Leesfragment: De Gouden Eeuw

27 november 2015 , door Hans Goedkoop & Kees Zandvliet
| | |

Op 1 december verschijnt De Gouden Eeuw van Hans Goedkoop en Kees Zandvliet, op Athenaeum.nl kunt u vandaag het hoofdstuk 'Het maakbare land' al lezen en bekijken.

Nederland is in de Gouden Eeuw onherkenbaar anders dan nu - en toch ook niet. Vluchtelingen zoeken er een veilig thuis. Migranten doen het zware werk. Jongeren scheppen een jeugdcultuur. Consumenten willen met de mode mee. Spaarders kopen aandelen en grote aandeelhouders gaan gevaarlijk speculeren.

Het verhaal van het zeventiende-eeuwse Nederland blijft een mirakel. Een ratjetoe aan gewesten komt in opstand tegen de Spaanse koning, bouwt met vallen en opstaan aan een nieuwe staat en groeit uit tot een experiment zoals de wereld nooit heeft gezien. Een samenleving die geleid wordt door de burger zelf. Met ongekende vrijheden en allerlei geloven door elkaar. Met schepen die de wereld overgaan en handelsposten van Indonesië tot Brazilië. Met wetenschappers die de wonderen van de natuur ontraadselen en schilders die de werkelijkheid als nieuw laten zien.
Hoe kijk je naar zo'n mirakel?

Dit boek beziet de Gouden Eeuw als proeftuin voor onze eigen tijd. Een periode waarin Nederland, en dan vooral Holland en Amsterdam, het laboratorium wordt waar de wereld proefondervindelijk onderzoek doet naar globalisering, migratie, tolerantie, consumentisme, beurs- en mediahypes en nog veel meer moderns.

Het maakbare land

Hoe stad en land op de schop gingen en een schoonheid kregen die sindsdien typisch Nederlands heet.

Vraag tien vreemdelingen in Los Angeles het centrum of de grens van de stad te bepalen. Een goede kans dat daar tien uiteenlopende antwoorden op komen. De moderne stad is nauwelijks begrensd. Centrum, buitenwijken, industriegebieden, dorpen en steden in de omgeving gaan voor het oog vaak ongemerkt in elkaar over.
Steden van voor 1850 wijken fundamenteel af van de moderne stad. In de zeventiende en achttiende eeuw worden ze in Nederland omgeven door aarden wallen en door water. Elke avond gaan de poorten op slot en worden de sleutels voor de nacht ingeleverd bij de dienstdoende burgemeester. Wie te laat aan de poort komt, zal tot de volgende ochtend moeten wachten – de stadsgrens is letterlijk gesloten.
Eenmaal binnen in zo’n stad ziet een vreemdeling vanaf de wallen twee contrasterende beelden. Aan de stadskant dichte bebouwing van lage huizen en hoge kerktorens, afgewisseld met wat pleinen en tuinen, soms ook kleine akkers. Op de wallen her en der molens op de bolwerken, daar vangen ze de meeste wind. Als hij de andere kant opkijkt ziet hij, vooral in de kustprovincies, weilanden. Koeien en ossen kunnen van daaruit naar het centrum van de stad kuieren om verhandeld en geslacht te worden. Met als erfenis dat de Kalverstraat in Monopoly nog steeds de duurste straat is en dat een broodje ossenworst nog steeds als typisch Amsterdams geldt. De trekschuit meert aan bij de stadspoort. Vandaar gaat het te voet, op een kar of een slede de stad in. Die stadsgrens is ook essentieel in de oorlog met de Spaanse landsheer, want de strijd te land draait om het belegeren van steden. Wie een stad verovert, eigent zich meteen het omringende platteland toe. Wie Breda verovert, bezit de Baronie van Breda; wie Den Bosch verovert, claimt de Meierij van Den Bosch. Veel komt dus aan op de verdedigingswerken van de steden, en de Nederlandse vestingbouwers, onder aanvoering van Maurits en zijn medewerker Simon Stevin, behoren tot de beste van de wereld. Hun soldaten trainen niet alleen met het geweer, maar ook met de schop. Zij zijn in staat binnen enkele uren een verdedigbaar legerkamp in te richten, met een aarden wal die voor bescherming zorgt en een tentenkamp dat volgens vaste regels wordt opgezet. Zelfs bij een aanval in het donker moeten de soldaten, de commandanten en de legeraanvoerder elkaar kunnen vinden, hun wapens en hun posten op de wal.
De Nederlandse stedenbouw volgt stipt de regels van de vestingbouwers: de verdediging van de stad staat te allen tijde centraal. Tussen het hart van de stad en de wallen dienen de verbindingen optimaal te zijn. De stad is een militair centrum waar geweren en kogels liggen opgeslagen, kanonnen worden gegoten en buskruit wordt vervaardigd. Dat is domweg noodzaak, al kent iedereen de risico’s. In Delft explodeert in 1654 het kruitmagazijn. Er vallen 100 doden en 500 huizen zijn onherstelbaar beschadigd.
De bevolkingsexplosie van de zeventiende eeuw door welvaart en immigratie vraagt om uitbreiding van de steden en dus om nieuwe, grotere verdedigingswerken. Grachten graven, paden bestraten, moerassige grond verhogen, aarden wallen opwerpen en stadspoorten bouwen: het vereist een kolossale investering van mankracht en kapitaal. Vooral in de steden die het snelst groeien, zoals Leiden, Haarlem en Amsterdam.
Die laatste stad telt aan het einde van de zestiende eeuw 50.000 inwoners; omstreeks 1675 zijn het er 220.000 geworden. Die moeten niet alleen gehuisvest worden. Er moet plaats worden gemaakt voor de markten waar ze inkopen doen, de kroegen waar ze hun vertier zoeken en de werkplaatsen waar ze hun geld verdienen. Bovenal moet er ruimte worden gevonden voor de kolossale groei van de handel over water. Schepen willen laden en lossen. Beschadigde schepen zoeken een dok.
Die eisen leiden tot een ambitieus plan dat vanaf 1613 in fasen wordt uitgevoerd. Voor de handel over water worden de havens aan het IJ vergroot, onder andere door bij de westelijke en oostelijke oevers extra eilanden aan te plempen. Alsof de stad twee armen uitstrekt naar het water – zo ontstaat er extra ruimte voor werven en magazijnen. Voor de inwoners wordt de stad intussen aan de landzijde op de schop genomen. De stadsingenieur plaatst een punt van zijn passer ongeveer op de plek waar de Amstel uitmondt in het IJ. Vandaar trekt hij een halve cirkel op ruime afstand van de bestaande wallen en de middeleeuwse muren, van het westen via het zuiden naar het oosten. Langs die halve cirkel zullen de nieuwe vestingwerken worden gebouwd, voorzien van bolwerken en poorten.
Binnen die cirkel volgt een ingenieuze verdeling van de ruimte. Onder de poorten door komen uitvalswegen te lopen, zoals de Leidsestraat, die via de Leidsepoort rechtstreeks naar Leiden voert. Zo’n weg dient zo breed te worden dat twee karren elkaar kunnen passeren, maar veel breder hoeft niet, dat gaat ten koste van dure bouwgrond. De burgemeesters zien er op toe dat het nieuwe gebied zo veel mogelijk kavels oplevert voor de bouw van huizen. Daarnaast komen er openbare ruimten voor de bouw van kerken en het houden van markten.
Woongebied en vuile of gevaarlijke ambachten worden uit elkaar gehouden – althans waar het de welgestelden betreft. Het vrachtvervoer te water mag niet door de luxe Herengracht, maar dient te gaan via de Prinsengracht. Venters en karren kunnen, uit het zicht, de straten nemen die achter de grote grachtenhuizen langs lopen. Daar staan ook de koetsen en de paarden gestald. Zo tekent zich een wijk af waar uitsluitend wordt gewoond, een zeventiende-eeuwse versie van een villawijk, op loopafstand van het oude centrum. Van de Gouden Bocht in de Herengracht, waar al snel de rijkste en machtigste kooplieden huizen, is het een kwartiertje wandelen naar de Beurs van Hendrick de Keyser, het stadhuis met de Wisselbank van Jacob van Campen, of de luxe winkels van de Warmoesstraat.
De minder welgestelden moeten het met mindere voorzieningen doen. In de Jordaan staan de huizen keurig langs de door de burgemeesters aangegeven rooilijn, maar wonen en werken zijn er niet gescheiden. In andere delen van de stad wonen armere stedelingen bij de stadswal. Wie ook dat niet kan betalen, vestigt zich buiten de wallen in primitieve bouwsels en voorziet vaak in zijn inkomsten met het meest vervuilende en gevaarlijke werk.
De uitleg is een miljoenenproject en gaat gepaard met ernstige corruptie. Bestuurders die goed op de hoogte zijn van de plannen kopen tijdig land buiten de oude wallen van de stad, om het met woekerwinsten door te verkopen als de stad het opkoopt voor de uitbreiding. De machtige familie Cromhout gaat daarin het verst en wordt uiteindelijk zelfs verstoten uit de vroedschap als ze ook nog weigert een verplichte belasting te betalen over grond die binnen de stad getrokken wordt. Een klein beetje corrupt zijn wordt geaccepteerd, dat is een zaak van welbegrepen familiebelang waar bijna alle bestuurders aan meedoen, maar er zijn wel grenzen aan het fatsoen.
De stadsuitleg wordt al met al een grandioos succes. Amsterdam verandert in een grote Europese stad, waar welgestelden niet meer huizen in een nauwe middeleeuwse steeg als de Warmoesstraat, maar kunnen wonen in de weelde die hen past. En en passant hun gasten uit het buitenland kunnen verbluffen, want die blijken zich de ogen uit te kijken. Wat een schoonheid! Wat een wonder! ‘Deze drie grachten beschouwen wij met verbijstering,’ schrijft de Duitse stadsbeschrijver Philipp von Zesen in 1664. ‘Het lijkt wel of we in een aards paradijs vertoeven, een uitgestrekte lustwarande, met lange waterstromen dooraderd en met lange rijen brandschone en heerlijk gedecoreerde huizen versierd, die er soms als feestpaleisjes bijliggen.’ Von Zesen had waarschijnlijk niet zo’n goed ontwikkelde neus. De stank van de grachten is hem blijkbaar ontgaan. Een andere buitenlandse bezoeker noteerde dat de stad een schone maagd was maar met een stinkende adem.
Met het succes van de stedenbouw is de infrastructurele ijver van de Republiek nog niet ten einde. Het is er in zekere zin nog maar de helft van. Terwijl de wereld van de stad 75 jaar lang op de schop gaat, maakt ook een groot deel van het platteland een transformatie door. Hoe hard de scheiding tussen die twee werelden fysiek ook lijken mag, ze hebben alles met elkaar te maken en staan dagelijks in open contact. Met dank vooral aan het water, dat hen verbindt.
Zo komen elke dag boerinnen in hun roeibootjes naar de stad om eieren en groenten te verkopen. In de slappe maanden van de landbouw komen landarbeiders om te kijken of zij kunnen aanmonsteren op een schip. Het platteland maakt deel uit van het stedelijke netwerk; voor de stedeling is het een achtertuin in het groot. Het levert slacht- en melkvee en maakt via sloten en vaarten de hogere gronden bereikbaar van het Gooi en de duinen, die de grond leveren waarmee een drassige stad als Amsterdam tijdens de stadsuitleg wordt opgehoogd. Op de afgegraven grond stort men daarna weer stadsvuil dat de vruchtbaarheid verhoogt. Ook zijn de zandgronden ideaal voor de aanleg van buitenplaatsen, die de welgestelde stedeling ’s zomers de kans bieden om stank en ziekten van de stad te ontvluchten, op jacht te gaan, een eigen groentetuin te onderhouden, theevisites af te leggen bij de buren en te overleggen of hun dochter niet een goede huwelijkskandidaat zou kunnen zijn voor de eigen zoon.
Belangrijk aan het platteland zijn ook brandstof en schoon water. In de veengebieden worden grote stukken uitgebaggerd. Het natte veen wordt gedroogd, in stukken gesneden en verder gedroogd. De turfblokken gaan per schuit naar de stad om in de open haarden opgestookt te worden. Het water uit de duinen is veel schoner dan het water in de sloten. Ook de zeventiende-eeuwer weet dat. Voor het brouwen van bier varen speciale waterschepen heen en weer om schoon water aan te voeren.
In die dynamiek ontstaan er nieuwe plannen voor de kustgebieden van het land, die drassig zijn maar vaak ook vruchtbaar. Al vanaf de late middeleeuwen zijn daar dijken opgeworpen die het Het land tegen het buitenwater beschermen. Aanwassend land buiten de dijken is binnengedijkt en de bebouwbare oppervlakte is daarmee gegroeid. Tegelijkertijd daalt de bodem, woeden er vernietigende stormvloeden, vreten meren steeds meer land weg – de beruchte ‘waterwolven’ – en verliest men door het uitbaggeren voor de turfwinning ook nog land. Intussen vraagt de groei van steden als Amsterdam juist om een dramatische aanwas van landbouwgrond. Dus wat te doen?
Gelukkig toeval is dat met die stedelijke groei ook het beschikbaar kapitaal in hoog tempo groeit. Zelfs bij een kostbaar project als de stadsuitleg hebben de Amsterdamse kooplieden nog geld vrij dat naar een interessante investering zoekt. Niets ligt meer voor de hand dan nieuwe bedijkingen en droogmakerijen, liefst een slag groter dan voorheen, en daar bestaan ook technische mogelijkheden voor. Tot dan toe slagen molens er niet in om water meer dan anderhalve meter op te pompen. Met de uitvinding van de molengang, een rij van drie of soms wel vier molens die het water aan elkaar doorgeven, is een hoogteverschil van vijf meter te overbruggen.
Zo begint rond 1610, bijna tegelijk met de grote uitleg van Amsterdam, het droogmalen van het Beemstermeer, een kleine twintig kilometer boven Amsterdam. Molenbouwers, landmeters, dijkenbouwers, kapitaalkrachtige kooplieden en overheden werken er samen om het meer om te toveren tot vruchtbaar wei- en akkerland. De eerste keer loopt de polder toch weer onder. De tweede keer lukt het alsnog. Dezelfde mannen die in de stad zorgen voor het nieuwe landschap herhalen dat in de polder. Hendrick de Keyser, de man van de Beurs en nieuwgebouwde protestantse kerken in Amsterdam, bouwt de kerk in het midden van de polder. De landmeter Jan Pieterszoon Dou is zowel betrokken bij de stadsuitleg van Leiden als de verkaveling van de Beemster. Amsterdamse kooplieden die investeren in de VOC en wonen aan de Amsterdamse grachten, steken niet alleen hun geld in de drooglegging: sommigen gaan er ook wonen op een buitenplaats.
Na de Beemster worden ook de Purmer, Schermer en Wormer drooggemalen, alles in niet meer dan vijfentwintig jaar, en daarmee neemt het grondgebied van het gewest Holland met meer dan een derde toe. Naast de wereld van de stad heeft ook die van het platteland een transformatie doorgemaakt – en met een vergelijkbaar resultaat. Ook hier kijken vooral de buitenlanders zich de ogen uit. Als de Florentijn Cosimo de Medici in 1667 op bezoek komt bij raadpensionaris Johan de Witt maakt hij op diens advies een ritje door de Beemster en geniet met volle teugen van het landschap. Die geometrie! Dat lijnenspel!
De Beemster is inmiddels Werelderfgoed. Net als de Amsterdamse grachtengordel. Beide vertegenwoordigen, zowel voor buitenlanders als voor de bewoners zelf, een landschap dat je typisch Nederlands zou kunnen noemen. Het is land waarin het water wordt beheerst. Strak ingericht, in geometrische patronen, van begin tot eind door mensenhand ontworpen, volgens het gezegde dat de wereld is geschapen door de Here God, maar Nederland door de Nederlanders. Het is een toonbeeld van maakbaarheid – nieuw land, geschapen door het nieuwe land dat de Republiek van die dagen was.
En dat verklaart misschien ook iets van de schoonheid die het heeft, zelfs eeuwen later nog. Het is een landschap waarin de natuur naar de menselijke hand wordt gezet. In de Beemster door de strakke rechthoeken in gulden snede, met bomen langs de sloten. In de grachtengordel door de ritmische knikken in het stratenplan, met bomen langs de grachten. Bomen die zorgen voor beschutting en schonere lucht, en ook nog te gebruiken zijn als brandstof, of in de bouw. Esthetisch genoegen, verenigd met medisch belang en economisch nut.
Zowel de grachtengordel als de Beemster zijn in wezen tuinen. Ze ontlenen allebei elementen aan de Italiaanse renaissancetuinen zoals die vroeg in de zeventiende eeuw ook in ons land in zwang komen. Daaraan danken ze hun strenge lijn. Maar ze zijn aangepast aan het lokale landschap en de lokale burgercultuur, om uit te monden in een onmiskenbaar eigen vorm. Al sinds het begin van de Opstand leeft in het land het beeld van de Tuin van Holland waar de Spanjaard uit verjaagd moet worden. Met de grachtengordel en de Beemster, voltooid in een tijd waarin die droom werkelijkheid begint te worden, komt die tuin tot bloei.

Zie je later op de Dam

Precies in het midden van het Gezicht op de Dam, geschilderd door Johannes Lingelbach, loopt een man in een rode cape naar je toe. Het lijkt wel een toerist. Hij wordt gevolgd door een kruier die op een houten kar de bagage van de man voortduwt.
Ga je van hem naar de schepen rechts van de Waag, dan kom je twee mensen tegen die een kist sjouwen. Op de kist staan de initialen van de eigenaar: JC. Laten we hem Jan Corneliszoon noemen. Jan loopt links en zijn moeder rechts. Jan is op weg naar zijn schip in het Damrak of in het IJ en gaat vast een onzekere reis tegemoet – wat hij bezit, draagt hij mee in die kist. Misschien heeft zijn moeder van de reder een voorschot gekregen op zijn gage.
Het schilderij verbeeldt het hart van Amsterdam: centrum van de stad, centrum van Holland en centrum van de wereld. Misschien heeft Lingelbach of zijn opdrachtgever wel het Forum Romanum in het achterhoofd gehad, het eerbiedwaardig centrum van een wereldrijk, met daarin mensen uit de buurt zowel als uit de wijde wereld.
Verder dan Europa en het Midden-Oosten gaat de blik van Lingelbach overigens niet. Rechts staat een exotisch gekleed groepje: joodse of Armeense kooplieden uit het Ottomaanse Rijk. Iets links van hen een man met een zwarte, breedgerande hoed en een opgekrulde snor. Dat is vast een Spanjaard. Het gezin in de voorgrond, waarvan de vrouw gesluierd is, oogt in moderne ogen uitheems, maar is waarschijnlijk gewoon Hollands en welgesteld. De vrouw draagt een sluier om haar blanke teint te bewaren.
Het platteland en de vissersdorpen langs de kusten van de Noordzee en de Zuiderzee zijn vertegenwoordigd door echtparen in de klederdracht van hun dorp. Er tussendoor lopen Amsterdammers, van sjouwers en venters tot kooplieden. Zij komen wellicht net van de Beurs van Hendrick de Keyser, buiten beeld rechts, want die is elke dag maar één uur open, waarna de handel doorgaat op de Dam en in de cafés van de Kalverstraat.
In alle drukte zou je de omgeving haast vergeten. Links staat het nieuwe stadhuis in de steigers, het huidige paleis op de Dam, met daar tegenaan een keet. Daar kunnen kooplieden een transactie met de Wisselbank afwikkelen – ondanks de nieuwbouw gaan de zaken door. Rechts ligt het Damrak, in open verbinding met het IJ. Schepen mogen hier kort aan de kade liggen om te laden en te lossen. Het plein als geheel oogt groot dankzij de ‘groothoek’ van de schilder. In werkelijkheid was de Dam van toen een flinke slag kleiner dan de huidige.
Een paar jaar na dit brede tableau van Lingelbach schilderde Andries Beeckman een Gezicht op Batavia dat wel een pendant lijkt: het centrum van ‘Amsterdam overzee’, bevolkt door Hollanders, Chinezen, Molukkers en Javanen.

1. Jacob van Campens ontwerpmaquette van het stadhuis op de Dam.

2. Andries Beeckman, Gezicht op de markt van Batavia, omstreeks 1663. In de voorgrond, iets links van het midden, een Hollandse koopman met zijn Aziatische partner. In de achtergrond het Kasteel, het bestuurscentrum van de VOC in Azië. De schilderijen van Lingelbach en Beeckman zijn in zekere zin pendanten: beide tonen een belangrijk Nederlands machtscentrum, waarbij de afgebeelde mensen een beeld oproepen van internationale ontmoeting: respectievelijk in Europees Amsterdam, met een toefje Nabije Oosten, en Aziatisch Batavia.

[...]

Walburg Pers Uitgeversmaatschappij

MINDBOOKSATH : athenaeum