Leesfragment: De lusiaden

27 november 2015 , door Luís de Camões
| | | |

26 augustus verschijnt Luís de Camões' De lusiaden (Os Lusíadas, 1572), de eerste integrale Nederlandse vertaling van deze gedichten door Arie Pos. In de Nacht een uitgebreid fragment uit de eerste zang.

De Lusiaden verhaalt over de Portugese ontdekkingsreizen, met als voornaamste de legendarische reis van Vasco da Gama via zuidelijk Afrika naar India in 1497-1498. Camões was de eerste Europese dichter die de avontuurlijke zeereis naar Azië maakte en zijn epos weerspiegelt die unieke ervaring: de kennismaking met Afrika, India en het Verre Oosten. De Lusiaden is daardoor een uniek Renaissance-epos dat de overgang markeert naar de moderne tijd. Daarnaast biedt het nog altijd tal van relevante observaties over het gevaar van macht en over de opkomst en ondergang van grootmachten, die niet alleen door vijanden van buiten worden bedreigd, maar ook van binnenuit door het verlies van integriteit en visie.

Terecht wordt De Lusiaden al eeuwen in één adem genoemd met onder andere Dantes Divina Commedia en Miltons Paradise Lost. Als epos van de zee inspireerde het Herman Melville tot het schrijven van Moby Dick en Slauerhoff evoceerde de dichter en zijn werk in gedichten en de roman Het verboden rijk.

Eerste Zang

1.
De strijdbare helden wil ik bezingen,
Die van het Lusitaanse westerstrand
Over tevoren nooit bevaren zeeën
Tot voorbij Taprobane durfden zeilen,
Die zich in oorlog en gevaren weerden
Met bijna bovenmenselijke moed
En onder verre volken een nieuw rijk
Grondvestten en tot roemvol aanzien brachten,

2.
En ook de grootse nagedachtenis
Van koningen die het geloof verbreidden,
Hun rijk vergrootten en het heidendom
Van Afrika en Azië vertrapten,
En anderen die door hun kloeke daden
Ontstegen aan de wetten van de dood.
Mijn zang zal overal hun naam doen klinken
Wanneer talent en vakmanschap mij steunen.

3.
Vergeet de slimme Griek en de Trojaan
En hun vermaarde overzeese reizen,
Genoeg van Alexander en Trajanus
En hun alom geprezen wapenfeiten.
Ik loof de Lusitaanse dapperheid
Waarvoor Neptunus en zelfs Mars zich bogen.
Laat de klassieke Muze voortaan zwijgen:
Een hoger heldendom is nu verrezen.

4.
O nimfen van de Taag, u hebt in mij,
Die tot voor kort in onbehouwen verzen
En licht van hart de lof zong van uw stromen,
Een nieuw, gloedvol verbeeldingsvuur gewekt.
Geef mij een edele, verheven toon,
Een stijl die vloeiend en welsprekend is,
Zodat uw wateren door Phoebus’ gunst
De Hippocreenbron niet hoeven benijden.

5.
Geef mij een gloedvolle, bevlogen klank.
Niet het gesnerp van boerse herdersfluiten,
Maar het robuust geschal van krijgstrompetten
Dat aangezicht en hart bezield doet gloeien.
Geef mij een stem de daden waardig
Van uw vermaarde volk dat Mars zeer steunt;
Laat hun roem klinken door de hele wereld,
Als zo verheven lof in verzen past.

6.
En u, o welgeboren schutsheer van
De eeuwenoude Portugese vrijheid
En onze zekerste en vaste hoop
Op aanwas van het kleine Christenrijk;
O jongste schrikbeeld van de Moorse lansen,
Onkeerbaar lotswonder van onze tijd
Dat God, die alles leidt, de wereld schonk
Om grote aarddelen voor Zich te winnen;

7.
U, jonge, tere bloesemtak, ontsproten
Aan een boom die Christus als geen andere
Die in het Westen wortelt dierbaar is,
Hoe keizerlijk of allerchristelijkst ook
(Uw trots blazoen gedenkt de overwinning
Die in een ver verleden werd behaald,
Toen Hij de wonden die Hij aan het Kruis
Ontving tot wapenschild gaf aan de uwen);

8.
U, machtig vorst, wiens hoge heerschappij
De zon meteen aanschouwt bij haar verschijnen
En ook wanneer zij in het zenit staat,
En nog als zij uiteindelijk verzinkt;
U, die tot juk en smaad geboren lijkt
Van Ismaëls ontaarde ruiterhorden,
De Ottomaan en de verstokte heiden
Die zich nog in het heilig water baadt:

9.
Neig mij de majesteit een weinig toe
Die op uw fijn gelaat te lezen staat
En reeds de volle rijpheid toont waarmee
U later intreedt in het Eeuwig Huis;
Sla uw goedgunstig oog neer naar de aarde
En zie een ongeëvenaard bewijs
Van liefde voor de vaderlandse moed,
Gevat in schone, welluidende verzen.

10.
U ziet dan liefde tot het vaderland –
Om laag gewin? Nee, edel en haast eeuwig;
Het is geen laag gewin bekend te staan
Als lofverbreider van mijn bakermat.
Wil horen hoe de naam verheerlijkt wordt
Van hen die u als opperheer regeert,
En overweeg dan wat uw voorkeur heeft:
De wereld of dit volk tot vorst te zijn.

11.
U zult de uwen niet horen bezingen
Zoals uitheemse Muzen doen, die pochen
Met valse wapenfeiten die verdichting,
Verzinselen en loze leugens blijken;
Hun werkelijke daden zijn zo groot
Dat die gedroomde fabels overtreffen,
Ruggero en Rodamonte te boven gaan,
En Roland zelfs, al heeft die echt bestaan.

12.
Ik bied u in hun plaats de koene Nuno,
Van grote waarde voor zijn rijk en koning,
En Egas en Dom Fuas, die verdienden
Geroemd te worden door Homerus’ citer.
In ruil voor de twaalf Pairs geef ik u graag
Magriço en zijn twaalf van Engeland;
Ook zing ik van de roemruchte Da Gama
Die zich Aeneas’ faam al heeft verworven.

13.
Wenst u een even heugelijke held
Als Caesar of de Franse koning Karel?
Denk dan aan Alfons I, die met zijn lans
De roem van ieder ander deed verbleken;
Aan hem die aan het rijk zijn grenzen gaf
Met de door God gezegende triomf,
En Johan ii, de nooit verslagen ridder,
Aan Alfons III, en Alfons IV en V.

14.
En evenmin vergeet ik in mijn verzen
De mannen die zich in Aurora’s rijken
Met wapens onderscheidden in de strijd
En steeds uw vaandel zegevierend hieven:
De dappere Pacheco, de geduchte
Almeida’s, die de Taag nog steeds betreurt,
De leeuw Albuquerque, de krachtige Castro
En anderen die na hun dood voortleven.

15.
Neem, grote vorst, terwijl ik hen bezing
– Niet u, want daartoe heb ik niet de moed –
De teugels van uw rijk stevig ter hand
En inspireer zo nooit gehoorde zangen.
In Afrika, op zeeën van het Oosten
Wordt nu de zware last al voelbaar van
De weergaloze krijgsmachten en daden
Waarover zich de wereld zal verbazen.

16.
De Moor staart u met kille ogen aan
En weet in u zijn ondergang voorspeld;
Als de barbaarse heiden u maar ziet
Buigt hij zijn nek al om uw juk te dragen.
Haar hele hemelsblauwe waterrijk
Heeft Tethys u tot bruidsschat voorbestemd:
Betoverd door uw lieflijke gelaat
Wenst zij u als haar schoonzoon te verwerven.

17.
De zielen van twee grootvaders van naam
Bezien u mild uit hun Olympisch huis:
De angelieke vorst van gouden vrede
En hij die op het bloedig slagveld heerste.
Hun nagedachtenis en heldenwerken
Verwachten zij in u te zien herleven;
Zij plaatsten al een zetel voor u in
De tempel van de hoogste eeuwigheid.

18.
Vereer, terwijl de dagen traag verstrijken
Tot u de volken naar hun wens regeert,
Dit nooit vertoonde waagstuk met uw gunst
En maak zo mijn gedicht tot uw verhaal.
Dan ziet u hoe uw Argonauten door
Het zilte zilver ploegen, wetend dat
Uw blik hen op de woeste golven volgt.
Wen er vast aan te worden aangeroepen.

[...]

© 2012 Nederlandse vertaling, noten en nawoord Arie Pos

Uitgeverij Atlas Contact

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum