Leesfragment: De lichte dagen

27 november 2015 , door Zsuzsa Bánk
| |

28 juni verschijnt Zsuzsa Bánks derde boek en tweede roman De lichte dagen (Die hellen Tage, vertaald door Nelleke van Maaren). Wij publiceren de eerste pagina's voor.

N.B. Op dinsdag 11 september 2012, 20.00 uur, vindt er een lezing uit De lichte dagen en een gesprek tussen Zsuzsa Bánk en literair journaliste Maria Vlaar in het Goethe-Institut Amsterdam (Herengracht 470) plaats.

In de jaren zestig sluiten de twee meisjes Seri en Aja en de jongen Karl in een Zuid-Duits provinciestadje een vriendschap voor het leven. Ze brengen hun kinderjaren door in de tuin van Aja, die alleen met haar moeder in eenbarak woont.

Hun ogenschijnlijk onbedorven kinderwereld vertoont al snel de eerste barsten. Seri's vader is vlak na haar geboorte overleden en Aja's Hongaarse vader komst slechts een keer per jaar op bezoek. Karl verloor zijn jongere broertje, die op een dag bij een vreemde in de auto is gestapt en nooit meer is teruggekomen. Het zijn de moeders die de meisjes en Karl door hun kindertijd loodsen en hun leren geen angst te hebben voor het leven, maar er juist midden in te gaan staan. Wanneer Seri, Aja en Karl naar Rome vertrekken om te studeren, wordt de Eeuwige Stad een keerpunt in hun levensgeschiedenis, en hun verblijf daar een vuurproef voor hun vriendschap. De  lichte dagen is een grandioze roman over verbondenheid en verraad, liefde en leugens, schuld en vergiffenis.

Circusmeisje

Ik ken Aja zolang ik denken kan. Ik kan me eigenlijk niet herinneren dat er een tijd vóór haar is geweest, een leven waarin zij niet bestond, geen idee hoe die eruitgezien kunnen hebben, die dagen zonder Aja. Ik vond Aja direct aardig. Ze praatte luid en duidelijk en kende woorden als ‘rondreizend circus’ en ‘schellenboom’. Tussen andere kinderen leek ze heel klein, met haar minuscule handjes en voetjes, en alsof ze daar iets tegenover wilde stellen, praatte ze in lange zinnen die nauwelijks iemand kon volgen, als wilde ze bewijzen dat ze luid kon praten, zonder pauzes en zonder fouten. Ze kwam bij ons in het jaar dat wij kinderen niets grappiger vonden dan onze namen achterstevoren op te zeggen en elkaar luidkeels Retep of Ytteb te noemen. Aja heette altijd alleen maar Aja.

We vonden elkaar zoals kinderen elkaar vinden, zonder aarzelen of formaliteiten, en zodra we ons eerste spelletje waren begonnen, onze eerste vragen hadden gesteld, brachten we de dagen met elkaar door, regen ze aaneen tot een eindeloze ketting, en beschouwden elke onderbreking waardoor anderen ons scheidden als een inbreuk. Wanneer Aja bij mij kwam, opende ze geluidloos de tuinpoort. Niemand kon onze poort geluidloos openen en sluiten, omdat het een grote poort op rollers was die elk bezoek al voor de laatste meters naar de voordeur aankondigde en we het geluid ervan tot op zolder en achter in de tuin konden horen. Alleen Aja opende onze poort zo onhoorbaar dat het niemand opviel, ook niet dat ze door de tuin liep, en ik vroeg me verbaasd af hoe ze zo stil kon zijn, zo ongemerkt kon komen en gaan.

We moeten elkaar in de zomer hebben ontmoet, de zomer die Aja omhulde alsof hij van haar was, alsof zijn licht, zijn stof, zijn lange, lichte avonden van haar waren. Zonder jasje en schoenen en met een gele hoed op haar hoofd die ze in de kast van haar moeder had gevonden, liep ze door de zomer als door een groot, licht huis waar de kamers zonder deuren in elkaar overliepen. Algauw kusten en omhelsden we elkaar, zoals meisjes vaak doen, ook al deed Aja dat verder met niemand, ook later niet, en we lieten elkaar niet meer los, al weet ik niet waarom Aja uitgerekend mij uitzocht, mij in haar leven nodigde, een leven dat anders was dan alles wat me tot dan toe was overkomen, anders dan alles wat ik kende, een leven dat me ver verwijderd leek, groter en ruimer dan het mijne, en dat zich afspeelde op een plek zonder tijd of grenzen. Ik weet niet precies wat haar naar mij dreef, langs anderen heen naar mij toe duwde en aan mij bond, wat het eigenlijk is dat ons ertoe kan bewegen voor elkaar te kiezen. Was het mijn manier om door weilanden te rennen, een steen over het water te keilen, een lied te zingen, of was het alleen omdat er verder niemand was die de plaats naast Aja in die tijd, op die plek, had kunnen innemen? Zijn we alleen bij elkaar gebleven omdat er ook later niemand verscheen die mij had kunnen aflossen? Ik heb dat Aja nooit gevraagd, en nu speelt het geen rol meer. Nu zijn we wie we zijn en vragen we niet meer, we zoeken niet naar redenen.

Maar het merkwaardigste aan Aja was haar moeder. Ze was niet als de moeders die ik kende, de moeders die in ons stadje in de smalle straten rond het grote plein, in de lange, spitse schaduw van de kerktoren woonden, de moeders met de kleurige auto’s en kleurige boodschappentassen, de moeders die elke ochtend bij het hek hun brievenbus leegden, terwijl Aja’s moeder de post bij de deur aanpakte. Het eerste wat me aan haar opviel waren haar gelakte teennagels, omdat ze ook haar huid had beschilderd, alsof ze niet op lak wilde besparen en een paarse streep over haar tenen had gezet. Ze was langer dan andere vrouwen, zelfs langer dan de meeste mannen, en Aja leek naast haar in het niet te vallen. Ze had lange, smalle benen, waarvan ze zelf zei dat ze eruitzagen als houten stelten, en dat klopte, ze zagen er een beetje uit als de poten van de keukentafel die ze ’s zomers in de tuin zette, onder de takken van de perenbomen, die hun warrige schaduw op het vuile tafelblad wierpen. Achter gaas hield ze kippen die iemand haar had gegeven, en Aja en ik mochten elke keer een handjevol maïs in het gras strooien en het smalle deurtje openen voordat Aja’s moeder zich op haar platte schoenen bij ons voegde, een kip oppakte, die de nek omdraaide en later, als ze hem langzaam plukte, witte en bruine veren in het kniehoge gras liet dwarrelen.

Aja woonde met haar moeder in een huis dat geen huis was, maar een huisje dat bijeengehouden werd door planken en ijzerdraad, een hut waar nieuwe stukken werden aangeschroefd als er niet meer voldoende plaats was, als het zelfs te klein werd voor de paar meubels die Aja’s moeder bezat, voor de dozen en kisten die ze opstapelde, voor de schoenendozen die ze verzamelde, voor de vele brieven die ze daarin bewaarde. Als spinnenwebben hingen snoeren en plakband door de twee kamertjes, het kleine keukentje en het smalle gangetje, voor de lampen die ook overdag brandden, zelfs als de zon scheen en het licht tot in alle hoeken van het huis doordrong. In die tijd wist ik niets van huizen, niets van hoe ze behoren te zijn, eruit behoren te zien en waar ze behoren te staan, dat ze een straat en een huisnummer nodig hebben en het niet voldoende is te zeggen: het staat voorbij Kirchblüt, waar de akkers beginnen en de grindwegen elkaar kruisen, niet ver van het baanwachtershuisje, en het ziet eruit alsof het zweeft. Ik wist niet dat iemand toestemming moest geven om te mogen timmeren en kippen te houden, dat een onbekende beschikte en besliste over wat Aja’s thuis was, en ik had geen vermoeden van de ochtenden die Aja’s moeder in de gangen van overheidsgebouwen doorbracht. Voor mij was Aja’s huis een huis met alles wat daarvoor nodig was, ook al zat er geen slot op de deur en had Aja daarom nooit een sleutel bij zich. Aja’s moeder liet de scheefhangende tuinpoort open, net als de huisdeur, en als iemand wilde weten of ze niet bang was voor inbrekers, voor dieven, moest ze lachen, op haar manier, een beetje te laat, een beetje te zacht, alsof ze pas nu met haar neus op iets gedrukt werd waaraan ze nog nooit had gedacht. Maar wat, zo vroeg ze, zouden ze dan bij ons moeten halen?

Soms werd Aja’s moeder door slaap overmand voordat ze een zin had afgemaakt, een gedachte had uitgesproken, en als Aja ’s nachts wakker werd en in de keuken een glas water ging halen, zat ze naast de lichtkegel van een lamp alsof ze op de ochtend wachtte, dat vertelde Aja tenminste. Haar moeder had schrammen op haar handen, groene vlekken op haar knieën en scheenbenen, en ze zag er raar uit met haar vuile pleisters en het verband waarvoor ze resten stof aan elkaar knoopte. Bij het uien schillen sneed ze zich aan een mes dat ze hoog aan een haak had gehangen, zodat Aja het niet te pakken kon krijgen, ze stootte haar hoofd tegen de kastjes, raakte verward in de snoeren en trok iets mee, dat dan brak en dat ze in een emmer deponeerde bij de andere scherven en splinters die ze niet meer kon repareren. Ze liep door haar huis, haar tuin en door de straten van het stadje alsof er geen hindernissen bestonden, alsof niets haar in de weg kon staan en de dingen voor haar moesten wijken en niet omgekeerd. Alsof ze daar ook geen gedachte aan kon verspillen, of haar gedachten te kostbaar waren, of ze er te weinig had en er zuinig op moest zijn.

Voordat we ’s avonds afscheid namen en ik me voorbereidde op ons weerzien, op z’n laatst de dag of de ochtend erna, deden we bij wijze van afscheid een radslag. Zoals anderen elkaar een hand geven of omhelzen, deden wij een radslag bij de scheefhangende poort, daar waar het gras platgetrapt was en de leeuwenbekjes tussen de latten drongen, Aja en ik met dezelfde snelle beweging in de ene richting, en Aja’s moeder tussen ons in de andere kant op. Op sommige avonden bleef ze verder bij ons vandaan, alsof ze ons zou storen, ons nog tijd wilde gunnen, alsof we daar nog niet genoeg van hadden gehad, alsof we die ene minuut, die paar ogenblikken nog nodig hadden voor ik wegging. Wanneer ik de smalle weg afliep en me omdraaide zodra ik het baanwachtershuisje kon zien, had Aja zich aan de schutting opgetrokken, haar knie tussen de latten gezet en zwaaide ze met beide handen, alsof ze wilde zeggen: vergeet niet morgen terug te komen.

Hoewel haar huis geen adres had, ontving Aja’s moeder brieven in een dikke envelop van pakpapier, waarop onder haar naam alleen Kirchblüt stond, in kleine, schuine letters, en de postbode bracht die aan de deur, al was het maar omdat er altijd brieven bij waren waarvoor ze haar handtekening moest zetten. Ook toen er al een blikken brievenbus met een gleuf aan de schutting hing waar hij de post in had kunnen doen, bleef hij die persoonlijk aan haar afleveren en haar naam zeggen, als moest hij zich er elke keer opnieuw van overtuigen wie ze was, of ze werkelijk degene was voor wie de brief was bestemd. Het was een van de zeldzame keren dat wij haar volledige naam hoorden. Verder stond Aja’s moeder erop dat iedereen haar Évi noemde, niet Éva, en al helemaal niet mevrouw Kalócs. Bij de overheidsinstanties werd ze zo genoemd, zei ze, dat was genoeg, en alleen de postbode stond ze nog toe haar hele, volledige naam te zeggen. Als hij zijn fiets tegen de paal zette, de scheefhangende tuinpoort openduwde en licht in de keuken zag, als hij een geluid, een gerinkel hoorde, klopte hij op het raam en wachtte totdat Évi de paar stappen naar de deur had gedaan om haar post aan te pakken, in pakpapier gewikkelde brieven in vederlichte blauwe enveloppen, die ze vervolgens dagenlang op het tafeltje naast de vliegenhor liet liggen. Aja en ik pakten ze vaak op, draaiden en keerden ze, en omdat Aja dacht dat ze kon ruiken waar de brief vandaan was gestuurd, rook ze eraan. Ze hield hem onder haar neus, onder de mijne, ze wapperde ermee en waaierde ons lucht toe, en als haar moeder ons ontdekte en vroeg waar hij naar rook, die brief, zei Aja, naar Amerika, hij ruikt naar Amerika.

Zodra de eerste kille nachten de zomer begonnen te verdringen, kwam er bezoek in Aja’s huis. Hij kwam van ver, zoals Évi zei, met een schip, een trein en een bus, en na zijn brieven verwachtten Aja en Évi hem al wekenlang, zonder precies te weten op welke dag hij zou komen. Elke zaterdag deed Évi een kip in de pan en at die vervolgens met ons op, ze lakte haar teennagels, eerst rood, toen roze, ze stak voor de spiegel die ze kon uitklappen en neerzetten, haar haar op met spelden uit een blauwe lap en maakte het later weer los. Ze had het vuil van de vloer geveegd, de korte gordijnen in een teil in de tuin gewassen, nat opgehangen en in plooien gelegd. ’s Middags had ze de landweggetjes afgekeken, en ’s avonds op de kalender getuurd, totdat er eindelijk iemand voor de scheefhangende poort stond. Aja en ik konden hem vanachter het raam zien, hij had een donkere koffer in zijn ene hand en een hoed in de andere, die hij afnam zodra Évi zich in de deuropening vertoonde, wanneer ze de vliegenhor had losgemaakt, een voet op de traptreden had gezet en twee losse haarlokken van haar voorhoofd gestreken, om dan over de losse platen naar de poort te lopen, haar handen uit te strekken en tegen zijn wangen te leggen. Aja zei dat hij haar vader was, maar haar moeder schudde haar hoofd, en als Aja niet in de buurt was, zei ze dat een man die haar één keer per jaar bezocht niet Aja’s vader kon zijn. In die weken verzamelde Aja ’s avonds de touwen en ballen die ze in de tuin had laten liggen, ze at wat Évi op tafel zette, en na school ging ze vlug naar huis, en niet, zoals anders, met mij en de anderen door de boomgaarden en velden naar het baanwachtershuisje, waar we in het gras lagen en wachtten tot de bomen dichtgingen en de roestigrode wagons van de goederentreinen voorbijratelden. Zigi heette haar vader. Aja noemde hem zo, ook haar moeder noemde hem zo, soms Zigike of Zigili, of Zigikém of Zig-Zig, en ik vroeg me af hoe je zo kon heten, of dat wel een naam was, Zig-Zig.

Zigi’s haar hing in zijn gezicht, warrige krullen die alle kanten op stonden en die hij maar zelden liet knippen. Twee tanden in zijn mond waren donkerder en over elkaar heen geschoven, een beetje als mensen in een menigte die proberen langs elkaar heen te kijken. Hij zag eruit of hij honger had, of hij de laatste tijd te weinig had gegeten, en omdat Évi vond dat hij dat in die weken moest inhalen, kwam ze nauwelijks haar keuken uit en zette om de paar uur worstjes en zoute krakelingen, zoete thee en suikerkoekjes op tafel. In Zigi’s borstzakje zat een rode doek, waarin Aja haar neus snoot als ze niets anders bij de hand had, en die contrasteerde met Zigi’s donkere kleren, waarvan Évi zei dat hij er daarin uitzag of hij naar zijn eigen begrafenis op weg was. Zigi droeg geen sokken en had altijd hetzelfde paar donkere schoenen aan, van leer dat aan de zijkanten scheuren vertoonde en waarin zijn smalle voeten breder leken, en hoewel hij de veters niet dichtmaakte, slipten de schoenen bij het lopen nooit van zijn voeten. Zoals anderen een mug verjoegen of melk door hun koffie roerden, sprong Zigi achterover op zijn handen, kwam op zijn voeten terecht, sprong weer achterover op zijn handen, vele keren achter elkaar, hij vloog als het ware door Évi’s tuin in cirkels die hij met zijn benen in de lucht tekende, over stoelen en banken die hem nooit in de weg stonden. Wanneer hij met zijn koffie bij het keukenraam leunde, wisten we al dat hij zo dadelijk zijn knieën tegen zijn borst zou optrekken, het kopje onder zijn voeten door van de ene hand in de andere zou overgeven, en zodra hij weer stond, het in één teug zou leegdrinken, het aan Aja reiken en zo diep voor ons buigen dat zijn spitse neus tussen zijn knieën verdween en wij de libelle onder zijn nek konden zien die hij jaren daarvoor met wat zwarte inkt en een dunne naald in zijn huid had laten tekenen.

We waren dol op Zigi’s kunststukjes en konden er geen genoeg van krijgen. Aja zei dat ze, zodra ze wakker was, nog in nachtpon in de scheve deuropening ging staan wachten totdat Zigi de deken terugsloeg, zijn handen op de vloer zette, zijn benen omhoogstrekte en zo naast haar naar de keuken liep. Wanneer ik ’s middags kwam, balanceerde Zigi tussen de perenbomen op een grote bal die hij vanonder het golfplatenafdak naast de kippen, waar Évi haar lege bloempotten opstapelde, tevoorschijn had gehaald. Terwijl hij met zijn armen roeide, de bal met zijn blote voeten over de molshopen rolde en zijn rug zo ver naar achteren boog dat het leek of hij zou omkiepen en vallen, sleepte Aja Évi’s rieten strandstoel naar buiten en zat als op een troon onder de hoge welving die ver boven haar hoofd uitstak, in kleermakerszit, haar vlakke handen op haar dijen en haar knieën onder de armleuningen. Ze volgde Zigi’s bewegingen, en wanneer hij uit haar blikveld dreigde te verdwijnen, draaide ze haar hoofd in zijn richting, Aja, die haar naam achterstevoren kon zeggen zonder dat hij veranderde, om het even hoe vaak we hem ook uit elkaar haalden en weer in elkaar zetten, hem uit elkaar trokken en boven ons lieten cirkelen, met dezelfde lichtheid als waarmee Zigi in Évi’s tuin door de lucht tussen twee bomen heen en weer sprong, als hij zich afzette en die naam riep – Aja.

Elk jaar bracht Zigi dingen mee waarmee Aja en ik niets wisten te beginnen, maar waarmee Évi ontzettend blij was. Deze keer waren het restanten van een rol behang met rode rozenranken die voldoende waren voor één kant van haar kleine keukentje. Zigi haalde het keukenkastje eraf, keek hoe de bankbiljetten naar beneden dwarrelden die hij in een envelop had gestuurd en die Évi achter borden en kopjes had verstopt, en plakte het behang op een ochtend rondom het raam waardoor we over het pad van losse platen uitkeken op de scheefhangende poort. Hij legde geen krantenpapier neer, smeerde met een brede kwast stijfsel op de muur zonder dat er een druppel op de vloer terechtkwam, sneed de banen gewoon op het oog met snelle, korte halen met een van Évi’s scherpe messen, drukte ze met twee handen vast en streek ze glad met de rode doek die hij uit het borstzakje van zijn zwarte jasje had gehaald en onder zijn overhemd had gestoken. ’s Avonds zat Évi door rode rozen omgeven in haar keuken, rozen die niet geurden, maar in ranken omhoogklommen als wilden ze door het raam naar buiten ontsnappen.

De tijd met Zigi was Évi heilig, die paar weken dat hij in haar bed sliep en aan haar tafel at, en zij kon doen alsof ze een gezin waren als elk ander. Évi trok zich terug zodra Zigi huis en tuin met hen deelde, en ze was stiller, als wilde ze spaarzaam omgaan met de beschikbare zinnen om Zigi’s aandacht niet af te leiden, als mocht ze Aja en Zigi geen minuut ontnemen van de tijd waaruit Aja zoveel moest zien te halen dat het voor een jaar voldoende zou zijn. Wanneer ik langs het hek liep, zag ik Évi onder ver overhangende takken tegen een boom leunen, haar handen gevouwen voor haar buik alsof ze ze wilde verbergen en er geen betere plaats voor had gevonden. Ze dacht dat ze pas ’s avonds, als Aja op Zigi’s schoot was ingeslapen en haar hoofd tegen zijn borst lag, zelf met hem mocht praten, dat zei ze in elk geval, alleen in de late avonduren en ’s nachts, alsof Zigi en zij alleen dan elkaar nader konden komen, en hij verder alleen van Aja was.

[...]

Copyright © 2011 S. Fischer Verlag GmbH, Frankfurt am Main
Copyright Nederlandse vertaling © 2012 Nelleke van Maaren
Copyright auteursportret © Walter Breitinger

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum