Leesfragment: De nieuwkomers II

27 november 2015 , door Lojze Kovacic
| |

In de tweede week van mei verschijnt het tweede deel van Lojze Kovacic, De nieuwkomers, vertaald uit het Sloveens door Roel Schuyt. We publiceerden eerder voor uit deel 1, en nu pakken we de draad weer op bij pagina één van boek twee.

Ljubljana, 1941. De veertienjarige Bubi probeert samen met zijn familie het hoofd boven water te houden. Zijn vader en zuster zijn bontwerkers en onderhouden het gezin, dat vanwege hun half-Duitse afkomst met de nek wordt aangekeken.

Ondanks de honger en de chaos gaat Bubi gewoon naar school, beleeft avonturen met meisjes en ontdekt dat hij schrijftalent bezit, en vooral een niet te stuiten drang om alles om zich heen te vangen in woorden. En dat kan hij als geen ander. Met duizelingwekkende nuance en mensenkennis beschrijft hij de bewoners in hun trappenhuis, de spanningen in de stad, de aanslagen van de partizanen, de dagelijkse strijd om te overleven, de wisselingen van de machtsverhoudingen, zijn eerste schreden op het schrijverspad, en – een van de mooiste stukken van het boek – de aftakeling van zijn vader.

De nieuwkomers is een grootse vertelling over het dagelijks leven in Slovenië in een uiterst turbulente periode uit de Europese geschiedenis. De blik van het onbevangen, nieuwsgierige kind gekoppeld aan een meesterlijke stijl en een scherp oog voor menselijke verhoudingen en politieke en sociale ontwikkelingen maken van De nieuwkomers een onvergetelijke kroniek van de twintigste eeuw.

Op het terrein van het Casino waren de Italiaanse soldaten op hun bagagekarren spaghetti en minestrone aan het klaarmaken. Ze deelden er ook van uit aan de kinderen... Karel, Ivan, Andrej en ik holden er met onze pannen naartoe. We bleven in het portiek naast Rio staan wachten tot de soldaten op de binnenplaats genoeg hadden gegeten. Toen riep de kok ons naar de ketel, die op een hoge kar stond. De lepels waarmee werd opgeschept waren zo groot als helmen: zo veel spaghetti, vol tomaten en stukken vlees, had er nog nooit in onze pan van vijf liter gezeten... Nu hadden we behalve ons ontbijt... een paar brokken van het beschuit dat we uit de kazerne hadden meegenomen en die we in de koffie verkruimelden, ook een stevige maaltijd op tafel ... Toen werd door de negende legergroep in het district Ljubljana een verordening uitgevaardigd: de bevolking moest alle wapens, kleding en conserven die uit de kazernes van het voormalige Joegoslavische leger waren ontvreemd, op korte termijn inleveren. Wie dat niet deed en over twee weken nog op het bezit van de genoemde goederen werd betrapt, zou direct en zonder pardon worden gestraft. Vati en ik verstopten de kisten zo goed als we konden, tussen lappen stof en oude kleren... Nee, die heerlijke beschuit wilden we voor geen goud inleveren, ook al zouden we daarmee de doodstraf riskeren... Het was alleen jammer dat ik niets meer kon meenemen als ik naar buiten ging, want overal waren spionnen, en niemand, hoe onschuldig ook, mocht weten dat we staatseigendommen in huis hadden...

Intussen waren ze achter het hek van het Zvezdapark bezig om met machines het enorme ruiterstandbeeld van koning Aleksandar in stukken te zagen... het was nog maar een paar maanden geleden plechtig onthuld... en de kroonprins Petar ii was in een luitenantsuniform van de luchtmacht bij de plechtigheid aanwezig geweest. De weken daarvoor hadden we met de hele school staan kijken hoe de onderdelen van het standbeeld omhoog werden getakeld om op de reusachtige marmeren sokkel aan elkaar te worden gezet: een enorme laars in een stijgbeugel... een paardendijbeen met een vlechtwerk van spieren... een koninklijke, gehandschoende onderarm die de teugel vasthield... de bovenste helft van het hoofd, met een pince-nez en een kleine ruitercap... En nu lag een groot deel van al dat brons alweer in stukken van verschillende grootte op de grond, en van boven kwamen steeds nieuwe stukken in het zand geploft...
Samen met Karel en Ivan ging ik kastanjes verzamelen, die in hun stekelige bolster op de houten marktkramen lagen waar de slagers hun waren verkochten, maar die eveneens zouden worden afgebroken. Daarachter verhieven zich de hoge zuilen en het geribbelde dak van de nieuwe markthal, die vanaf de Zmajski Most, de brug met de draken, zou doorlopen tot aan de Tromostovje, de drie bruggen naast elkaar over de Ljubljanica... Het bouwwerk had iets van een synagoge... Het was ontworpen door een kleine meneer met een wit baardje, die ook de architect was van het kapelletje en de tempel op Žale, de begraafplaats van Ljubljana... Tussen de oude houten kramen en de schutting van het nieuwe marktcomplex zagen we Italiaanse soldaten en jonge vrouwen ... koopvrouwen, dienstmeisjes, verkoopsters en wat je verder nog maar kon verzinnen. We kropen naar de rand van het platte dak om te kijken... Ze omhelsden en kusten elkaar. Sommige meisjes drukten de donkere, gewatergolfde hoofden van de Italianen tegen zich aan, andere hadden geen zin en verzetten zich, zodat de soldaten zelf de armen van de meisjes om hun hals moesten leggen... Ook al verdienden die arme schepsels het niet, toch had ik medelijden met ze... Opeens zagen we een meid op het zadel zitten van een fiets die tegen de schutting stond, met tegenover zich, op een houten blok, een Italiaanse soldaat... Ivan begon te proesten van het lachen. Karel en ik moesten hem een paar maal in zijn ribben porren om hem weer stil te krijgen... Het meisje op de fiets was nog erg jong, donkerblond, met een blauw schort voor, waarschijnlijk van een fruitkraam op de markt... Ze deed haar benen wijd. Ze had monumentale dijen, zo massief als zuilen, donkere haren tussen haar billen, en van voren een vacht die tot aan haar navel doorliep ... De vacht opende zich... als een grote portemonnee. Nu kon Ivan zijn lachen niet meer inhouden. Die stomme idioot!... De Italiaan keek omhoog... hij had zijn broek als een mandje tot op zijn hielen laten zakken... ‘Avanti!’ brulde hij... en hij greep naar zijn rode handgranaat ... We sprongen overeind en renden over het dak weg, tot bij de Zmajski Most. Iemand floot naar ons. Het was een andere soldaat, die tussen de kramen door liep en naar ons gebaarde... ‘Hé!’ riep hij. Hij wees naar een kraam en maakte een gebaar... met zijn rechterwijsvinger in en uit het rondje dat hij met de duim en wijsvinger van zijn andere hand had gemaakt... dat betekende neuken. Eigenlijk geen gebaar voor een volwassen man. Hij wees naar de kraam, we knikten. Hij draaide zich om, deed een stap, zwaaide met zijn arm en keerde zich weer om. We riepen ‘Arrivederci!’ en zwaaiden terug... Ook al waren het geen echte soldaten... maar eerder een stel clowns in potsierlijke, hobbezakkerige uniformen, toch moest je ze serieus nemen. Al was het eerder vanwege hun handgranaten en hun licht ontvlambare temperament dan om de karabijnen die ze droegen en die meer bij de uitrusting van een cavalerist dan bij die van een infanterist leken te horen...
Achter de struiken op de Golovec en onder de burcht, en in alle portieken, overal kon je een kerel samen met een meisje aantreffen... In bioscoop Sloga werden van tien uur ’s morgens tot acht uur ’s avonds films gedraaid, steeds twee achter elkaar, bij elkaar vier uur... als je halverwege de eerste film binnenkwam, zag je die eerst uit, dan de tweede helemaal en het begin van de eerste, en daarna ging je weer naar buiten. De Italianen zaten met een aantal vrouwen in het kleine zaaltje... in innige omhelzing, dicht tegen elkaar aan, en tijdens de voorstelling kwamen uit de schaduwen de geluiden van de minnekozende paartjes die daar zaten: praten, zoenen en het ritselen van kleding... In de loges, die meestal het eerst uitverkocht waren, was soms geen enkel hoofd boven de balustrade te zien. Waarschijnlijk lagen de onderofficieren daar gewoon op de stoelen met hun vrouwen en vriendinnetjes te flikflooien... Halverwege de film, als er buiten bij het hek niet van die kaartjescontroleurs in blauwe uniformen rondliepen en er alleen een caissiere in haar hokje zat te breien, glipten we snel de zaal uit en slopen we de trap op naar de balkons. We deden de deur open en trokken die weer achter ons dicht... We waren een beetje bang, alsof we zo meteen getuigen zouden zijn van een moord. Dan schoven we het fluwelen gordijn opzij... De donkere ruimte werd vaag verlicht door de weerschijn van het filmdoek en de rode lichtjes boven de uitgangen... In een loge lagen vlak bij de muur twee donkere gedaanten, boven op elkaar. Ze hijgden en snoven op een alledaagse manier, niet zoals de acteurs op het witte doek... In het duister halverwege de loge zag je een wirwar van met elkaar verstrengelde ledematen... Toen onze ogen aan het donker waren gewend, zagen we op een stoel iemand op zijn knieen zitten, misschien was hij invalide, en we konden zijn bleke achterwerk zien, met een spleet in het midden... misschien voelde hij zich niet goed. Voor hem zag ik nog iets, een hoop jassen... of was het een vrouw, op haar rug, helemaal naakt? ‘Maledetta putana!’ riep de man ... Hij schudde aan de donkere vorm alsof het een vruchtboom was. Een soort tweegevecht... misschien wel op leven en dood... Een paar van ons renden gillend naar buiten. Als het nu eens geen jassen waren die daar op de stoelen lagen, maar echt een arm, levend schepsel... alleen verzette ze zich niet... Of onderging ze alles lijdzaam, net als Marjana, dat meisje bij Andrej thuis, aan de Pod Tran.o? We hielden ons muisstil ... We slopen weer de zaal in, alsof we naar de film gingen kijken. We wilden er niet bij zijn als er iemand werd doodgeslagen of gewurgd ... Vanuit de zaal kon je ook nog allerlei andere kanten op. Zo kwam je via een trapje aan de zijkant van de zaal door een deur op het podium ... achter het filmdoek en het gordijn... De gedaanten van de acteurs waren door het scherm heen te zien, de bewegende ondertitels gingen de verkeerde kant op, in spiegelschrift... Het was een grote, donkere ruimte, waar we ons net dwergen voelden. Langs de wanden stonden stoelen, tafels en grote, ingelijste foto’s en affiches... Hier en daar kon je een of meer liefdespaartjes onderscheiden... Voor de hoge gordijnen bij de achterwand kon je ze ritmisch zien bewegen, alsof ze telkens door de slag van een onzichtbare hamer werden getroffen... We hielden ons aan elkaar vast, alsof we met ons drieën ook een stelletje waren... Je hoorde ze hijgen, steunen, kreunen en soms gillen... dwars door de geluiden van de film heen – de dialogen, het gedonder van de kanonnen van Navarone, de muziek en het getjilp van de vogels langs de bergpaden ... We konden ze ook naar buiten zien gaan, als twee schaduwen achter elkaar... samen of apart... Op andere momenten was er helemaal niemand. De vloer was glad en glibberig. Overal lagen snoeppapiertjes, papieren Camelia-zakdoekjes en ballonnetjes, witte, natte stukjes gummi, en daar liep het spul uit dat de mannen in hun ballen hadden zitten en waarmee ze kindertjes maakten... Op een vreemde, onverklaarbare manier stonk het naar orang-oetangs en vis. Hoe kon dat nou, naar haring en apen? De vloer was van het slijmerige goedje spekglad, zodat je over de ballonnetjes heen kon glijden... Achter het hoge gordijn bij de muur waren een paar deuren die op de binnenplaats uitkwamen... maar verder kwam je niet. Aan de ene kant, waar allemaal grafstenen lagen, was een hoog, gietijzeren hek, en daar konden we niet overheen, want dan zouden de steenhouwers ons in de kraag grijpen... Aan de andere kant stond een schutting met erachter een drukkerij en de sportzaal van de spoorwegarbeiders, en op de binnenplaats een paar boksringen en bruggen. We moesten dus weer naar de zaal terug en zorgen dat we niet door een van de geüniformeerde kaartjescontroleurs werden betrapt... Hadden zij enig idee van wat zich in het geheim afspeelde, van wat de soldaten en hun vriendinnetjes in de loges en op het podium achter het filmdoek met elkaar uitspookten?

Gisela’s been begon bij haar heup op te zwellen. Misschien kwam het doordat ze was gestruikeld over de balk die over het gat lag dat voor een ligbad was bestemd. Haar heup werd zo dik als een ballon... Ze moest op bed liggen, want ze kon niet meer lopen. De dokter kwam en schreef koude kompressen voor... De zwelling werd niet minder en haar hele been raakte verlamd... Dat de lieveling van ons gezin zoiets moest overkomen! Clairi was in alle staten, mama was zo terneergeslagen dat ze vergat tegen mij tekeer te gaan en zelfs Vati was dermate aangedaan dat hij af en toe naar de hoek liep waar we een bed voor haar hadden opgemaakt... Ze lag met een negerpopje te spelen... Je kon niet meer zien of het een meisje of een jongetje was. De donkere kleur had elke uitdrukking uitgewist, en de oorbellen en de ringen om de hals gaven er iets volwassens aan... Ik maakte van lappen een nieuwe pop voor haar, en ook poppenmeubeltjes en nog veel meer... een mannetje van kastanjes en een bioscoop van karton... en ik knipte figuurtjes uit waarmee ze kon spelen als ik niet thuis was... De zwelling werd steeds erger. We moesten naar de dokter. Het oude wagentje was te klein voor haar. We brachten haar op de handkar van mevrouw Hamman naar het ziekenhuis van de St. Petruskerk... de arts, dr. Zora, was een vriendelijke, blonde dame en sprak voortreffelijk Duits. Mama en Clairi konden uitvoerig met haar praten zonder afhankelijk te zijn van mijn niet altijd even juiste vertalingen, en ik hoefde niet bang te zijn dat ik iets zou uitkramen waarmee ik Gisela meer kwaad dan goed zou doen. Ze werd naar de röntgenafdeling gebracht... daarna kreeg ze een punctie en ging haar been in het gips, tot aan haar middel. Elke vier weken moest de etter eruit worden gezogen en om de twee maanden kreeg ze nieuw gips. Ze kon nog steeds niet lopen... Daarom kregen we het advies om op zoek te gaan naar een wagentje waarop ze languit kon liggen. Er was nergens aan zo’n wagentje te komen, niet bij een uitdragerij en ook niet via een advertentie... Als we met haar naar buiten gingen, droegen we haar met ons drieën... Clairi, mama en ik... op onze armen, en dan installeerden we haar met kussens op de kade langs de Ljubljanica, op een bank in het Zvezdapark of het Tivolipark... Gisela liet geen klacht horen. De enige keer dat ze huilde was toen ze net over die balk was gestruikeld...
Intussen was ik met de hakken over de sloot van de school aan de Graben gekomen. Met het getuigschrift dat ik daar kreeg hoefde ik me over een betere toekomst geen illusies te maken... Ik werd ingeschreven op de burgerschool in stadsdeel Prule, waar ik iets in handel of nijverheid zou doen. ‘Bubi muß eine kaufmännische Bahn einschlagen,’* zei mama. Op die school kwamen de jongens terecht die voor een beroep als handelaar of handwerksman hadden gekozen; hun vaders waren ambachtslieden, slotenmakers, mecaniciens, of boeren van de Cesta dveh cesarjev – de Tweekeizerstraat – en uit Žabjak, die iets bijverdienden... stuk voor stuk ruige, door de wol geverfde knapen. Als ik op mijn leven terugkeek, werd het me droef te moede... In Zwitserland twee jaar in het ziekenhuis en toen voor mijn longen naar het sanatorium; in Basel de eerste klas, die ik in Cegelnica moest overdoen, en de derde klas, waarin ik was blijven zitten... ‘Der Bubi hat überhaupt kein Köpfchen oder keine Ambition für das Studium oder eine höhere Laufbahn,’ zei mama.**Ik was een volslagen mislukkeling. Misschien was het maar beter als ik niet meer op deze wereld rondliep... Als ik mezelf nu eens van het leven beroofde, net als de veertienjarige schooljongen Gregor uit Slovenj Gradec had gedaan? In de kranten stond dat hij zulke slechte cijfers had gehaald dat hij die niet aan zijn vader durfde te laten zien; daarom had hij zich in een verlaten herdershutje opgehangen. Stel dat ik daar de moed voor zou hebben!

Op een dag nam ik Gisela mee naar de Tromostovje, waar ik samen met Karel en Ivan met stenen op vissen wilde jagen... Ik zette haar neer op een strook keurig gemaaid gras bij de trap, waar ze van niemand last zou hebben. Als het water laag stond was er onder aan de ladder die langs de kademuur omlaag liep een kleine zandbank. Die leek daar speciaal aangelegd te zijn zodat we tussen de algen door met onze eigen ogen de vissen konden zien, waar we zorgvuldig op mikten, maar die we bijna altijd misten. Die vissen waren zogenaamde alvers, lang en glasachtig, als reageerbuisjes in een laboratorium... ze waren goed te eten, alleen stonken ze naar water en modder... In plaats van vissen vingen we op de zanderige bodem lege legerveldflessen, verroeste patroonhouders, geweersloten, vettige patroonhulzen en stukken golfkarton. Ik wilde daar net een vuur mee maken toen Ivan me aanstootte en omhoogwees ... Op de trap, iets boven Gisela, stond Tatjana. Ze liep nog altijd langs onze oever, net als voor het begin van de oorlog. Ze stond bij de muur, die daar een soort balkon vormde, met haar stroblonde hoofd boven het water... Ik knipperde met mijn ogen alsof ik even verblind was, maar ontmoette toen haar blik... Ik keek haastig om me heen, want mijn hele gezicht begon te gloeien... Karel en Ivan zaten elk aan één kant in mijn ribben te porren. ‘Kom op! Roep haar!’ Ik hoefde alleen naar haar te roepen of te zwaaien, maar ik kon het niet. Bovendien stond er ook een man met een zwarte hoed, die over het water heen naar het huis van Mayer staarde... Vanuit een ooghoek zag ik dat haar hoofd zich van de muur losmaakte... ‘Ze heeft tegen Franci gezegd dat ze graag je meisje wil zijn,’ zei Ivan. Wat? Tegen Franci, die eeuwige boodschapper? ... ‘Wanneer? Laatst, toen jullie samen met de kranten langs de huizen gingen?’ Over de brug kwam een tram voorbijgedenderd... Toen ik weer omhoogkeek, zag ik alleen nog een lege plek. Te laat, ik had alles verprutst. Ik was kwaad op mezelf, klom langs de ladder naar boven en rende langs Gisela de trap op. Daar liep ze, in de verte... bij café Maèek: ik zag de vage schim van haar rode jurk. ‘Heeft ze dat echt gezegd?’ vroeg ik met een brok in mijn keel. Ik schaamde me ervoor zoiets te vragen. Het getuigde van een pervers verlangen om te doen wat de volwassenen met elkaar deden, dus ook de mensen die hier... met hun grote, puntige laarzen en hoge hakken... over het trottoir voorbijliepen. ‘Jazeker, wel drie keer,’ zei Ivan. ‘Ze ging eerst met Sandi, maar nu wil ze met jou. Dat heeft ze aan Franci en Firant verteld.’ Hij grijnsde met zijn rimpelige gezicht... dat iets weg had van een bord waarvan het glazuur was gebarsten... Mijn ogen brandden. ‘Heb jij het ook gehoord?’ vroeg ik aan Karel... Ik vond het op dat moment erg belangrijk wat hij tegen me zou zeggen... Ik keek naar zijn gezicht en de vochtige haarlok die tegen zijn voorhoofd zat geplakt... Hij schudde van nee. Ik keek naar Ivans uitpuilende vissenogen... Ik had naar Tatjana moeten roepen, of op zijn minst even zwaaien. Ik was razend op mezelf. En het was ook nog mijn eigen schuld... Die avond dacht ik opnieuw aan haar. Ik zag haar aan mijn hoofdeinde, als een goede geest die ik door mijn besluiteloosheid had verjaagd...
Een paar dagen later deden we met Tonèka en haar deftige vriendinnetje uit de Riblja ulica een kinderachtig spelletje: ‘Papa, hoe laat is het?’ Papa, dat was ik. Ik stond bij de deur van het magazijn... en alle anderen, behalve Karel en Gisela, die op haar wagentje lag, gingen in een rij staan en begonnen te vragen... Ik moest antwoorden: drie olifantenstappen, vijf mierenpasjes, twee hondenstapjes, zes hazensprongetjes... Dan gingen ze twee, drie stappen of een halve, een kwart stap vooruit... Zoveel als ik uren aangaf. De eerste die bij me kwam, zou me aflossen en papa worden... Midden onder het spel zag iemand Tatjana... Toen ik haar bruine kleren zag, zwoer ik dat ik haar deze keer zou aanspreken ... Ivan was net aan de beurt om te vragen toen zij tevoorschijn kwam, van achter café Maèek, dat vol zat met bersaglieri. Ik staarde naar de grond, en pas toen ze bij de laatste boom was, keek ik op... Lieve God, mijn stem weigerde dienst... maar leek tegelijk als een granaat te willen exploderen... ‘Tatjana, doe je mee?’ Tatjana draaide zich om... Tot mijn grote opluchting zag ik dat ze tot over haar oren bloosde... Ivan sprong naar haar toe, als een echte schildknaap. ‘Dat komt mooi uit!’ Hij duwde de rij weer naar achteren en stelde iedereen opnieuw op... Zo kwam Tatjana aan het einde te staan... Ze bewoog onhandig met haar handen, want ze was nieuw, en keek om zich heen. Tonèka werd stil, de anderen kwamen uit de rij naar voren om haar te bekijken, behalve Tonèka. ‘Jij moet nu vragen,’ zei Ivan tegen haar... Lieve hemel, voor mijn ogen danste een diamantachtige schittering. ‘Papa, hoe laat is het?’ wist ze eindelijk uit te brengen. Haar stem klonk een beetje schor... ‘Vier,’ riep ik, en het was in orde... Ook de anderen vroegen, maar ik hoorde ze niet allemaal. Ik wilde rechtvaardig zijn, maar was het niet ... Ze kwamen alle vijf steeds dichterbij, langzaam, maar in een rij... ze waren al vlak bij me toen ik naar Tatjana ‘vijf mierenstapjes’ riep... Ze stond vlak voor me, haar buik kwam tegen de mijne. Mijn hoofd barstte bijna... Wat nu? Nog ‘twee muizenpasjes’ en dan zou ze bij de deur zijn. Ik had al heel wat films gezien en dat kwam me nu goed van pas. Ik hief mijn beide armen op... en zag meteen de meest aangrijpende scenes uit Het Indische Graf voor me... Ik pakte haar bij een schouder en trok haar aan haar hemd naar me toe... op datzelfde moment ging er boven mijn hoofd een raam open, en een kaalgeschoren jongeman stak zijn hoofd naar buiten. Ik liet haar schouder los, iedereen kwam weer bij elkaar en begon te huppelen... Firant, Ivan, Marko. ‘Leve de bruid en de bruidegom!’... ‘Leve de bruid en de bruidegom!’ Het schemerde voor mijn ogen en ik was er even niet meer helemaal bij... Tatjana begon verlegen te lachen... Iedereen grijnsde... Gisela klapte in haar handen, ook al kon ze vanaf de plek waar ze zat niet goed zien wat er aan de hand was... Toen Tatjana bij mij kwam staan, ging ik bij de deur vandaan. Ivan, Franci en Marko gingen op de muur zitten. Iedereen behalve Ton.ka lachte, ze zwaaiden en ze schopten elkaar... De jongeman in het raam boven mij zette zijn pet op en trok zijn hoofd weer terug. Godzijdank! Firant, Ivan en Marko plukten wilgentakken, legden die op straat en riepen: ‘Hosanna voor de bruid en de bruidegom! Hosanna voor de bruid en de bruidegom!’... Iedereen zei het na, ook Karel, alleen Ton.ka en Gisela niet... Ivan duwde ons meteen naar de straat en we moesten over de takken en bladeren lopen... het was net de intocht van Jezus in Jeruzalem met Pasen... Ik wist niet wat me overkwam... Tatjana glimlachte flauwtjes met haar bleke, gekrulde lippen... haar haren schitterden als de zon en haar ogen waren pastelblauw. Ik had het gevoel dat ik de hele straat zou moeten opeten, met stof en stenen en al, voordat we ooit bij de Schoenmakersbrug zouden komen... Daar, in het niemandsland, bij die sneeuwwitte brug met zijn lantaarns en pilaren, zou ik haastig afscheid nemen en zouden we elk ons weegs gaan... ‘Morgen, om negen uur, daar,’ zei ik, en ik wees naar Breg, naar de banken en de schuilbunker... Tatjana keek me recht aan... ik kneep mijn ogen stijf dicht om mezelf voor haar betovering af te schermen... Ga weg! zei ik in gedachten tegen haar. Tatjana liep de brug over, de jongens schreeuwden nog en strooiden zand over de brug en in het water... Ik moest snel weg... Voordat ik Gisela ging ophalen bleef ik voor de winkel van de Albanese schoenmaker aan de Pod Tranèo nog vijf minuten tegen een paal geleund staan, zonder dat ik een woord kon uitbrengen... Ik had nooit gedacht dat er zo veel dingen tegelijk in mijn hoofd konden omgaan... Ik zag alles in rode tinten, totdat ik me realiseerde dat Tatjana helemaal in het bruin gekleed was... maar toch bleef bijna alles rood... Als gehuld in een wolk vol bloed... Toen kwamen haar ogen aangezweefd, reusachtig groot, buiten elke proportie, als twee bolle lenzen met bleke, doffe pupillen en waterig oogwit... Haar lippen, met een kuiltje in het midden... Haar steile, blonde haren die aan de punten iets opkrulden... Haar kleren, die leken te ademen... Haar handen en haar vingers, uitwaaierend als zonnestralen, met halvemaantjes op de nagels... Ze vloog over de muur ... steeds hoger, tot boven de drogisterij van Kanc... de rode bibliotheek en het paviljoen. Ze vloog weg, hoog in de lucht... ze zweefde boven de graanvelden van Nove Jarše, boven de weilanden, waar overal mensen liepen, alsof er een vliegshow aan de gang was... Ik volgde haar spoor ... door de open plekken tussen de wolken... en met een tas vol geld dat ik uit alle banken bij elkaar had geroofd... Het werd al avond, boven de Sava dreef een zwarte wolk... Voor het altaar brandden ontelbare kaarsen... daar waren de kanunniken en de bisschop, die meer dan twintig misgewaden over elkaar heen aanhad, hij verbond ons in de echt en zette haar een kroontje op... Uit zijn kapel kwam de witte ridder naar buiten... Meteen daarna kwamen er van alle kanten koks en banketbakkers aangesneld, met grote dienbladen... Vetgemeste kippen, kalfsrollades, vissen, hele walvissen... taarten, groen, blauw en citroengeel... In de tuin werden lampionnen met daarop een familiewapen ontstoken, op het water dreven bloemstukken... Lilliputters uit Polynesië strooiden edelstenen over het glazen afdak boven de veranda ... amethisten, zodat alles een violette kleur kreeg, en topazen, zodat de mensen geel zagen... Door de hele Tyrševa klonken vreugdekreten: ‘Hosanna! De bruid en de bruidegom! Hosanna!’... De tram naar Sveti Križ sneed de menigte bij de halte de pas af, en van achteren werden de mensen door de tram naar Rakovnik, die van het postkantoor kwam, naar voren gestuwd... Tatjana en ik zweefden als twee windmolentjes omhoog, in de richting van Basel...
Het duurde lang voordat het ochtend werd... Ik voelde me lamlendig omdat ik zo weinig geslapen had. Ik waste me bij de tobbe, poetste mijn tanden, kamde mijn haar in een scheiding, maar mijn hoofd bleef pijn doen... Ik stak mijn alarmpistool met de kurk in mijn zak... Ivan en Karel sliepen nog. Ik liep voor het geopende raam met de gekruiste, ijzeren spijlen heen en weer... De haan was al wakker en trippelde klapwiekend door de kamer. Ik maakte hem met mijn handen aan het schrikken, zodat hij zou gaan kraaien of op hun bed zou springen en ze wakker zou maken... Wat een dag! Alle dingen hadden hun eigen lichaam... volkomen zelfstandig. De brug. De muur. De boompjes. De kar. Het uithangbord boven de salon. Een gigantische drukte van onafhankelijke lichamen. In mijn eentje zou ik me nooit over de brug wagen...
Eindelijk kwamen Ivan en Karel wat stijf naar buiten gelopen... ‘Kom, we gaan,’ zei ik... Van de herberg kwam Franci met zijn tas vol exemplaren van de Jutro, en hij riep: ‘Wacht even! Wacht even!’... Moest hij ook nog met ons mee? Zouden we dan niet met te velen zijn en zou Tatjana er dan niet uit verlegenheid vandoor gaan?... Op de Schoenmakersbrug zag ik een blauwe trui verschijnen. Firant! Hij maakte boksprongen over de pilaren en keek tussen zijn gespreide benen door naar ons... Dus hij lag ’s morgens vroeg ook al op de loer! ‘Kom!’ – mijn hand wees als vanzelf naar voren... We klommen op de schuilbunker... Mijn hart klopte onder mijn hemd, zodat mijn borst er bijna van op en neer ging. Dit was het!... De vier anderen gingen op de omheining zitten en keken naar me alsof ik hun kampioen was... Ze gingen op hun buik op de omheining liggen, pakten met hun handen hun enkels vast en maakten een zwaantje van zichzelf... Daarna probeerden ze op de bunker radslagen te maken... Eindelijk zagen we Tatjana lopen, bij Vitez... en meteen was al het andere op Breg volkomen onbelangrijk. Ze droeg aan de ene arm een mand, en aan haar andere hand liep haar broertje. Er was nog een meisje bij haar, in een effen gele jurk met witte mouwen... Ik liep haar tegemoet, achter mij volgde de hele stoet, lachend... ‘Hallo,’ zei ik en stak mijn hand op als de godin op de Italiaanse lire... Tatjana begon te blozen, haar vriendin lachte... Was die ouder dan zij, of alleen maar groter? ‘Waar ga je naartoe?’... ‘Brood halen bij Kham,’... ‘Zullen we samen gaan?’... ‘Ja, goed,’ zei ze. We sloegen allemaal af in de richting van de Dom pohištva – de meubelzaak aan de Židovska steza... De twee meisjes keken achterom en dat kind in het geel lachte even, met een heldere, maar ingehouden stem. De hele groep rende achter mij aan ... ik liep twee of drie passen achter de meisjes... Ik wist niet of ik naast Tatjana moest lopen of bij de jongens moest blijven... en zo, in mijn eentje, tussen de anderen in, onder het gelach van de meisjes voor me en het gegniffel van de jongens achter me, stapte ik stompzinnig voort, als een gezadelde koe... Tatjana liep een beetje vreemd... Ze zwaaide steeds met een been opzij, alsof ze iets aan haar gewrichten had of haar voet had gestoten. Ik hoopte dat het niet zo erg zou worden als bij Gisela... bij elke stap begon haar kuit hevig te trillen... Aan het einde van de oplopende straat ging ze met haar vriendin en haar broertje een winkel binnen... Wij bleven buiten, bij een passage met een trap en een galmende akoestiek, waar elk geluid te horen was, zelfs wanneer je met je blote voeten over de stenen liep... Ook al lag er in de etalage van Kham bijna niets meer, toch rook het nog duidelijk naar de ham, de kaas, de kruiden en de chocolade die daar enkele maanden geleden hadden gelegen. Ik hield mijn alarmpistool gereed, en toen Tatjana verscheen, riep ik: ‘Ter ere van jou!’ en schoot. Dat gaf me een knal! De trap werd verlicht door een felle flits en het geluid weerkaatste tegen een pilaar... en op datzelfde moment zag ik hoe aan de overkant, voor het etablissement van mevrouw Prinèiè, een Italiaan zich op de grond wierp en dekking zocht achter een muur. Het was geen knal, maar een donderslag!... Tatjana lachte, maar daar kwam van het Zvezdapark een patrouille van de carabinieri aangerend, en langs het park kwamen twee gehelmde bersaglieri onze kant op... We maakten dat we wegkwamen. Ik rende achter Tatjana, haar broertje, haar vriendin en de jongens aan... We verscholen ons in een enorm portiek aan de Gosposka, tegenover de universiteit, en keken voorzichtig naar buiten... Er gebeurde niets... Tatjana ging met haar broertje richting huis. ‘Om twee uur bij de schuilkelder!’ riep ze, ‘ik zal een deken meenemen.’ Ik kon mijn oren niet geloven en stamelde: ‘Breng jij... een deken mee?’ met zo’n afschuwelijke uitspraak dat ik bang was dat ze me een draai om mijn oren zou geven... ‘Ja, ik neem van thuis een deken mee,’ zei ze. Toen liep ze met haar broertje naar de bibliotheek... ja, inderdaad, ze hinkte een beetje...

* ‘Bubi kan maar beter de handel in.’
** ‘Bubi heeft duidelijk noch de hersens, noch de ambitie voor een studie of een heuse carrière.’

© 1984 Študentska založba / Michael Gaeb Literary Agency
© Nederlandse vertaling, Roel Schuyt / Uitgeverij Van Gennep

Uitgeverij Van Gennep

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum