Leesfragment: Andermans rotzooi

27 november 2015 , door Theodore Dalrymple
| |

29 mei verschijnt de Nederlandse vertaling van Andermans rotzooi van Theodore Dalrymple (vertaald door Rik Smits). Wij publiceren vanavond de inleiding voor.

Onderweg van Glasgow naar Londen zag Theodore Dalrymple hoe zeshonderd kilometer lang praktisch elke meter berm bezaaid lag met slierten afval, wapperend in de wind als Boeddhistische gebedsvlaggen. En hij vroeg zich af: Hoe komt dat? Wat zegt het over een land als iedereen zijn rotzooi laat vallen waar het uitkomt? Wat betekent zoiets voor het leven van de Britten en hoe gaat het er in andere landen aan toe? Even gevat als nietsontziend fileert Dalrymple het moderne Britse leven, van de arme wijken waar hij placht te werken tot het alomtegenwoordige tapijt van kauwgomplekken en het gedrag van scholieren en hoogopgeleiden.

Inleiding

Het is ruim 650 kilometer van Londen naar Glasgow en onderweg is vrijwel iedere meter berm bezaaid met zwerfvuil. Ik weet dat, want mijn vrouw en ik maakten die reis onlangs zelf. Veel van de bomen langs de route waren behangen met plastic zakken of rafelige repen plastic die fladderden in de wind als boeddhistische gebedsvlaggen op de hoogvlakten van de Himalaya. Maar het frappantst waren de grasbermen. Kilometer na kilometer waren ze bezaaid met afval: er lagen wat stukken krant, her en der zwierf een wieldop, maar vooral lagen er plastic verpakkingen van eet- en drinkwaren die chauffeurs en hun passagiers mee hadden genomen en die ze na gebruik uit het raam hadden gegooid. Prominent aanwezig, in de zin dat er niet aan voorbij te zien viel, waren felgekleurde limonadeblikjes en transparant blauwgroene mineraalwaterflesjes die nu en dan flonkerden en schitterden in de zon.
Het was niet alleen langs de snelweg dat zwerfvuil welig tierde, als het ware. We reden een stukje om door het Lake District, het landschap dat de Engelse romantici zo had geïnspireerd. Dat landschap is inderdaad van een zo indrukwekkende, bijna hartverscheurende schoonheid, dat ik, terwijl ik niets moet hebben van het romantische gedachtegoed en de eruit voortkomende egodramatiek, er wel wat begrip voor voelde opkomen. Maar zelfs hier lagen de bermen vol met precies hetzelfde soort zwerfvuil. Toegegeven, er lag minder dan langs de snelweg, want de wegen zijn veel stiller, maar het was genoeg om me van het landschap voor mij af te leiden.
We reden Glasgow voorbij, richting Loch Lomond: daar was het al niet anders. De verrommeling nam pas een einde toen we het eiland Mull bereikten.
Mijn vrouw vindt weleens dat ik overdrijf, maar nu was ze het met me eens dat de indruk die dat alles op mij maakte niet was toe te schrijven aan een bedorven maag of voortkwam uit een verbitterde blik op de wereld die me slechts liet zien wat er mis was met de wereld en niet wat goed ging. Ze bevestigde dat de hoeveelheid ongelofelijk was, een in dit verband gepaste term hoewel hij zijn betekenis door overmatig gebruik bijna verloren heeft .
Ik heb lange ritten gemaakt door Frankrijk, Spanje, Italië, Duitsland, Nederland, België en andere landen in Europa, maar heb daar nergens iets dergelijks gezien. Ik zag zwartgeblakerde vuilnishopen op de straten van Port-au-Prince en koraaleilandjes in de Stille Zuidzee waarvan de bodem schuilging onder een dikke laag lege colablikjes, weggegooid door de zwaarlijvige inlanders die voor hun levensonderhoud treurig afh ankelijk geworden waren van buitenlandse hulp. Maar Groot-Brittannië is er heel anders aan toe dan Haïti of de atollen van de Grote Oceaan; ik had nooit kunnen denken dat mijn geboorteland één groot vuilnisvat zou worden, of dat mijn landgenoten het als zodanig zouden behandelen.

Rome is niet op één dag gebouwd en Brittannië raakte niet op een achternamiddag met afval bezaaid. Maatschappelijke en antimaatschappelijke ontwikkelingen hebben geen duidelijk beginpunt, er is niet zoiets als de oerknal die naar men zegt ons universum grondvestte. Ik heb het opkomend afvalgetij in Brittannië een aantal jaren gevolgd en kwam tot de slotsom dat het verschijn sel de moeite van het overdenken waard was. Omdat er verder niemand in geïnteresseerd leek, lokale bestuurders nog het minst van iedereen, voelde ik me als Autolykos, de Prins der Dieven, een scharrelaar in veronachtzaamde kleinigheden.
Mijn interesse in het onderwerp werd gewekt door de wandeling die ik verscheidene jaren dagelijks maakte van het ziekenhuis waar ik ’s ochtends werkte naar de gevangenis waar ik dat ’s middags deed, een afstand van een paar honderd meter. Omdat gevangenissen zelden in de beste buurten van een stad staan, zal het u niet verbazen dat de straten waar ik doorheen liep armoedig waren – al was dat uiteraard niet zo in vergelijking met sommige andere delen van de wereld.
Niet bij kou of regen maar wel als het weer vriendelijk en zonnig was, glinsterden de stoepen alleraardigst van de aquamarijnkleurige tot olivijngroene glasscherfjes van ingeslagen ramen van auto’s langs de straat. Soms lagen er wel acht van die schervenhopen langs de straatkant: meer dan een per honderd meter.
Wat betekende dit alles? Allereerst wees het seizoensgebonden karakter van de auto-inbraken erop dat ze niet gepleegd werden uit louter armoede of nooddruft , want in onze contreien is de winter het seizoen van het grootste gebrek.
In de tweede plaats deed het grote aantal van zulke inbraken, dat in geen verhouding stond tot de toestand in meer welvarende wijken, vermoeden dat de armen vaker het slachtoffer van misdaad zijn dan de rijken.
In derde instantie leek het me onwaarschijnlijk dat al die inbraken het werk waren van vele handen. De verantwoordelijke leek eerder een lopendebandwerker dan een maatwerk leverende geschoolde vakman. Met andere woorden, hier lag bewijs (als dat nog nodig was) dat zelfs in de armste gebieden de klasse van misdaadslachtoffers veel groter is dan die van daders.
Geregeld vroeg ik mij af waarom dit soort overwegingen, die toch zo voor de hand lagen, nooit echt leken door te dringen tot het bewustzijn of het gevoel van de denkende klassen, die als puntje bij paaltje komt toch de toon zetten in onze samenleving.
Afgezien van een enkele in het ongemaaide gras van een voortuin weggekieperde pop zonder kop of kinderwagen zonder wielen, bestond het afval net als langs de snelweg vrijwel geheel uit plastic verpakkingen van industrieel vervaardigde happen en drankjes. Had ik door de jaren heen het afval langs de straten nauwkeurig statistisch bijgehouden, dan had ik ongetwijfeld de plaatselijke veranderingen in het smaakpatroon opgemerkt waar het junkfood betrof; maar ook zonder dat viel mij ergens in die periode de plotselinge verschijning op van blikjes van een drankje dat werd aangeprezen en verkocht als oppeppend en versterkend na onmatigheid, met name van alcoholische aard.
Het plotselinge verschijnen daarvan deed bij mij de vraag rijzen of aanbod nu vraag oproept, of andersom. Natuurlijk moeten mensen eerst weten dat een bepaald product verkrijgbaar is voordat ze er specifiek naar kunnen verlangen: maar er zijn zeker producten die werden ontwikkeld in antwoord op een al bestaande behoefte of verlangen. In dit geval viel de verschijning van weggegooide blikjes van het drankje zo precies samen met een geduchte reclamecampagne waarbij geen retorisch middel tot misleiding onbenut werd gelaten, dat je die alleen maar kon bezien als een schoolvoorbeeld van commerciële manipulatie van de bevolking, een geval van het beduvelen van de goedgelovigen.
Elke poging om echte en onechte, natuurlijke en onnatuurlijke verlangens en lusten van elkaar te onderscheiden is waarschijnlijk tot mislukken gedoemd. Al zouden we kunnen aantonen dat er ooit onversneden natuurlijke verlangens bestonden, dan nog kunnen die alleen tijdens de allervroegste dageraad van niet eens de geschiedenis, maar de prehistorie in onaangetaste vorm bestaan hebben, vrij van culturele vervorming. Tegenwoordig bestaan ze niet.
Waaruit kwam dan toch mijn ergernis voort over het plotselinge verschijnen van deze nieuwe drank in zijn helder metallicblauwe blikje met zilver en rood en de snelle verspreiding ervan? Ik wilde het goedje al als waardeloos afdoen, toen in mijn geest een vraag de kop opstak als een worm uit een bloemknop.
Kan iets waardeloos zijn als zo velen ernaar verlangen en van genieten? Was de voorliefde die zich ervoor ontwikkelde niet vergelijkbaar met de voorliefde die ik op mijn beurt had ontwikkeld voor champagne? Was ik niet gewoon een snob? U ziet, vuilnis biedt echt stof tot filosoferen.

© 2011 Theodore Dalrymple
© 2012 Nederlandse vertaling Rik Smits / Nieuw Amsterdam

Uitgeverij Nieuw Amsterdam

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum