Leesfragment: De gebroeders Sisters

27 november 2015 , door Patrick deWitt
| |

29 februari verschijnt Patrick deWitts roman De gebroeders Sisters, dat genomineerd was voor de Booker Prize, en vertaald is door Caroline Meijer en Saskia van der Lingen. Vanavond kunt u de eerste pagina's al bij ons lezen én uw exemplaar reserveren.

Het Wilde Westen, omstreeks 1850. Het zijn de dagen van de goudkoorts en Hermann Kermit Warm moet dood. Aldus is bevolen door de mysterieuze Commodore. Zijn twee handlangers, de beruchte huurmoordenaars Eli en Charlie Sisters, gaan op pad om hun prooi te zoeken en ervoor te zorgen dat de wil van de Commodore geschiedt. Kermit Warm laat zich echter moeilijk vangen en tijdens de lange tocht van Oregon City naar de rivier waar Warm goud aan het zoeken is, begint Eli zich af te vragen waar hij in hemelsnaam aan begonnen is. En voor wie.

De gebroeders Sisters is een gewelddadige, hilarische en zinderende odyssee van twee broers die zich gebonden weten door bloed, geweld en liefde.

Oregon City, 1851

Probleem met de paarden

Ik zat bij de riante woning van de Commodore te wachten tot mijn broer naar buiten kwam met nieuws over de klus. Het dreigde te gaan sneeuwen en ik had het koud, en omdat ik niks beters te doen had bekeek ik Charlies nieuwe paard, Nimble, eens goed. Mijn nieuwe paard heette Tub. Wij deden niet aan namen voor paarden, maar we hadden ze gekregen met die namen erbij, als gedeeltelijke betaling voor de vorige klus, dus vandaar. Onze naamloze vorige paarden waren geslachtofferd, dus het was niet dat we deze nieuwe niet nodig hadden, maar ik vond dat we beter geld hadden kunnen krijgen om paarden naar onze eigen zin te kopen, paarden zonder geschiedenis en gewoonten en namen waarmee ze verwachtten te worden aangesproken. Ik was erg op mijn vorige paard gesteld en werd sinds kort in mijn slaap bezocht door schrikbeelden van zijn dood, zijn trappende, brandende benen, zijn van de hitte knappende oogbollen. Snel als een windvlaag kon hij wel zestig mijl per dag afleggen en nooit had ik mijn hand naar hem opgeheven, behalve om hem te aaien of te rossenkammen. Ik probeerde er niet aan te denken hoe hij in die schuur in de vlammen was omgekomen, maar hoe kon ik me tegen dat beeld wapenen als het zich ongenood aandiende? Tub was heus een gezond dier maar hij zou geschikter zijn geweest voor een andere, minder ambitieuze eigenaar. Hij was nogal plomp en had een holle rug en meer dan vijftig mijl op een dag haalde hij niet. Vaak was ik gedwongen hem de zweep te geven, wat sommige mannen geen punt vinden en andere maar al te graag doen, maar waar ik niet van hou; en als ik het gedaan had vond hij, Tub, me wreed en dacht bij zichzelf: Wat een treurnis, het leven.
Ik voelde ogen in mijn rug prikken en wendde mijn blik van Nimble af. Charlie stond op de bovenverdieping door het raam naar beneden te turen en hield vijf vingers op. Ik reageerde niet en hij trok een gezicht om me aan het lachen te maken; toen ik niet lachte, verslapte zijn gelaatsuitdrukking weer en bewoog hij naar achteren, uit het zicht. Hij had me naar zijn paard zien kijken, wist ik. Die ochtend had ik voorgesteld om Tub te verkopen en ieder de helft van een nieuw paard te betalen en was hij het met me eens geweest dat dat eerlijk was, maar later, toen we aan ons middagmaal zaten, had hij gezegd dat we het beter konden uitstellen tot de nieuwe klus was afgerond, wat niet logisch was, want het probleem met Tub was dat hij juist een hinderpaal zou zijn bij de nieuwe klus, dus konden we hem toch beter van tevoren vervangen? Charlie had een veeg etensvet in zijn snor en hij zei: ‘Beter na afloop, Eli.’ Híj had niets te klagen over Nimble, die net zo goed of zelfs beter was dan zijn vorige, naamloze paard, maar hij had dan ook als eerste uit de twee paarden kunnen kiezen, terwijl ik in bed lag te herstellen van een beenwond die ik tijdens de klus had opgelopen. Ik was niet in mijn sas met Tub maar mijn broer was tevreden met Nimble. Dat was het probleem met de paarden.

Charlie besteeg Nimble en we reden weg, richting de Pig-King. We waren twee maanden daarvoor nog in Oregon City geweest, maar ik telde vijf nieuwe winkels in de hoofdstraat en stuk voor stuk leken ze goede zaken te doen. ‘Een vernuftig volkje,’ zei ik tegen Charlie, die geen antwoord gaf. We zaten aan een tafeltje achter in de King en kregen onze gebruikelijke fles en twee glazen voorgezet. Charlie schonk voor me in, terwijl we normaal gesproken ieder zelf inschenken, dus ik was voorbereid op slecht nieuws toen hij ermee voor de draad kwam: ‘Ik ben de hoofdman dit keer, Eli.’
‘Zegt wie?’
‘Zegt de Commodore.’
Ik sloeg mijn brandewijn achterover. ‘En dat houdt in?’
‘Dat houdt in dat ik de leiding heb.’
‘Wat houdt het in voor de poen?’
‘Meer voor mij.’
‘Voor mijn poen, bedoel ik. Zelfde als altijd?’
‘Voor jou minder.’
‘Ik zie er de logica niet van in.’
‘Die problemen met de laatste klus hadden zich niet voorgedaan als er een hoofdman was geweest, zegt de Commodore.’
‘Er zit geen logica in.’
‘Toch wel.’
Hij schonk me nog een glas in en ik sloeg de inhoud achterover. Ik zei, evengoed tegen mezelf als tegen Charlie: ‘Als hij wil betalen voor een hoofdman, mij best. Maar het deugt niet om de man eronder te korten. Ik heb een kogel uit mijn been moeten laten peuren en mijn paard is verbrand terwijl ik me voor hem uitsloofde.’
‘Mijn paard is ook verbrand. Hij heeft ons nieuwe paarden gegeven.’
‘Het deugt niet. En hou op me in te schenken, ik ben niet invalide.’‘Ik pakte de fles van hem af en vroeg naar de bijzonderheden van de klus. We moesten in Californie een goudzoeker opsporen en koud maken, ene Hermann Kermit Warm. Charlie haalde een brief uit zijn binnenzak. Het was een schrijven afkomstig van de verkenner van de Commodore, een fat luisterend naar de naam Henry Morris, die ons vaak vooruitging om inlichtingen in te winnen: eHeb Warm vele dagen geobserveerd en kan het volgende melden aangaande zijn gewoonten en karakter. Hij is van nature een eenzaat maar brengt vele uren in de saloons van San Francisco door, zich verpozend met het lezen van schei- en wiskundeboeken of het maken van tekeningetjes in de marge daarvan. Hij zeult die dikke boekwerken rond aan een boekenriem als was hij een schooljongen, iets waarom hij veelvuldig wordt bespot. Hij is klein van gestalte, wat het schouwspel nog komischer maakt, maar pas op, grappen over zijn lichaamslengte duldt hij niet. Ik heb hem meermalen in een gevecht verwikkeld gezien en hoewel hij meestal verliest, denk ik dat geen van zijn tegenstanders graag een tweede maal met hem op de vuist zou gaan. Bijten is hem namelijk niet te min. Hij is kaal, heeft een woeste rode baard, lange, slungelige armen en de uitpuilende buik van een zwangere vrouw. Hij wast zich zelden en slaapt waar hij kan - in schuren, in portieken, of zo nodig op straat. Spreekt men hem aan dan is zijn houding steeds bruusk en afwerend. Hij is gewapend met een Baby Dragoon, weggestopt in een sjerp rond zijn middel. Hij drinkt niet vaak, maar heft hij dan eindelijk de fles, dan heft hij die om stomdronken te worden. Hij betaalt voor zijn whiskey met ruw stofgoud dat hij bewaart in een leren buidel aan een lang touw, verborgen tussen de plooien van zijn vele lagen kleren. Sinds mijn komst heeft hij de stad niet een keer verlaten en ik weet niet of hij van plan is terug te keren naar zijn concessie, die zich ongeveer tien mijl ten oosten van Sacramento bevindt (zie bijgevoegde kaart). Gisteren vroeg hij me in een saloon beleefd om een vuurtje, waarbij hij me aansprak bij mijn naam. Ik heb geen idee hoe hij hiervan op de hoogte was, want hij scheen nooit te merken dat ik hem volgde. Toen ik hem vroeg hoe hij mijn identiteit had weten te achterhalen, werd hij grof in de mond en ben ik weggegaan. Ik heb geen hoge dunk van hem, al zijn er die beweren dat hij over buitengewone geestvermogens beschikt. Wel erken ik dat hij een bijzondere persoon is, maar verder in de richting van een compliment aan zijn adres wil ik niet gaan.’
Naast de kaart van Warms concessie had Morris een vlekkerig tekeningetje van de man gemaakt, maar hij had naast me kunnen staan zonder dat ik zou doorhebben dat hij het was, zo onbeholpen was de weergave. Toen ik dit tegen Charlie opmerkte, zei hij: ‘Morris wacht ons op in een hotel in San Francisco. Hij zal ons Warm aanwijzen en dan weten wij wat ons te doen staat. Het is een goeie plek om iemand uit de weg te ruimen, heb ik gehoord. Als ze niet bezig zijn de complete stad af te branden, worden ze wel afgeleid door die eeuwige wederopbouw.’
‘Waarom ruimt Morris hem niet uit de weg?’
‘Die vraag stel je altijd en mijn antwoord luidt altijd: Dat is niet zijn klus, maar de onze.’
‘Het is stompzinnig. De Commodore kort mijn loon maar betaalt die kneus een honorarium plus onkosten zodat Warm in de smiezen krijgt dat hij wordt geschaduwd.’
‘Je kunt Morris geen kneus noemen, broer. Dit is de eerste keer dat hij een steek laat vallen en hij geeft zijn misser ruiterlijk toe. Ik denk dat het meer over Warm zegt dan over Morris dat hij gesnapt is.’
‘Maar de man brengt de nacht door op straat! Wat weerhoudt Morris ervan hem simpelweg in zijn slaap dood te schieten?’
‘Misschien het feit dat Morris geen huurmoordenaar is?’
‘Waarom zou je hem dan nog sturen? Waarom heeft hij óns een maand geleden niet gestuurd?’
‘Een maand geleden hadden wij een andere klus. Je vergeet dat de Commodore veel belangen en zaken heeft en ze slechts één voor één kan afhandelen. Een gehaaste zaak is een slechte zaak, woorden uit zijn eigen mond. Je hoeft zijn successen maar in ogenschouw te nemen om in te zien hoe waar die woorden zijn.’
Het maakte me misselijk hem de Commodore zo vol bewondering te horen citeren. Ik zei: ‘Het gaat ons weken kosten om in Californië te komen. Waarom zouden we die tocht ondernemen als het niet nodig is?’
‘Maar de tocht is wél nodig. Dat is de klus.’
‘En wat als Warm er niet is?’
‘Hij zal er zijn.’
‘En zo niet?’
‘Godsamme, hij zal er zijn!’
Toen het tijd werd om af te rekenen wees ik naar Charlie. ‘De hoofdman betaalt.’ Normaal gesproken betalen we ieder de helft, dus hij vond het niet leuk. Mijn broer is altijd een vrek geweest, dat heeft hij van onze vader.
‘Voor deze keer dan,’ zei hij.
‘Hoofdman heeft een hoofdmansalaris.’
‘Jij hebt de Commodore nooit gemogen. En hij heeft jou nooit gemogen.’
‘Ik mag hem steeds minder,’ zei ik.
‘Het staat je vrij hem dat te vertellen, als het een ondraaglijke last voor je wordt.’
‘Je merkt het gauw genoeg, Charlie, als het een ondraaglijke last voor me wordt. Je merkt het gauw genoeg en hij ook.’
Dit gekibbel had nog even kunnen doorgaan, ware het niet dat ik mijn broer achterliet en me terugtrok in mijn kamer in het hotel tegenover de saloon. Ik hou niet van ruziën en al helemaal niet met Charlie, die ongemeen scherp uit de hoek kan komen. Later die nacht hoorde ik hem op straat woorden hebben met een groep mannen en luisterde ik even of hij geen gevaar liep, en dat liep hij niet – de mannen vroegen hem hoe hij heette en hij zei het ze en ze lieten hem met rust. Maar ik zou hem te hulp geschoten zijn, was in feite al bezig mijn laarzen aan te trekken toen het groepje zich verspreidde. Ik hoorde Charlie de trap op komen, sprong in bed en deed alsof ik diep in slaap was. Hij stak zijn hoofd om de deur en zei mijn naam maar ik gaf geen antwoord. Hij deed de deur dicht en ging naar zijn kamer en ik lag in het donker en dacht na over het probleem van familie, hoe krom en krankjorum de verhalen van een bloedlijn kunnen zijn.

Ik zat bij de riante woning van de Commodore te wachten tot mijn broer naar buiten kwam met nieuws over de klus. Het dreigde te gaan sneeuwen en ik had het koud, en omdat ik niks beters te doen had bekeek ik Charlies nieuwe paard, Nimble, eens goed. Mijn nieuwe paard heette Tub. Wij deden niet aan namen voor paarden, maar we hadden ze gekregen met die namen erbij, als gedeeltelijke betaling voor de vorige klus, dus vandaar. Onze naamloze vorige paarden waren geslachtofferd, dus het was niet dat we deze nieuwe niet nodig hadden, maar ik vond dat we beter geld hadden kunnen krijgen om paarden naar onze eigen zin te kopen, paarden zonder geschiedenis en gewoonten en namen waarmee ze verwachtten te worden aangesproken. Ik was erg op mijn vorige paard gesteld en werd sinds kort in mijn slaap bezocht door schrikbeelden van zijn dood, zijn trappende, brandende benen, zijn van de hitte knappende oogbollen. Snel als een windvlaag kon hij wel zestig mijl per dag afleggen en nooit had ik mijn hand naar hem opgeheven, behalve om hem te aaien of te rossenkammen. Ik probeerde er niet aan te denken hoe hij in die schuur in de vlammen was omgekomen, maar hoe kon ik me tegen dat beeld wapenen als het zich ongenood aandiende? Tub was heus een gezond dier maar hij zou geschikter zijn geweest voor een andere, minder ambitieuze eigenaar. Hij was nogal plomp en had een holle rug en meer dan vijftig mijl op een dag haalde hij niet. Vaak was ik gedwongen hem de zweep te geven, wat sommige mannen geen punt vinden en andere maar al te graag doen, maar waar ik niet van hou; en als ik het gedaan had vond hij, Tub, me wreed en dacht bij zichzelf: Wat een treurnis, het leven.
Ik voelde ogen in mijn rug prikken en wendde mijn blik van Nimble af. Charlie stond op de bovenverdieping door het raam naar beneden te turen en hield vijf vingers op. Ik reageerde niet en hij trok een gezicht om me aan het lachen te maken; toen ik niet lachte, verslapte zijn gelaatsuitdrukking weer en bewoog hij naar achteren, uit het zicht. Hij had me naar zijn paard zien kijken, wist ik. Die ochtend had ik voorgesteld om Tub te verkopen en ieder de helft van een nieuw paard te betalen en was hij het met me eens geweest dat dat eerlijk was, maar later, toen we aan ons middagmaal zaten, had hij gezegd dat we het beter konden uitstellen tot de nieuwe klus was afgerond, wat niet logisch was, want het probleem met Tub was dat hij juist een hinderpaal zou zijn bij de nieuwe klus, dus konden we hem toch beter van tevoren vervangen? Charlie had een veeg etensvet in zijn snor en hij zei: ‘Beter na afloop, Eli.’ Híj had niets te klagen over Nimble, die net zo goed of zelfs beter was dan zijn vorige, naamloze paard, maar hij had dan ook als eerste uit de twee paarden kunnen kiezen, terwijl ik in bed lag te herstellen van een beenwond die ik tijdens de klus had opgelopen. Ik was niet in mijn sas met Tub maar mijn broer was tevreden met Nimble. Dat was het probleem met de paarden.

Copyright © 2011 Patrick deWitt
Copyright Nederlandse vertaling © 2012 Caroline Meijer en Saskia van der Lingen / bv Uitgeverij de Arbeiderspers, Utrecht
Copyright auteursportret © Palmer Lee

Uitgeverij De Arbeiderspers

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum