn aan deze ontsnappingspoging.
‘Ik neem het,’ zei ik, voor hij zich kon bedenken. Opgelucht richtte mijn vriend van de gemeente zich op, veegde het zweet en de lijmresten onder zijn kuif vandaan en schudde me de hand. ‘Ik had niet anders verwacht,’ zei hij.
Daarna ging alles heel snel. Ik tekende het contract, kreeg de sleutel, was nu de trotse eigenaar van een verdieping en Ad reed binnen enkele minuten met ronkende motor de straat uit. Verliet zo snel hij kon de plaats delict om een besloten ruimte op te zoeken waar hij zijn woeste haardos kon fatsoeneren en mij kon vergeten. Het goede nieuws ben ik direct thuis gaan vertellen. Die avond sprak ze niet tegen me.

[...]

© Daphne Huisden

Uitgeverij Prometheus

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum