Leesfragment: De buurman

27 november 2015 , door J.J. Voskuil
| |

Athenaeum Haarlem maakte haar eigen selectie zomerboeken (zie de Amsterdamse), waaronder J.J. Voskuils postume roman De buurman. 'Een hilarisch portret van Maarten en Nicolien Koning en hun homosexuele buren. Wat begint met alle goede bedoelingen eindigt in bijna kolderiek onbegrip,' schrijven ze. Vanavond een uitgebreid fragment.

De buurman beschrijft de ontwikkeling van de vriendschap tussen Maarten en Nicolien Koning met hun twee homoseksuele buren Petrus en Peer. Petrus is een stugge, om niet te zeggen knorrige man van middelbare leeftijd, Peer is een jongensachtige dertiger. Nicolien begroet hun komst uitbundig omdat homoseksuelen volgens haar underdogs zijn, en beide mannen kunnen om die reden rekenen op haar compromisloze sympathie. Dit in tegenstelling tot Maarten, die al na een enkele ontmoeting tot de conclusie komt dat beide mannen intellectueel volstrekt oninteressant zijn. Toch ontstaat er een regelmatig en intensief contact met de twee buurmannen. Ze passen op elkaars huisdieren en gaan over en weer bij elkaar op bezoek. Toch gaat het op een gegeven moment mis. De band met Peer en Petrus wordt steeds grimmiger. 

De buurman is bovenal een poging van Voskuil om zijn vrouw te begrijpen en haar onvoorwaardelijke steun voor de underdogs. Geen onderwerp heeft hen zo gespleten als de homo-emancipatie. Het onbegrip tussen de echtelieden neemt in De buurman bijna potsierlijke vormen aan. Even meesterlijk als wanhopig registreert de schrijver de fundamentele botsingen tussen Maarten en Nicolien, uitmondend in een zeer bewegend en soms ook hilarisch portret van een huwelijk. 

J.J. Voskuil, auteur van een omvangrijk autobiografisch oeuvre, liet twee onuitgegeven manuscripten na. Binnen de huid, zijn persoonlijkste boek, werd door zijn weduwe in 2008 vrijgegeven voor publicatie. Zij aarzelde langer over De buurman, dat de schrijver al tijdens zijn leven wilde uitgeven, maar dat hij wegens haar bezwaren opborg. 

De andere zomerboeken draaien om een diplomaat die midden in de twintigste eeuw stond (Peter Henk Steenhuis, De rode ambassadeur), twee broers in een hilarische western (Patrick DeWitt, De Gebroeders Sisters), joden en hun herinneringen (Nathan Englander, Waar we het over hebben wanneer we het over Anne Frank hebben), en crisis in Londen (John Lanchester, Kapitaal).

[...]

Een week later brachten we een tegenbezoek. We klommen de trap op. Nicolien drukte op de bel. De bel klingelde. Toen de deur openging, stonden ze naast elkaar in een kleine, donker verlichte hal om ons te verwelkomen.
‘Eerst het huis bekijken, hè,’ zei Peer, toen we uitvoerig handen hadden geschud – alsof hij zich daarop al verheugd had. De hal had vier deuren. Hij opende de middelste: hun slaapkamer.
‘Moet je die nu ook laten zien?’ zei Petrus gegeneerd.
‘Natuurlijk! Die is toch het belangrijkste?’
Het was een tussenkamertje dat bijna helemaal in beslag werd genomen door een enorm, laag tweepersoonsbed. Naast het hoofdeinde was tegen de muur een leeslampje bevestigd, met daarboven een rekje met boeken. Voor het raam hing een zwaar, donker gordijn. Het rook er muf, alsof er niet gelucht werd.
‘Gezien!’ zei ik.
‘En dit is mijn kamer.’ Peer opende de deur ernaast en deed het licht op: tl-buizen.
Het eerste wat me opviel was een piano. Voor het raam stond een werkbank, tegen de muur een rek met gereedschap. Een fiets hing aan haken aan het plafond.
‘Speel je piano?’ vroeg ik. Ik herinnerde me nu dat er bij de intrek van Petrus een piano was binnengebracht.
‘Nee, Petrus. Hè Petrus? Het is een erfstuk van zijn moeder.’
‘Sinds Peer er is niet zo veel meer,’ relativeerde Petrus.
We stonden midden in de ruimte en keken om ons heen. Er was een geweldige rotzooi bijeengebracht: een divan, stukken hout, dozen, een kast, visnetten, schilderijlijsten, een grote rol gordijnstof en in een hoek, bij elkaar gedreven, een antieke kast en wat oude meubelen, die de kamer waarschijnlijk voor de komst van Peer gestoffeerd hadden.
‘Mooi,’ zei ik.
‘Ja,’ zei Nicolien.
‘En dan heb ik hier nog een donkere kamer.’ Hij opende een derde deur op de gang, de deur van de douchecel.
‘Peer maakt prachtige foto’s,’ verduidelijkte Petrus.
‘Ik zal jullie er straks wat laten zien,’ beloofde Peer.
‘En waar douchen jullie dan?’ vroeg ik, naar binnen kijkend. Onder de douche was een aanrecht met twee spoelbakken aangebracht.
‘Als je wilt douchen kun je net zo goed naar het badhuis gaan,’ vond Peer. ‘Ik heb me altijd onder de kraan gewassen. Dat is genoeg.’
‘Wij ook hoor,’ viel Nicolien hem bij. ‘Toen we nog op de Lijnbaansgracht woonden, wasten we ons in de keuken. Dat kan best.’
‘Hadden jullie thuis een douche?’ vroeg ik aan Petrus.
‘Wij hadden een bad,’ antwoordde hij droog. ‘Maar ik heb daar niet zo’n behoefte aan.’
Zijn eigen kamer was het tegendeel van die van Peer. De enige lichtbronnen waren een ouderwetse bureaulamp op een groot bureau-ministre in de hoek voor het raam en een antieke schemerlamp die kleine glimplekken wierp op een kabinet tegen de zijmuur. Midden in de kamer stonden een met groen leer beklede bank voor een klein met perlemoer ingelegd tafeltje, tegen de andere muur een pronkkast met porselein en kristal. Nicolien en ik gingen op de bank zitten, Petrus naast zijn bureau en Peer op een stoel in de ruimte. De leuning was te hoog om mijn arm op te leggen. Ik liet me wat onderuitzakken om te demonstreren dat ik me op mijn gemak voelde. Recht voor me hing tegen de muur naast het raam een vogelkooi, waaruit een paar lange, dunne stokken de kamer instaken. Op een stokje voor de kooi zat een vogeltje te slapen.
‘Hebben jullie een vogel?’ vroeg ik.
‘Dat is Pierewiet, onze huisgenoot,’ zei Petrus. ‘Die heeft Peer meegebracht.’
‘Het is een Mozambikaanse kanarie,’ vulde Peer aan. ‘Die zingt mooi, jongen. Gossamme.’
‘Maar is dat niet vervelend voor zo’n vogel om altijd binnen te zitten?’ vroeg Nicolien bezorgd.
‘Nee, waarom? Hij heeft toch zijn eten en drinken? En hij kan gewoon in de kamer rondvliegen.’
‘En al vond hij het vervelend, als Peer er plezier aan heeft, dan is het goed,’ vond Petrus.
Er viel een wat ongemakkelijke stilte. Op het gladde leer schoof ik langzaam verder onderuit. Ik kwam weer omhoog en zocht steun tegen de achterleuning.
‘Hebben jullie ook een brief van de makelaar gehad dat ze de elektrische bedrading willen vernieuwen?’ vroeg Peer. ‘Petrus denkt erover om zijn toestemming te weigeren.’
‘Waarom?’ vroeg ik.
‘Hij is bang dat zijn antiek gestolen wordt. Hè Petrus?’
‘Ik houd er niet van als vreemden mijn huis inkomen,’ bevestigde Petrus.
‘Maar je bent er toch zelf bij?’ merkte Nicolien op.
‘Ze zullen het niet meteen meenemen, maar ze wachten tot je een keer weg bent.’
‘Dat lijkt me sterk,’ vond ik.
‘We zijn al een paar keer opgebeld door iemand die meteen de hoorn weer neerlegde,’ vulde Peer aan. ‘Nou, dat lijkt me niet in orde.’
‘Dat worden wij ook wel eens,’ zei Nicolien. ‘Dat zijn gewoon mensen die verkeerd verbonden zijn.’
‘Die zijn er ook,’ gaf Peer toe, ‘maar ik zou toch uitkijken als ik jullie was.’
Nicolien lachte.
‘Ik laat ze er niet in!’ zei Petrus beslist. ‘Ik zal tegen de makelaar zeggen dat Peer die bedrading wel zal vernieuwen.’
‘Kan Peer dat?’ vroeg ik.
‘Peer kan alles.’
‘Alles wat met mijn handen is,’ preciseerde Peer.
Ik lachte. ‘Ik kan niks met mijn handen.’
‘Jawel,’ zei Nicolien. ‘Als iets kapot is, maak jij het meestal zelf.’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee, ik kan niks.’
‘Ik kan een heleboel,’ zei Petrus, ‘maar niet zo veel als Peer. Dat moet ik toegeven.’
Ik keek naar hem. Onvoorstelbaar dat die man iets anders kon dan lezen.
‘Mijn vader was leraar op de ambachtsschool,’ vertelde Nicolien. ‘Die maakte ook altijd van alles. Maar eigenlijk was hij bouwkundig tekenaar.’
‘Nee, ik heb op de Kunstacademie gezeten,’ zei Peer. ‘Ik ben schilder geweest, kunstschilder dan.’
‘Maar dat zag je niet meer zitten,’ begreep ik.
‘Nou, niet meer zitten... Het was meer zo dat ik vastliep. Priegelwerk. Niks an. Getverdemme!’
‘En je kon niet van stijl veranderen?’
‘Als je altijd van links op je fiets bent gestapt, kun je niet meer van rechts opstappen.’
Ik lachte. Hij amuseerde me.
‘En ik was depressief. Dat kwam er nog bij. Daarvoor ben ik nog een tijdje in een inrichting opgenomen.’
‘Zou je dat nu wel vertellen?’ waarschuwde Petrus.
‘Waarom niet? Dat mogen ze toch wel weten?’
‘Omdat je daar beter niet mee te koop kunt lopen.’
‘Nou, daar zullen ze toch niks mee doen? Nee hoor, daar schaam ik me niks voor.’
‘Wij hebben ook een vriend die in een inrichting heeft gezeten,’ vertelde ik, om duidelijk te maken dat we niet van de straat waren, ‘twee zelfs! Ik bedoel twee vrienden. Ja, ook twee inrichtingen trouwens.’ Ik lachte.
‘Zie je wel,’ zei Peer tegen Petrus. ‘Het is niets bijzonders.’
‘Was je depressief of was je panisch?’ vroeg ik.
‘Depressief. Ik liep alsmaar in de straat heen en weer en ik kon niets meer doen.’
‘Ja, dat is depressief. En waarom was dat?’ Ik herinnerde me de waarschuwing van Nicolien en vroeg me af of ik te ver ging. Maar zo was ik dan. Bovendien interesseerde het me.
‘Ja, waarom was dat?’ Hij leek er geen moeite mee te hebben.
‘Alles kwam eigenlijk bij elkaar. Ik had samengewoond met een echtpaar en die gingen plotseling verhuizen. En ik was verliefd op een jongen, maar die liefde werd niet beantwoord. Toen knapte er iets. Het was eenzaamheid, denk ik. Ik kon ineens niet meer tegen de eenzaamheid.’ Hij keek me recht aan.
Ik knikte. ‘Heb jij dat nooit gehad, dat je eenzaam was?’ vroeg ik, me tot Petrus wendend.
Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, ik kan heel goed tegen alleen zijn, al zeg ik het zelf.’
‘Petrus kan ontzettend goed tegen alleen zijn,’ viel Peer hem bij.
‘Het ging me alleen wel benauwen om altijd bij een hospita te zitten,’ voegde Petrus er nog aan toe. ‘Daarom ben ik op aanraden van vrienden in dit huis gekomen. Die dachten dat het dan beter zou gaan.’ Onder het praten keek hij schuin van me weg, naar de grond, maar bij de laatste woorden wendde hij zijn hoofd naar me toe, alsof hij daar beneden op de grond de kracht had gevonden om die vreemde indringer in de ogen te zien.
‘Maar toen voelde je je toch ook wel eens alleen,’ herinnerde Peer hem.
Petrus aarzelde. ‘Ja,’ gaf hij toe. Het kostte hem moeite. Hij keek naar Peer. ‘Maar ik ben opgeknapt toen deze lastige jongen kwam.’ Hij legde, plotseling vertederd, zijn hand op Peers knie. Zijn gezicht was op slag veranderd, heel vriendelijk. Er viel een wat verlegen stilte, alsof we getuige waren van iets wat we niet mochten zien.
‘At je ook bij die hospita?’ vroeg ik om het gesprek op wat neutraler terrein te brengen.
‘Zal ik jullie eens een paar van mijn schilderijen laten zien?’ vroeg Peer op hetzelfde moment. Hij stond op.
‘Niet allemaal tegelijk alsjeblieft,’ zei Petrus droog.
‘At je ook bij die hospita?’ herhaalde ik.
‘Laat Peer nou eerst zijn schilderijen laten zien,’ kwam Nicolien ertussen.
‘Nee, ik at iedere avond in een restaurant.’
‘Daar hebben we elkaar ook voor het eerst ontmoet,’ zei Peer uit de hoek van de kamer. ‘Niet waar, Petrus?’
‘Ja, daar hebben we elkaar voor het eerst ontmoet.’
Peer kwam met twee schilderijen naar de lamp en zette ze voor ons op de grond, in het licht. Op het grootste lag een naakte man, met de billen naar ons toe, met één arm opzij. Het andere toonde het geslacht van een man.
‘Je laat ons wel de schandelijkste dingen zien,’ zei Petrus ge- geneerd.
‘Dat hindert toch niet?’ zei Peer zorgeloos. ‘Dat zullen ze toch wel meer gezien hebben? Ik heb trouwens nog iets heel anders.’
‘Nee, dat nou maar niet,’ zei Petrus.
‘Wel ja, waarom niet?’ Hij was al op weg en kwam terug met een houtsculptuur, een fallus van ongeveer een meter hoog, die verbluffend knap gesneden was. ‘Moet je voelen hoe zacht dat is,’ zei hij, over de eikel strelend. Hij stak hem me toe.
‘Ik geloof je op je woord,’ antwoordde ik, zonder op de uitnodiging in te gaan.
‘Jij dan?’ vroeg Peer aan Nicolien.
‘Nee,’ zei ze. Ze lachte.
‘Zet hem nou maar weer weg. Nou is het wel genoeg geweest,’ vond Petrus.
‘Heb je altijd naakten geschilderd?’ vroeg ik toen Peer weer op zijn stoel zat.
‘Heel veel.’ Zijn gezicht was afwezig. ‘Ik denk dat dat een manier was om me te bewijzen.’ Hij keek me aan alsof hij me nu pas opmerkte. Zijn stem was toonloos. ‘Daarvoor ook wel dode insekten.’
‘Omdat je geobsedeerd was door de dood?’ Ik dacht aan Frans Veen, die ook dode insekten tekende.
‘Nee,’ hij lachte smakelijk, ‘omdat die niet wegvliegen. Ik fotografeer ook altijd dode dieren die langs de weg liggen.’
‘Denk je echt dat het daarom is?’ vroeg ik ongelovig.
‘Ja hoor.’ Hij keek naar Petrus. ‘Zullen we nou foto’s gaan kijken?’
‘Zou je ze niet eerst eens wat wijn inschenken? Je kunt je gasten toch niet de hele avond op een droogje laten zitten?’
Ze hadden een Marokkaanse wijn in een tweeliterfles. Terwijl Peer de glazen inschonk, antieke kristallen glazen, viel er een stilte, zo stil dat je het klokken van de wijn in de glazen hoorde. Ik keek naar de vogel op zijn stok bij het raam, dat zwart uitkeek op de nacht, en naar de glimplekken van het licht van de schemerlamp op de antieke meubelen. Naast de kast, achter Petrus, hing een schilderij, zo te zien een strandgezicht uit het eind van de negentiende of het begin van de twintigste eeuw, maar het was te donker om de voorstelling goed te kunnen zien. De kamer ademde een serene rust.
‘Je bent met pensioen, hè?’ zei ik tegen Petrus.
Hij knikte bijna onmerkbaar. ‘Ja, ik ben met pensioen.’
‘Kom je nog wel eens op je werk?’
Hij aarzelde. ‘Ja, maar ik verlang er niet naar terug.’
‘Je doet ook niets meer?’
Hij aarzelde opnieuw, maar langzamerhand begon ik te denken dat dat zijn gewone manier van praten was. ‘Nee.’ Hij dacht na. ‘Maar ik ga wel wat doen, want anders zou ik het niet uithouden.’
‘Wat bijvoorbeeld?’ Het interesseerde me, omdat ik zelf over niet al te lange tijd ook met pensioen zou gaan.
Hij schudde zijn hoofd. De vraag was te direct.
‘Piano spelen, tekenen, schilderen,’ probeerde ik.
‘Ik wil nog wat schrijven,’ zei hij binnensmonds.
Dat antwoord verraste me. ‘Een roman?’
‘Nee, filosofie natuurlijk,’ antwoordde hij kregelig.
‘Even klinken!’ waarschuwde Peer. Hij had de glazen voor ons neergezet, hief zijn glas en bracht het naar dat van Petrus, waarna over en weer alle glazen tegen elkaar getikt werden, een ritueel waaraan ik nog niet eerder had deelgenomen, maar waar Peer een kinderlijk plezier in scheen te hebben.
‘Waar heb jij gewoond voor je bij Petrus kwam?’ vroeg Nicolien.
‘Op een zolderkamertje in de Hazenstraat. Oei, als ik daar nog aan denk!’
‘Was dat niet leuk?’
‘Dat was helemaal niks! Er was niet eens een wc!’
‘Hoe deed je dat dan?’ vroeg ik.
‘Op een krant. En die gooide ik dan buiten weg. Ik durfde Petrus niet eens te ontvangen, zo niks was het.’
‘Maar ik ben toch gegaan,’ zei Petrus. ‘En ik heb er geen spijt van.’
‘Je vond het er zelfs gezellig,’ herinnerde Peer zich.
‘Overal waar jij bent, wordt het gezellig.’
‘Had je daar ook tl-buizen?’ vroeg ik kritisch.
‘Ja, maar dat is omdat je onder zo’n schemerlamp geen contrasten hebt.’
‘Ik denk dat dat aan Peers ogen ligt,’ zei Petrus. ‘Hij zou eigenlijk eens naar de oogarts moeten, maar dat wil hij niet.’
‘Ben je gek. Mijn ogen zijn best.’ Hij stond op. ‘Maar nou gaan we foto’s kijken!’
‘Fotografeer jij ook?’ vroeg ik aan Petrus.
Hij knikte. ‘Maar niet zo goed als Peer.’ Hij keek langs me.
‘Ik maak ze in zwart-wit en Petrus in kleur,’ zei Peer vanachter uit de kamer.
‘Ja, ik maak ze in kleur. Dat ligt me beter. En ik moet zeggen dat het resultaat meestal heel fraai is.’ Hij keek naar Peer. ‘Niet zo veel, Peertje.’
‘Waarom niet?’ Hij kwam met een geweldige stapel foto’s terug en legde ze voor ons op het tafeltje, waarna hij zijn stoel bijschoof.
‘Niet langer dan een uur dan.’
‘Als ze er genoeg van krijgen, dan zeggen ze het wel.’
‘Ja, dan zeggen we het wel,’ beloofde ik.
We begonnen met goede moed. Hij bleek een voorliefde te hebben voor tegenlicht, voor lelijke gebouwen en kapotte auto’s en voor hekken.
‘Alweer een hek,’ stelde ik vast.
Hij lachte. ‘En weet je wat dat betekent, volgens de psychiater dan?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Geen idee.’
‘Dat ik geblokkeerd ben.’
‘Alsjeblieft, zeg,’ zei Petrus.
‘Petrus heeft een hekel aan psychiaters,’ zei Peer geamuseerd met een knikje in diens richting.
‘Heb jij een hekel aan psychiaters?’ vroeg ik.
‘Zieleknijpers zijn het,’ zei Petrus driftig. ‘Ik wil niet dat daar in mijn huis over gepraat wordt.’
‘En ben je geblokkeerd?’ vroeg ik aan Peer, de opmerking van Petrus negerend.
‘Dat weet ik niet hoor. Het kan me ook niet meer zo veel schelen, geloof ik.’
‘Nou, nou is het wel genoeg!’ waarschuwde Petrus.
‘Laten we er maar over ophouden. Petrus heeft het liever niet,’ zei Peer tegen mij.
Inmiddels had ik hoofdpijn gekregen, van vermoeidheid en van de wijn. Om kwart voor twaalf stelde ik voor op te stappen, maar Nicolien wilde daar niet van horen, zodat het halfeen werd.
‘Nu bleef jij plakken,’ zei ik zodra we weer in ons huis waren, ‘en anders verwijt je mij dat.’
‘Dat is toch niet te vergelijken,’ zei ze verontwaardigd. ‘Jij blijft plakken als het klootzakken zijn. En ik blijf plakken als ik het echt leuk vind. Ik vind het aardige jongens.’
‘Maar ik had hoofdpijn. Het was een signaal.’
‘Dus het is mijn schuld dat je hoofdpijn hebt! Ik had niet op bezoek mogen gaan!’
‘Dat zeg ik niet.’
‘Maar het klinkt wel zo!’
Ze maakte zich steeds kwader en kroop ten slotte boos in bed.

[...]

© Copyright Erven J.J. Voskuil, Amsterdam

Uitgeverij Van Oorschot

MINDBOOKSATH : athenaeum