Leesfragment: Alsof het voorbij is

27 november 2015 , door Julian Barnes
| |

Er zijn talloze redenen om nog eens aandacht aan Julian Barnes' prijswinnende roman Alsof het voorbij is (The Sense of an Ending, vertaald door Ronald Vlek), te besteden. Een lijstje:

De eerste pagina's dus, dit weekend, bij Athenaeum.

De tijd heeft Tony Webster ingehaald: ineens is hij een man van middelbare leeftijd, die met weemoed terugkijkt op zijn schooljaren. Hij heeft vriendschappen, een carrière en een huwelijk gehad, een best makkelijke scheiding. Hij heeft zeker nooit geprobeerd iemand pijn te doen. Maar het geheugen is niet perfect. Het kan altijd verrassen, zoals een brief van een advocaat zal bewijzen.

Alsof het voorbij is is het verhaal van een man die voorgoed afscheid neemt van de beloftes van zijn jeugd. Doorweven met Barnes' kenmerkende precisie, vaardigheid en inzicht is dit een werk van een van ’s werelds voornaamste schrijvers. 

Ik herinner mij, in een willekeurige volgorde:

  • de glimmende binnenkant van een pols;
  • stoom die opstijgt uit een natte gootsteen als er lachend een hete koekenpan in wordt gekieperd;
  • spermaklodders die rond een afvoerputje cirkelen om vervolgens een heel huis door te worden gespoeld;
  • een rivier die op een absurde manier terugstroomt, haar schuimende golven beschenen door een zestal elkaar achtervolgende zaklantaarns;
  • nog een rivier, breed en grijs, haar stroomrichting verhuld door een straffe wind die het oppervlak beroert;
  • badwater, allang afgekoeld achter een afgesloten deur.
    Dat laatste is niet iets wat ik werkelijk heb gezien, maar wat je je uiteindelijk herinnert, is niet altijd hetzelfde als wat je hebt meegemaakt.

We leven in tijd – die beperkt ons en bewerkt ons –, maar ik heb nooit het gevoel gehad dat ik hem heel goed begreep. En dan heb ik het niet over theorieën over hoe hij zich kromt en in zichzelf terugkeert of mogelijk ergens anders in parallelle versies bestaat. Nee, ik bedoel gewone, alledaagse tijd, die naar klokken en horloges ons verzekeren op een regelmatige manier verstrijkt: tik tak, tik tak. Bestaat er iets geloofwaardigers dan een secondewijzer? En toch is het minste genoegen of verdriet al genoeg om ons te leren dat de tijd rekbaar is. Sommige emoties versnellen hem, andere vertragen hem; soms lijkt hij verloren te gaan – tot het punt waarop hij uiteindelijk echt verloren gaat, om nooit meer terug te komen. Ik ben niet zo geïnteresseerd in mijn schooltijd, en ik kijk er ook niet met weemoed op terug. Maar op school is het allemaal begonnen, dus moet ik toch even terug naar enkele gebeurtenissen die zijn uitgegroeid tot anekdotes, tot wat onbestemde herinneringen die door de tijd zijn vervormd tot zekerheid. Als ik niet meer zeker kan zijn van wat er zich daadwerkelijk heeft afgespeeld, kan ik in elk geval getrouw de indrukken weergeven die deze feiten hebben achtergelaten. Dat is het beste wat ik kan bieden.

We waren met zijn drieën, en nu was hij er als vierde bij gekomen. We hadden niet verwacht ons vaste aantal ooit nog uit te breiden: kliek- en paarvorming hadden al lang geleden plaatsgevonden, en wij begonnen onze ontsnapping van school naar leven al voor ons te zien. Hij heette Adrian Finn, een lange, verlegen jongen die in het begin zijn ogen neergeslagen en zijn ideeën voor zich hield. De eerste dagen namen we weinig notitie van hem: onze school kende geen welkomstceremonieel, laat staan het andere uiterste: de ontgroening. We registreerden slechts zijn aanwezigheid en wachtten af.
De leraren waren meer in hem geïnteresseerd dan wij. Ze moesten zijn intelligentie en werkhouding peilen, uitvinden hoe hij hiervoor les had gehad, en of hij mogelijk ‘studiebeurswaardig’ zou blijken. Op de derde ochtend van dat najaarstrimester hadden we geschiedenis van Ouwe Joe Hunt, droogkomisch innemend in zijn driedelig pak, een leraar wiens systeem van orde berustte op het in stand houden van voldoende maar niet buitensporige landerigheid.
‘Jullie weten nog dat ik jullie gevraagd heb alvast iets te lezen over het koningschap van Hendrik VIII.’ Colin, Alex en ik loerden even naar elkaar, in de hoop dat de vraag niet, zoals de uitgeworpen kunstvlieg van een hengelaar, op een van onze hoofden zou neerdalen. ‘Wie zou die periode eens willen karakteriseren?’ Hij trok zijn eigen conclusies uit onze afgewende blikken. ‘Marshall misschien. Hoe zou jij het koningschap van Hendrik viii willen omschrijven?’
Onze opluchting was groter dan onze nieuwsgierigheid, want Marshall was een voorzichtig stuk onbenul dat de inventiviteit van de ware onwetendheid miste. Hij zocht eerst naar mogelijk verborgen haken en ogen in de vraagstelling voordat hij ten slotte ergens een antwoord wist op te diepen.
‘Er was onrust, meneer.’
Een explosie van nauwelijks onderdrukt gegniffel; Hunt glimlachte zelf bijna.
‘Zou je dat misschien wat nader kunnen preciseren?’
Marshall knikte traag instemmend, dacht nog iets langer na en besloot dat dit geen moment was voor behoedzaamheid. ‘Ik zou zeggen dat er grote onrust was, meneer.’
‘Finn dan. Ben jij een beetje thuis in die periode?’
De nieuwe jongen zat een rij voor me en links van mij. Hij had geen zichtbare reactie getoond bij Marshalls onnozelheden.
‘Niet echt, meneer, vrees ik. Maar er is een opvatting die inhoudt dat het enige wat er werkelijk over een historische gebeurtenis – zelfs over het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bijvoorbeeld – valt te zeggen is dat er “iets heeft plaatsgevonden”.’
‘O ja, is dat zo? Nou, dan zou ik meteen zonder werk zitten.’ Na wat kruiperig gelach, vergaf Ouwe Joe Hunt ons onze vakantieluiheid en praatte hij ons bij over de polygame koninklijke slager.
In de volgende pauze stapte ik op Finn af. ‘Ik ben Tony Webster.’ Hij keek me wantrouwend aan. ‘Mooi antwoord aan Hunt.’ Hij leek niet te weten waar ik op doelde. ‘Dat er iets had plaatsgevonden.’
‘O dat. Ik was een beetje teleurgesteld dat hij er niet op doorging.’
Dat was niet wat hij geacht werd te zeggen.
Nog een detail dat ik me herinner: wij drieën droegen, als symbool van ons verbond, onze horloges altijd met de wijzerplaat aan de binnenkant van onze pols. Het was natuurlijk aanstellerij, maar misschien iets meer. Het deed de tijd voelen als een persoonlijk, ja zelfs geheim iets. We verwachtten dat het Adrian zou opvallen en dat hij ons voorbeeld zou volgen; maar dat deed hij niet.

Later die dag – of misschien wel op een andere dag – hadden we een dubbeluur Engels bij Phil Dixon, een jonge leraar die net van Cambridge kwam. Hij gebruikte graag eigentijdse teksten, en wierp dan onverwacht vragen op. ‘“Geboorte, Copulatie, en Dood” – daar komt het volgens T.S. Eliot allemaal op neer. Iemand commentaar?’ Hij vergeleek de protagonist uit een stuk van Shakespeare eens met Kirk Douglas in Spartacus. En ik herinner me nog hoe hij, toen we het over de dichtkunst van Ted Hughes hadden, zijn hoofd pedanterig scheef hield en mompelde: ‘We vragen ons natuurlijk wel allemaal af hoe het verder moet als hij straks door zijn dieren heen is.’ Soms sprak hij ons aan met ‘Heren’. Uiteraard vonden we hem geweldig.
Die middag deelde hij een gedicht uit, zonder titel, datering of auteursnaam, gaf ons tien minuten om het te bestuderen en vroeg daarna om onze reacties.
‘Zullen we met jou beginnen, Finn? Waarover gaat dit gedicht, simpel gezegd, volgens jou?’
Adrian keek op van zijn tafel. ‘Over Eros en Thanatos, meneer.’
‘Hmm. Ga verder.’
‘Seks en dood,’ vervolgde Finn, alsof het misschien niet alleen de sufferds op de achterste rij waren die geen Grieks kenden. ‘Over liefde en dood, als u dat liever heeft. Het erotische principe, in elk geval, dat botst met het doodsprincipe. En wat er uit die botsing voortvloeit, meneer.’
Ik keek vermoedelijk geïmponeerder dan Dixon gezond achtte.
‘Webster, ga daar eens op door.’
‘Ik dacht dat het gewoon een gedicht was over een kerkuil, meneer.’
Dat was een van de verschillen tussen ons drieën en onze nieuwe vriend. Wij namen de boel voornamelijk in de zeik, behalve wanneer we serieus waren. Hij was voornamelijk serieus, behalve wanneer hij de boel in de zeik nam. Het kostte ons enige tijd om daar achter te komen.

Adrian stond zichzelf toe in ons groepje te worden opgenomen, zonder te erkennen dat het iets was waar hij op uit was. Misschien was hij er ook wel niet op uit. Ook wijzigde hij zijn mening niet om haar met de onze in overeenstemming te brengen. Bij het ochtendgebed kon je hem horen meedoen met het responsorium, terwijl Alex en ik de woorden alleen mimeden, en Colin de satirische list van het pseudozelotische enthousiaste bulderen verkoos. Wij drieën beschouwden het schoolsporten als een cryptofascistisch plan om onze geslachtsdrift te onderdrukken; Adrian sloot zich aan bij de schermclub en deed aan hoogspringen. Wij waren provocerend toondoof; hij kwam naar school met zijn klarinet. Als Colin de draak stak met het gezin, ik de spot dreef met het politieke systeem, en Alex wijsgerige bezwaren inbracht tegen het als zodanig ervaren wezen van de realiteit, hield Adrian zich op de vlakte – in het begin althans. Hij wekte de indruk in dingen te geloven. Dat deden wij ook – het was alleen dat wij in onze eigen dingen wilden geloven, in plaats in wat voor ons beslist was. Vandaar ons wat wij als louterend scepticisme zagen.
De school stond in het centrum van Londen, en we reisden er elke dag naartoe vanuit onze afzonderlijke deelgemeenten, van het ene systeem van orde overstappend naar het andere. Destijds lagen de dingen duidelijker: minder geld, geen elektronische spullen, weinig of geen modeterreur, geen vriendinnetjes. Er was niets om ons af te leiden van onze plicht als mens en als zoon, zijnde: studeren, examens halen, die kwalificaties gebruiken om een baan te vinden, en vervolgens een leven in te richten dat op een niet-bedreigende manier heel wat voller was dan dat van onze ouders, die er hun goedkeuring aan zouden hechten terwijl ze het stiekem vergeleken met hun eigen vroegere leven, dat een stuk eenvoudiger en daarmee superieur was geweest. Dat werd allemaal natuurlijk nooit uitgesproken: het keurige sociaal darwinisme van de Engelse middenklasse bleef altijd impliciet.
‘Ouders zijn rotzakken,’ klaagde Colin op een maandag in de middagpauze. ‘Als je klein bent denk je dat ze aardig zijn, en dan besef je dat ze net zo zijn als…’
‘Hendrik VIII, Col?’ opperde Adrian. We begonnen al gewend te raken aan zijn gevoel voor ironie; alsmede aan het feit dat het ook tegen ons kon worden aangewend. Als hij ons plaagde, of ons tot ernst opriep, sprak hij me aan met Anthony; dan werd Alex Alexander en het niet verlengbare Colin ingekort tot Col.
‘Zou het niks erg vinden als mijn vader zes vrouwen had.’ ‘En ongelooflijk rijk was.’
‘En geschilderd door Holbein.’
‘En tegen de paus zei dat hij de boom in kon.’
‘Nog een bepaalde reden waarom het rotzakken zijn?’ vroeg Alex aan Colin.
‘Ik wilde met ze naar de kermis. Zeiden ze dat ze het hele weekend in de tuin moesten werken.’
Inderdaad: rotzakken. Behalve voor Adrian, die onze tirades aanhoorde, maar zich er zelden bij aansloot. En toch, zo kwam het ons voor, had hij er meer reden toe dan de meesten van ons. Zijn moeder had jaren geleden de benen genomen, en zo zijn vader met de zorg voor Adrian en zijn zus opgezadeld. Dat was lang voordat de term ‘eenoudergezin’ in zwang raakte; toen heette het nog ‘gebroken gezin’, en Adrian was de enige uit zo’n gebroken gezin die we kenden. Dat had hem van een wagonlading existentiële woede moeten voorzien, maar dat deed het op de een of andere manier niet; hij zei dat hij van zijn moeder hield en zijn vader respecteerde. We namen zijn geval heimelijk onder de loep en kwamen tot een theorie: dat de sleutel tot een gelukkig gezinsleven gelegen was in het feit dat er geen gezin was – althans, geen bij elkaar wonend gezin. Nadat we tot deze analyse waren gekomen benijdden we Adrian des te meer.

[...]

© 2011 Julian Barnes
© 2011 Nederlandse vertaling: Ronald Vlek
© auteursportret Alan Edwards

Uitgeverij Atlas Contact

MINDBOOKSATH : athenaeum