Leesfragment: De drinker

27 november 2015 , door Hans Fallada
| |

18 juni verschijnt De drinker (Der Trinker) van Hans Fallada in de Nederlandse vertaling van G. Grose Roolfs, volledig herzien door Anne Folkertsma. Wij publiceren vanavond hoofdstuk 3 voor.

De levensmiddelenhandelaar Erwin Sommer komt door een zakelijke tegen slag en drankgebruik in grote financiële problemen. Hij geeft zich over aan de alcohol en vervreemdt steeds meer van zijn vrouw Magda, voor wie hij zijn tegenspoed aanvankelijk verzwijgt.

Wanneer Sommer een groot bedrag van zijn bankrekening opneemt uit angst dat zijn echtgenote die zal blokkeren, pikt zijn tijdelijke kamerverhuurder Polakowski daar een flink deel van in. Over de rest ontfermt Elinor zich, het barmeisje met wie Sommer een band van liefde en begrip meende op te bouwen.

Bij een handgemeen met zijn echtgenote grijpt de beschonken Sommer haar bij de keel. Dit leidt tot een beschuldiging van poging tot doodslag, die tot zijn verbijstering door de politie serieus wordt genomen. Sommer komt in een nachtmerrie terecht. In plaats van de verwachte spoedige vrijlating uit de gevangenis wordt hij berecht, ontoerekeningsvatbaar verklaard en in een gesloten kliniek opgenomen. In nazi-Duitsland, leert hij, is een dergelijke maatregel zonder enig nader onderzoek mogelijk.

Het verhaal over de neergang van de drinker is tragisch en tegelijkertijd vervuld van goede moed en vast vertrouwen dat alles zich ten goede zal keren.

De drinker (1950) is Fallada’s laatste en meest persoonlijke boek. Net als Alleen in Berlijn verscheen het postuum en werd het een enorm succes. Met zijn verpletterende realisme, zijn grote inlevingsvermogen en zijn heldere blik in de afgronden van de psyche is De drinker de grote tegenhanger van Dostojevski’s De speler.

3

Pas toen onze ruzies begonnen merkte ik hoezeer Magda en ik van elkaar vervreemd waren in de jaren dat zij voor het huishouden zorgde en ik de zaak dreef. De eerste keren voelde ik nog iets van schaamte als we ons weer eens hadden laten gaan en als ik merkte dat ik Magda had gekwetst; toen ik zag dat ze zelfs met betraande ogen rondliep, vond ik dat even erg als zij, en beloofde ik mezelf beterschap. Maar een mens went aan alles en ik vrees zelfs dat hij er het snelst aan went in een toestand van vernedering te leven. Er kwam een dag dat ik mezelf geen beterschap beloofde toen ik zag dat Magda weer eens betraande ogen had, maar dat ik met een mengeling van verbaasde schrik en voldoening dacht: nu heb ik je toch eens goed op je plaats gezet! Jij met je rappe tong, je bent me toch niet altijd de baas! Ik vond het verschrikkelijk dat ik zo reageerde en tegelijk schonk deze gewaarwording me voldoening, hoe paradoxaal het ook klinkt. Vanaf hier was het nog maar één stap naar haar opzettelijk kwetsen.
Juist op dit voor onze verhouding uiterst kritieke moment werd de inschrijving geopend voor de levering van levensmiddelen aan de gevangenis; dat gebeurde om de drie jaar. In onze stad bevindt zich – niet direct tot vreugde van de bewoners – de centrale gevangenis van onze provincie, die constant ongeveer vijftienhonderd gevangenen binnen haar muren bergt. Wij verzorgden deze leveranties al negen jaar; Magda had destijds veel moeite gedaan het contract te krijgen. Bij de laatste twee inschrijvingen had een kort beleefdheidsbezoek bij de betreffende hoofdinspecteur van de gevangenis de leveranties voor ons gewaarborgd. Ik beschouwde deze leveranties als een zo vanzelfsprekend onderdeel van mijn bedrijf, dat ik me er ook dit keer niet erg druk over maakte; ik liet onze oude offerte, waarvan de prijzen negen jaar lang niet waren gewijzigd, kopiëren en diende hem in. Een ogenblik heb ik nog overwogen de hoofdinspecteur, die over deze zaak moest beslissen, een bezoek te brengen, maar alles nam immers zijn gewone loop; ik wilde niet opdringerig lijken, ik wist dat de man het erg druk had – kortom, ik had op z’n minst tien goede redenen om van dit bezoek af te zien.
Ik was dan ook als door de bliksem getroffen toen ik een briefje van het gevangenisbestuur ontving waarin mij met enkele droge woorden werd meegedeeld dat mijn offerte was afgewezen en dat de leverantie aan een andere firma was toegewezen. Mijn eerste gedachte was: als Magda het maar niet te weten komt! Toen pakte ik mijn hoed en ging onmiddellijk naar de hoofdinspecteur om het bezoek te brengen dat ik drie weken eerder had moeten afleggen. Ik werd vriendelijk maar koel ontvangen. De hoofdinspecteur betreurde het zeer dat de oude zakenrelatie verbroken was. Hij had echter niet anders kunnen handelen aangezien de door mij opgegeven prijzen ten dele allang achterhaald en inmiddels gestegen of gedaald waren. Het uiteindelijke resultaat kwam weliswaar ongeveer op hetzelfde neer, maar mijn offerte had op de betreffende heren – en ik moest hem zijn openhartigheid maar niet kwalijk nemen – een heel slechte indruk gemaakt: het leek alsof het mijn firma niet interesseerde of hij deze leverantie toegewezen kreeg. Verder kwam ik nog te weten dat een actieve jonge firma die me al een paar keer had dwarsgezeten, ook dit keer als overwinnaar uit het strijdperk was getreden. Ten slotte sprak de hoofdinspecteur in beleefde bewoordingen de hoop uit over drie jaar weer met mijn firma zaken te kunnen doen en kon ik gaan!
Ik wist dat ik op het kantoor van de gevangenis niets van mijn verslagenheid of beter gezegd wanhoop over dit fiasco had laten blijken. Ik had zelfs vriendelijk en wat nieuwsgierig geïnformeerd naar de naam van de gelukkige firma. Toen ik echter weer buiten stond, voor de zware ijzeren poort van de gevangenis, en de laatste grendel knarsend achter me was dichtgeschoven, keek ik in het heldere zonlicht van deze wondermooie lentedag als iemand die zojuist uit een nare droom is ontwaakt en nog niet weet of hij nu werkelijk wakker is of nog zucht onder de loodzware druk van zijn droom. Ik had het gevoel dat ik in een nachtmerrie leefde; tevergeefs had de ijzeren poort mij in vrijheid gesteld, ik bleef de gevangene van mijn zorgen en tegenspoed.
Ik was niet in staat nu naar de stad en naar kantoor te gaan. Voor ik Magda onder ogen kwam, moest ik eerst kalmeren – dus liep ik de stad uit, weg van de mensen, ik liep de akkers en weilanden in, steeds verder weg, alsof ik mezelf en mijn zorgen zou kunnen ontlopen. Maar ik heb die dag niets gezien van het smaragdgroen van de nieuwe aanplant die op het land stond, niets gehoord van het gemurmel van de snelle beken en van het staccato van de leeuweriken, hoog aan het blauw-gouden zwerk: ik voelde me geheel en al verlaten, alleen met mezelf en mijn tegenspoed. Mijn hart was hiervan zo overvol dat er niets anders meer bij kon. Ik besefte heel goed dat dit voor mijn firma geen klein verlies betekende waar ik met een schouderophalen aan voorbij kon gaan: de leverantie van levensmiddelen voor vijftienhonderd mensen vormde, zelfs bij een lage winstmarge, een zo wezenlijk bestanddeel van mijn omzet dat het verlies hiervan ingrijpende veranderingen in mijn bedrijf betekende. Aan vervanging van deze leverantie viel niet te denken, want onze kleine provinciestad bood verder geen soortgelijke mogelijkheden. Met een uiterste krachtsinspanning zou ik misschien het aantal kleinere transacties met enige tientallen kunnen opvoeren, maar afgezien van het feit dat dit nooit genoeg zou zijn om het geleden verlies goed te maken, voelde ik me op dat ogenblik ook helemaal niet in staat tot een dergelijke krachtsinspanning. Om de een of andere reden voelde ik me al bijna een jaar niet goed. Ik neigde er steeds meer toe de dingen maar op hun beloop te laten en me niet te druk te maken. Ik had behoefte aan rust – waarom weet ik niet. Misschien werd ik vroeg oud. Ik begreep dat ik op z’n minst twee personeelsleden zou moeten ontslaan, maar ook dat raakte me nauwelijks, hoewel ik wist hoe de mensen daarover zouden kletsen.
Mijn grootste zorg was op dat ogenblik niet de firma, maar Magda. Mijn enige gedachte en mijn enige zorg was: als Magda maar niets merkt! Ik wist wel dat ik op den duur het ontslag van twee personeelsleden en het verlies van de leveranties aan de gevangenis nooit voor haar verborgen zou kunnen houden. Maar ik maakte mezelf wijs dat het er alleen maar op aankwam dat ze er nu nog niet achter kwam en dat ik binnen een paar weken misschien toch nog een andere oplossing gevonden zou hebben. Toen kreeg ik weer een helder ogenblik. Ik bleef staan, schopte energiek tegen een steen op de stoffige weg en zei tegen mezelf: als Magda het toch te weten moet komen, is het beter dat ze het van mij hoort dan van iemand anders en dan is het ook beter dat ze het vandaag hoort dan morgen. Elke dag dat ik wacht maakt het moeilijker om het te vertellen. En ik heb tenslotte geen misdaad begaan, ik ben alleen maar wat laks geweest. Weer schopte ik met mijn voet tegen de steen: ik zal Magda gewoon vragen me weer in de zaak te komen helpen. Dat verzoent haar met mijn fiasco, en ik en de firma zijn er alleen maar bij gebaat. Ik voel me werkelijk niet goed en ik kan best wat hulp gebruiken...! Maar dit heldere ogenblik duurde niet lang. Ik had altijd veel waarde gehecht aan de waardering van anderen en vooral aan die van Magda. Ik had er steeds nauwlettend zorg voor gedragen dat ik als directeur gerespecteerd werd. En ik kon het nu, juist nu, niet over mijn hart verkrijgen ook maar iets aan waardigheid in te boeten en mezelf voor Magda te vernederen. Nee, ik was vastbesloten dit zaakje zelf op te knappen, wat er ook van zou komen. Ik wilde me ook niet laten helpen door een vrouw met wie ik bijna dagelijks ruzie had. Het was al bij voorbaat duidelijk dat we dan ook op kantoor ruzie zouden maken – ze zou op kantoor ook voet bij stuk houden, ik zou haar tegenspreken, dan zou ze mij mijn stommiteiten gaan verwijten – o nee, ik moest er niet aan denken!
Weer schopte ik met mijn voet, maar nu in het stof op de weg. Ik keek op. Ik had er geen idee van waar mijn voeten me gebracht hadden, zozeer was ik verdiept geweest in mijn zorgen. Ik was in een dorp niet ver van mijn geboortestad, een dorp dat vanwege een paar prachtige berkenbossen en een meer in het voorjaar bij mijn medeburgers een geliefd doel voor uitstapjes was. Maar op deze doordeweekse ochtend waren er geen dagjesmensen, daarvoor werken ze bij ons te hard. Ik stond net voor het dorpscafé en merkte dat ik dorst had. Ik stapte de grote, maar lage en donkere gelagkamer binnen. Tot nu toe had ik deze ruimte alleen vol bezoekers uit de stad gezien en door de fleurige voorjaarstoiletjes van de dames had het café toen lichter geleken en had het, ondanks de lage zoldering, iets vrolijks gehad. Want als het vol stadsmensen was, stonden de ramen open, lagen er bontgekleurde kleedjes op de tafeltjes en stonden er overal hoge vazen met lichte berkentakken. Nu was het er donker, op de tafeltjes lag bruinachtig zeildoek; het was er benauwd, want de ramen zaten potdicht. Achter de tapkast stond een jong meisje met slordig haar en een vuil schort voor druk te fluisteren met een jonge kerel, die er in zijn witte, met kalk besmeurde kleren uitzag als een metselaar. Mijn eerste impuls was rechtsomkeert te maken. Maar mijn dorst en meer nog het gevoel straks weer aan mijn zorgelijke gedachten ten prooi te vallen, dreven me naar de tapkast. ‘Geeft u me wat te drinken, iets wat de dorst lest,’ zei ik.
Zonder op te kijken liet het meisje bier in een glas lopen, ik keek toe hoe het schuim over de rand liep. Het meisje draaide de bierkraan dicht, wachtte een ogenblik tot het schuim wat gezakt was, en deed er toen nog een scheut bier bij. Daarna schoof ze me, weer zonder een woord te zeggen, het glas over het doffe zink van de toog toe en fluisterde weer verder met de metselaarsknecht; ze had me nog geen moment aangekeken.
Ik bracht het glas naar mijn mond en dronk het bedachtzaam, met grote slokken, achter elkaar leeg. Het smaakte fris, prikkelend en een beetje bitter en het leek in mijn mond iets lichts en vrolijks achter te laten wat er tevoren niet was geweest.
Geeft u mij er nog maar een, wilde ik zeggen, maar ik bedacht me. Voor de twee jonge mensen had ik een helder, laag, gedrongen glaasje zien staan, waar men gewoonlijk jenever in schenkt.
‘Geeft u mij er ook zo eentje,’ zei ik plotseling. Hoe ik – die nog nooit van mijn leven een borrel gedronken had en die alleen van de lucht al gruwt –, hoe ik hier opeens toe kwam weet ik niet. In die dagen veranderden al mijn levensgewoonten; ik was overgeleverd aan geheimzinnige invloeden en ik had de kracht niet ze te weerstaan.
Nu keek het meisje me voor de eerste keer aan. Langzaam sloeg ze haar ietwat korrelig-ontstoken oogleden op en ze nam me met haar lichte, begrijpende ogen op. ‘Met jenever?’ vroeg ze. ‘Met jenever,’ zei ik. Het meisje greep een fles en ik vroeg me af of een vrouwelijk wezen me ooit tevoren zo schaamteloos begrijpend had aangekeken. Deze blik scheen door te dringen tot in het diepst van mijn ziel, om te peilen wat ik als man waard was; ik onderging die blik als iets lichamelijks, als een zoet-schrijnende belediging, alsof ik voor haar ogen geheel werd uitgekleed.
Mijn glas was gevuld en werd me over de toog toegeschoven, het meisje had de ogen afgewend en draaide zich weer om naar de jongen. Mijn vonnis was geveld. Ik hief het glas op, aarzelde – en besloot toen plotseling de inhoud in mijn mond te gieten. Het brandde als vuur en benam me de adem; ik verslikte me, maar wist het vocht nog door mijn keel te krijgen. Brandend en bijtend voelde ik het naar binnen glijden – in mijn maag ontstond een plotselinge warmte, een weldadige, prettige warmte. Toen huiverde ik over mijn gehele lichaam. De metselaar zei op gedempte toon: ‘De kerels die zo huiveren zijn het ergst,’ en het meisje lachte zachtjes. Ik legde een mark op de toog en verliet het café zonder een woord te zeggen.
Buiten ontving de voorjaarsdag me met warme zonneschijn en een zijdezacht koesterend briesje; ik voelde me als herboren. Na de warmte in mijn maag was mijn hoofd licht en helder geworden, mijn hart klopte frank en vrij. Nu zag ik het smaragdgroen van de jonge gewassen, nu hoorde ik de leeuweriken in de blauwe lucht. Al mijn zorgen waren van me afgevallen. Het zal allemaal wel weer in orde komen, zei ik opgewekt bij mezelf en ik sloeg de weg naar huis in. Waarom zou ik me er het hoofd nu al over breken? Voor ik in de stad kwam liep ik nog twee cafés binnen en dronk in elk nog een borrel om de kortdurende uitwerking zo lang mogelijk vast te houden. Lichtelijk, maar niet onaangenaam beneveld kwam ik thuis, net op tijd voor het middageten.

© Aufbau Verlag GmbH & Co. KG, Berlijn 2011
Vertaling Gr. Grose Roolfs, volledig herzien door A. Folkertsma
© 2012 Uitgeverij Cossee, Amsterdam

Utgeverij Cossee

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum