Leesfragment: Blauwe nachten

27 november 2015 , door Joan Didion
| | |

14 april verschijnt Joan Didions memoir Blauwe nachten (Blue Nights, vertaald door Marijke Versluys) in het Nederlands. Wij publiceren de eerste pagina's voor.

In Blauwe nachten vertelt Joan Didion over de tragische dood van haar dochter. Het boek behandelt even openhartig als overdonderend de grote levensvragen. Didion schreef eerder over wat de dood met een naaste overlevende doet in Het jaar van magisch denken. Maar Blauwe nachten is een nog ontroerender getuigenis over het onafwendbare afscheid van een geliefde.

Blauwe nachten begint op 26 juli 2010, het moment waarop Didion terugdenkt aan het huwelijk van haar dochter, zeven jaar eerder in New York. Ze wordt overstelpt met herinneringen aan de kindertijd van haar dochter. En terwijl Didion zich dat verleden voor de geest haalt en de confrontatie met haar eigen ouderdom aangaat, vraagt ze zichzelf af of ze als moeder heeft gefaald. Misschien is de conclusie dat mensen vreemden blijven voor elkaar, hoe nauw de banden ook zijn. 

1

In bepaalde wereldstreken treedt er voor en na de zomerzonnewende een periode op, van al met al enkele weken, waarin de schemeringen lang en blauw worden. De fase van die blauwe avonden doet zich niet voor in het subtropische Californië, waar ik gedurende de tijd die hier ter sprake komt grotendeels woonde en waar het daglicht snel eindigt en opgaat in de vlammende zonsondergang, maar wel in New York, waar ik tegenwoordig woon. Je merkt het pas wanneer april ten einde loopt en mei begint: een verandering in het jaargetijde, het wordt nog niet echt warmer – het wordt helemaal nog niet warmer – en toch lijkt de zomer opeens dichtbij, een mogelijkheid, een belofte zelfs. Je loopt langs een raam, je wandelt naar Central Park, en opeens omzweeft je de kleur blauw: het licht zelf is blauw, en in de loop van een uurtje wordt dat blauw dieper, intenser, ook al wordt het donkerder en vager, tot het ten slotte bij benadering iets heeft van het blauwe glas op een heldere dag in Chartres, of van de Tsjerenkovstraling die de brandstofstaven in het watervat van een kernreactor afgeven. De Fransen noemden dit tijdstip l’heure bleue. De blauwe uren, de avondschemering. De woorden roepen klanken en echo’s op – schemer, deemster, donkerte, duisternis – en brengen beelden mee van huizen die de luiken sluiten, van tuinen die schemerdonker worden, en van grasomzoomde rivieren die door de schaduw glippen. Tijdens die blauwe avonden heb je het idee dat de dag nooit voorbij zal zijn. Naarmate de blauwe avonden ten einde lopen (en dat gebeurt, onafwendbaar) bevangt je zelfs een lichte kou, een bang voorgevoel van ziekte, op het moment dat het je opvalt: het blauwe licht taant, de dagen korten al, de zomer is voorbij. Dit boek gaat over die blauwe avonden, want toen ik eraan begon bleken mijn gedachten steeds vaker af te dwalen naar ziekte, naar het ontbreken van een belofte, het slinken van de dagen, het onvermijdelijke verfletsen, het sterven van het licht. Blauwe avonden zijn het tegenovergestelde van het sterven van het licht, maar ze zijn er ook een voorafschaduwing van.

2

26 juli 2010.
Vandaag zou ze haar trouwdag hebben gevierd.
Op de dag af zeven jaar geleden pakten we de bloemenkransen uit de dozen van de bloemist en schudden we het water uit de verpakking op het gras bij de kathedraal van St. John the Divine aan Amsterdam Avenue. De witte pauw ontvouwde zijn staart. Er klonk orgelspel. Ze wond witte stefanotis in de dikke vlecht op haar rug. Ze hing een tulen sluier over haar hoofd, waardoor een paar stefanotiskelkjes afvielen. De plumeriabloem die op haar bovenarm was getatoeëerd, schemerde door de tule heen. ‘Zullen we?’ fluisterde ze. De kleine meisjes met hun bloemenkransen en lichte jurkjes huppelden het gangpad in en liepen achter haar aan naar het hoogaltaar. Nadat alle woorden waren gesproken volgden de meisjes haar door de voordeur van de kathedraal naar buiten, langs de pauwen (de twee iriserende blauw-met-groene pauwen, de ene witte pauw) naar het parochiehuis. Er waren sandwiches met komkommer en waterkers, een perzikkleurige taart van Payard, roze champagne.
Allemaal haar keuzes.
Sentimentele keuzes, dingen die ze zich herinnerde.
Ook ik kon me die dingen herinneren.
Toen ze zei dat ze op haar bruiloft sandwiches met komkommer en waterkers wilde hebben, herinnerde ik me dat ze schalen met komkommer-en-waterkerssandwiches had uitgestald op de tafeltjes die we voor de lunch ter gelegenheid van haar zestiende verjaardag rond het zwembad hadden neergezet. Toen ze zei dat ze op haar bruiloft liever bloemenkransen had dan boeketten, herinnerde ik me dat ze toen ze een jaar of drie, vier of vijf was op de luchthaven Bradley bij Hartford uit het vliegtuig stapte met om haar hals de bloemenkrans die ze de avond ervoor bij vertrek uit Honolulu had gekregen. Die ochtend was het in Connecticut zes graden onder nul en ze was zonder jas (op de reis van Los Angeles naar Honolulu had ze geen jas aangehad, we waren niet van plan geweest om door te reizen naar Hartford), maar ze had er geen last van gehad. Kinderen met bloemenkransen hoeven geen jas aan, deelde ze me mee.
Sentimentele keuzes.
Op die huwelijksdag werden al haar sentimentele wensen vervuld, op één na: ze had graag gezien dat de meisjes in de kathedraal op blote voeten zouden lopen (herinnering aan Malibu: in Malibu liep ze altijd op blote voeten, had ze altijd splinters van de hardhouten vlonder, splinters van het plankier en teer van het strand, en jodium voor de schrammen van de spijkers in de trap daartussen), maar de meisjes hadden voor de gelegenheid nieuwe schoenen gekregen en die wilden ze aan.

De Heer en Mevrouw John Gregory Dunne stellen uw aanwezigheid op prijs bij het huwelijk van hun dochter Quintana Roo met Gerald Brian Michael op zaterdag 26 juli om 14.00 uur

De stefanotis.
Was dat ook een sentimentele keuze?
Kon ze zich de stefanotis nog herinneren?
Had ze die daarom willen hebben, had ze die daarom in haar vlecht gewonden?
Er stond een stefanotisstruik bij de terrasdeuren van het huis in Brentwood Park waar we van 1978 tot 1988 woonden, een huis zo compromisloos conventioneel (beneden- en bovenverdieping, hal in het midden, luiken voor de ramen en elke slaapkamer met een eigen zitkamer)dat het op die plek weer bijzonder leek (‘hun villaatje in Brentwood’ noemde zij het toen we het kochten: een meisje van twaalf dat gezegd wil hebben dat het niet haar beslissing was, niet haar smaak, een kind dat de afstand opeist die alle kinderen denken nodig te hebben). Als ik de tuin in ging streek ik altijd even langs de wasachtige bloemen. Bij die deuren waren perken met lavendel en ook munt, een warrige pruik munt, weelderig door een druppende kraan. We waren in dat huis getrokken in de zomer dat zij naar de eerste klas zou gaan van de Westlake School for Girls, zoals die toen nog heette, in Holmby Hills. Ik weet het nog als de dag van gisteren. We zijn uit dat huis vertrokken in het jaar dat ze haar studie aan Barnard College zou afronden. Ook dat weet ik nog als de dag van gisteren. De stefanotis en de munt waren toen al dood, door toedoen van de koper, die erop stond dat we het huis ontdeden van termieten door er een tent overheen te zetten en die vol te pompen met Vikane en chloorpicrine. Toen de koper een bod deed op het huis, liet hij ons via de makelaar weten, kennelijk bij wijze van afronding van de transactie, dat hij het huis wilde hebben omdat hij al voor zich zag dat zijn dochter in die tuin zou trouwen. Dat was enkele weken voordat hij van ons eiste dat we de boel volpompten met de Vikane die de stefanotis doodde, de munt doodde en ook de roze magnolia doodde waarop het meisje van twaalf dat zich zo koppig afstandelijk opstelde tegenover ons villaatje in Brentwood, tot dan toe vanuit haar zitkamer op de eerste verdieping had kunnen uitkijken. De termieten zouden terugkomen, daar was ik van overtuigd. De roze magnolia niet, ook daar was ik van overtuigd.
De koop werd gesloten en we verhuisden naar New York.
Waar ik al eens eerder had gewoond, vanaf mijn eenentwintigste, toen ik net mijn studie Engels aan Berkeley had afgerond en aan mijn baan bij Vogue begon (een dermate onnatuurlijke overgang dat ik, op de vraag van een personeelsmedewerker bij Condé Nast Publications welke talen ik vloeiend sprak, alleen Middel-Engels kon bedenken), tot ik negenentwintig was en pasgetrouwd. Waar ik sinds 1988 weer woon.
Waarom heb ik dan gezegd dat ik gedurende die periode grotendeels in Californië heb gewoond?
Waarom voelde het dan zo sterk als verraad om mijn Californische rijbewijs te verruilen voor een rijbewijs dat in New York was afgegeven? Was dat dan niet een vrij simpele procedure? Je verjaardag nadert, je rijbewijs moet worden verlengd, wat maakt het uit waar je het verlengt? Wat maakt het uit dat je dat ene nummer op je rijbewijs hebt staan sinds het je door de staat Californië werd toegekend toen je vijftien en een half was? Had er trouwens niet altijd een foutje op dat rijbewijs gestaan? Een foutje waar je van af wist? Stond er niet op vermeld dat je één meter zevenenvijftig was? Terwijl je heel goed wist dat je hoogstens – (maximaal, in het gunstigste geval, voordat je ruim een centimeter had moeten inleveren aan de ouderdom) – terwijl je heel goed wist dat je hoogstens één meter zesenvijftig was?
Waarom maakte ik zo’n drukte van dat rijbewijs?
Waar ging dit over?

 

[...]

Uitgeverij De Bezige Bij

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum