Leesfragment: De oude koning in zijn rijk

27 november 2015 , door Arno Geiger
| |

16 februari verschijnt van Buchpreiswinnaar Arno Geiger De oude koning in zijn rijk (Der alte König in seinem Exil, vertaald door Wil Hansen). Vanavond kunt u al enkele pagina's eruit lezen.

‘Aangezien mijn vader niet meer de brug naar mijn wereld kan oversteken, moet ik maar naar hem toe,’ schrijft Arno Geiger in dit ontroerende boek over zijn vader, die langzamerhand zijn herinneringen verliest en vaak enkel fysiek aanwezig lijkt. De verhouding tussen vader en zoon verandert hierdoor sterk, wordt openhartig, liefdevol en speels. Ze genieten van hun wandelingen door het landschap waar ze beiden hun jeugd hebben doorgebracht en de zoon leeft op van de mysterieuze en poëtische zinnen die zijn vader soms uitspreekt. Uiteindelijk beseft Geiger dat zijn vader, ondanks zijn dementie, nog altijd dezelfde eigenschappen als vroeger heeft.

Hoewel er in De oude koning in zijn rijk een zwaar onderwerp centraal staat, is het een toegankelijk, geestig en levendig boek over een leven dat nog altijd meer dan waard is om geleefd te worden.

Arno Geiger (1968) woont in Wenen en Wolfurt. Eerder verscheen bij uitgeverij De Bezige Bij Met ons gaat alles goed, waarmee Geiger zowel de Friedrich Hölderlin-Förderpreis als de prestigieuze Deutscher Buchpreis won.

Toen ik zes jaar oud was, herkende mijn grootvader mij niet langer. Hij woonde in het lagergelegen huis naast het onze, en omdat ik zijn boomgaard gebruikte om de weg naar school af te snijden, gooide hij me af en toe een stuk hout na, ik had op zijn land niets te zoeken. Maar soms was hij blij me te zien, hij kwam op me af en noemde me Helmut. Daar kon ik ook al niets mee aanvangen. Grootvader ging dood. Ik vergat die belevenissen – tot de ziekte bij mijn vader begon.
In Rusland bestaat er een spreekwoord dat zegt dat er niets in het leven terugkeert behalve onze fouten. En als we oud zijn, worden ze groter. Omdat mijn vader altijd al geneigd was tot excentriek gedrag, zagen wij zijn spoedig na zijn pensionering optredende eigenaardigheden als een teken dat hij nu elke belangstelling voor zijn omgeving begon te verliezen. Zijn gedrag leek typerend voor hem. Daarom hebben we hem ettelijke jaren op de zenuwen gewerkt met onze bezwering dat hij zich moest beheersen.
Tegenwoordig overvalt me een stille woede over die verspilling van energie; want we waren kwaad op de persoon, maar we bedoelden de ziekte. ‘Laat je alsjeblieft niet zo gaan!’ zeiden we honderdmaal, en mijn vader accepteerde het, geduldig en onder het motto dat het het makkelijkst is als je op tijd berust. Hij wilde zich niet verzetten tegen het vergeten, maakte nooit gebruik van zelfs maar de kleinste ezelsbruggetjes en liep daardoor ook niet het gevaar zich te beklagen dat iemand knopen in zijn zakdoek legde. Hij voerde geen hardnekkige stellingenoorlog tegen zijn geestelijk verval, en hij heeft niet één keer het gesprek erover gezocht, hoewel hij – achteraf geredeneerd – uiterlijk in het midden van de jaren negentig geweten moet hebben hoe ernstig het er met hem voor stond. Als hij tegen een van zijn kinderen had gezegd, sorry, mijn geheugen laat me in de steek, dan hadden we allemaal beter kunnen omgaan met de situatie. Maar nu vond er een jarenlang kat-en-muisspel plaats, met vader als muis, met ons als muizen en met de ziekte als kat.
Die eerste zenuwslopende fase, gekenmerkt door onzekerheid en twijfel, ligt achter ons, en hoewel ik er nog steeds niet graag aan terugdenk, begrijp ik nu dat er een verschil is tussen opgeven omdat je niet meer wilt, en weten dat je verslagen bent. Mijn vader ging ervan uit dat hij was verslagen. Aangekomen in het deel van zijn leven waar zijn geestelijke kracht afnam, koos hij voor ingekeerdheid, iets wat bij gebrek aan effectieve medicijnen ook voor de naasten een bruikbare mogelijkheid is met die ellendige ziekte om te gaan.
Milan Kundera heeft geschreven: ‘Het enige wat ons overblijft tegenover die onontkoombare nederlaag die leven wordt genoemd, is de poging het te begrijpen.
De dementie in zijn middelste fase, waarin mijn vader zich momenteel bevindt, stel ik me ongeveer zo voor: alsof je uit je slaap bent opgeschrikt, je weet niet waar je bent, de dingen tollen om je heen, landen, jaren, mensen. Je probeert je te oriënteren, maar het lukt niet. De dingen draaien door, doden, levenden, herinneringen, droomachtige hallucinaties, fl arden van zinnen die je niets zeggen – en die toestand wordt de rest van de dag niet anders meer.

Als ik thuis ben, wat niet al te vaak voorkomt omdat we de last van de verzorging over diverse schouders kunnen verdelen, maak ik mijn vader tegen negenen wakker. Hij ligt beduusd onder zijn deken, maar is er nu wel aan gewend dat mensen die hij niet herkent zijn slaapkamer binnen komen, dus hij klaagt niet.
‘Wil je niet opstaan?’ vraag ik vriendelijk. En om een beetje optimisme te verspreiden voeg ik eraan toe: ‘Wat hebben we toch een mooi leven.’
Sceptisch werkt hij zich overeind. ‘Jij misschien wel,’ zegt hij.
Ik reik hem zijn sokken aan, met opgetrokken wenkbrauwen kijkt hij er een poosje naar en zegt dan: ‘Waar is de derde?’
Ik help hem bij het aankleden zodat de handeling niet eeuwig duurt, en hij laat het gewillig over zich heen komen. Daarna breng ik hem naar beneden, naar de keuken, waar hij zijn ontbijt krijgt. Na het ontbijt moedig ik hem aan zich te gaan scheren. Hij zegt schalks: ‘Ik had beter thuis kunnen blijven. Bij jou kom ik niet snel meer op bezoek.’
Ik wijs hem de weg naar de badkamer. Hij zingt: ‘Oje-oje, oje-oje…’ en probeert tijd te winnen.
‘Je hoeft je alleen maar even te scheren om er weer een beetje fatsoenlijk uit te zien,’ zeg ik.
Hij volgt me aarzelend. ‘Als je denkt dat dat helpt…’ mompelt hij, kijkt in de spiegel en strijkt met zijn beide handen fl ink over zijn rechtopstaande haar, en zijn haren gaan inderdaad liggen. Hij kijkt zichzelf opnieuw aan, zegt: ‘Bijna als nieuw’, glimlacht en bedankt me hartelijk.
De laatste tijd bedankt hij me heel vaak. Enkele dagen geleden zei hij zonder dat ik enig idee had waarop het sloeg: ‘Ik dank je bij voorbaat hartelijk.’
Op dat soort mededelingen reageer ik intussen tegemoetkomend: ‘Graag gedaan,’ of ‘Niets te danken,’ of ‘Ik doe het met plezier.’ Want de ervaring heeft geleerd dat bevestigende antwoorden, die mijn vader het gevoel geven dat alles in orde is, beter zijn dan vragen zoals vroeger stellen, die hem alleen maar beschaamden en onzeker maakten; niemand geeft graag antwoorden op vragen die, als hij ze al begrijpt, alleen maar tot het besef leiden dat hij tekortschiet.
Aanvankelijk waren die maatregelen om ons aan te passen pijnlijk en slopend. Omdat een kind meent dat zijn ouders sterk zijn en dat ze de moeilijkheden van het leven manmoedig tegemoet treden, zie je veel minder snel hun langzaam zichtbaar wordende zwakheden dan bij andere mensen. Maar intussen ben ik enigszins gewend geraakt aan mijn nieuwe rol. En ik heb ook geleerd dat je voor het leven van iemand die aan dementie lijdt, nieuwe maatstaven nodig hebt.
Als mijn vader iemand wil bedanken, moet hij dat vooral doen, ook zonder duidelijke aanleiding, en als hij erover wil klagen dat de hele wereld hem in de steek laat, moet hij vooral klagen, of zijn oordeel over de wereld van de feiten nu stand kan houden of niet. Voor hem is er geen wereld buiten de dementie. Als bloedverwant kan ik daarom alleen maar proberen de bitterheid van dat alles een beetje te verzachten door de chaotische werkelijkheid van de patiënt te respecteren.
Omdat mijn vader de afstand tot mijn wereld niet meer kan overbruggen, moet ik naar hem toe. Aan die andere kant, binnen de grenzen van zijn geestelijke gesteldheid, ver weg van onze samenleving die op zakelijkheid en effi ciency is gestoeld, is hij nog steeds een opmerkelijke man, en al is hij volgens algemene maatstaven niet altijd erg rationeel, hij is toch op de een of andere manier briljant. Er zwerft een kat door de tuin. Vader zegt: ‘Vroeger had ik ook katten, niet echt voor mij alleen, maar als vennoot.’
En als ik hem op een keer vraag hoe het met hem gaat, antwoordt hij: ‘Er gebeuren geen wonderen, maar er zijn tekens.’
En zinnen vanuit het niets, even onwaarschijnlijk en losgezongen van de realiteit als soms in een droom: ‘Zonder problemen is het leven ook niet makkelijk.’
Humor en wijsheid van August Geiger. Jammer alleen dat de taal langzaam uit hem wegsijpelt en dat ook de zinnen, waarbij je van verbazing even naar adem hapt, steeds zeldzamer worden. Het ontroert me wat daarbij allemaal verloren gaat. Het is alsof ik mijn vader in slow motion zie doodbloeden. Het leven sijpelt druppel voor druppel uit hem weg. De persoonlijkheid sijpelt druppel voor druppel uit zijn persoon weg. Nog steeds is het gevoel intact dat het mijn vader is die meegeholpen heeft mij groot te brengen. Maar de momenten dat ik mijn vader uit vroegere dagen niet herken, worden talrijker, vooral ’s avonds.
Het zijn de avonden die een voorproefje geven van wat de ochtend spoedig te bieden zal hebben. Want als het donker wordt, komt de angst. Dan dwaalt vader radeloos en rusteloos rond als een oude koning in ballingschap. Dan is alles wat hij ziet beangstigend, alles onbestendig, instabiel, bedreigd door de mogelijkheid dat het het volgende moment volkomen verdwenen is. En niets is zoals thuis.
Ik zit al een tijd in de keuken op mijn laptop aantekeningen te maken. In de woonkamer staat de televisie aan, en vader, die stemmen in de hal hoort, sluipt er op zijn tenen heen, luistert en mompelt een paar keer bij zichzelf: ‘Dat zegt me niets.’
Dan komt hij naar mij toe, in de keuken, en doet alsof hij toekijkt hoe ik zit te schrijven. Maar vanuit mijn ooghoeken merk ik dat hij hulp van mij verwacht.
‘Ga je niet een beetje tv-kijken?’ vraag ik.
‘Wat schiet ik daarmee op?’
‘Nou ja, wat ontspanning.’
‘Ik ga liever naar huis.’
‘Je bent thuis.’ ‘Waar zijn we dan?’
Ik noem straat en huisnummer.
‘Nou, ik kan hier nooit vaak geweest zijn.’
‘Je hebt het huis aan het eind van de jaren vijftig gebouwd en sindsdien woon je hier.’
Hij vertrekt zijn gezicht. De informatie die hij zojuist gekregen heeft, lijkt hem niet tevreden te stellen. Hij krabt in zijn hals: ‘Ik geloof je, maar niet zonder meer. En nu wil ik naar huis.’
Ik kijk hem aan. Hoewel hij zijn verwarring probeert te verbergen, kun je aan hem zien dat hij het op dat moment moeilijk heeft. Hij is onrustig, het zweet staat op zijn voorhoofd. De aanblik van deze man die elk ogenblik in paniek kan uitbreken, gaat me door merg en been.
De vreselijke indruk niet thuis te zijn is deel van het ziektebeeld. Ik heb als verklaring dat iemand die aan dementie lijdt het gevoel van geborgenheid verloren heeft door zijn ontreddering, en hij verlangt naar een plek waar hij die geborgenheid opnieuw ervaart. Maar omdat het gevoel van ergernis ook op de vertrouwdste plaatsen niet verdwijnt, valt zelfs het eigen bed uit als mogelijk thuis.
Om het met Marcel Proust te zeggen: de ware paradijzen zijn de paradijzen die je kwijt bent. Verandering van plaats heeft in zo’n geval geen verbetering tot gevolg, of het moest zijn louter door de afl eiding, die je even goed, zo niet beter, kunt bereiken door te gaan zingen. Zingen is opgewekter, demente mensen zingen graag. Zingen is iets emotioneels, een thuis buiten de tastbare wereld.
À propos zingen: er wordt vaak gezegd dat demente mensen net kleine kinderen zijn – er is bijna geen tekst over het onderwerp te vinden waarin die metafoor niet wordt gebruikt; en dat is ergerlijk. Want een volwassen mens kan zich onmogelijk achterwaarts ontwikkelen tot kind, omdat het tot het wezen van het kind behoort dat het zich voorwaarts ontwikkelt. Kinderen verwerven vaardigheden, demente mensen verliezen ze. De omgang met kinderen scherpt de blik voor vooruitgang, de omgang met demente mensen die voor het verlies. De waarheid is dat de ouderdom niets teruggeeft, het is een glijbaan, en een van de grootste zorgen die de ouderdom je kan geven is dat hij te lang duurt.
Ik zet de cd-speler aan. Mijn zus Helga heeft voor dit soort gelegenheden een verzameling volksliedjes gekocht. ‘Hoog op de gele wagen’ – ‘Witte zwanen, zwarte zwanen’. Vaak heeft dat foefje succes. We kwelen een halfuur aan één stuk door, de oude man doet af en toe zo zijn best dat ik in de lach schiet. Vader laat zich meeslepen, en omdat het toch al hoog tijd is, maak ik van de gelegenheid gebruik hem naar boven te loodsen, naar zijn slaapkamer. Hij heeft nu goede zin, hoewel hij tijd, ruimte en gebeurtenissen nog steeds slecht overziet; maar daar breekt hij zich op dat moment zijn hoofd niet over.
Het gaat niet om winnen, het gaat om doorstaan, denk ik, en de dag heeft mij intussen minstens zo uitgeput als mijn vader. Ik vertel hem wat hij moet doen, tot hij zijn pyjama aanheeft. Hij kruipt zelf onder de dekens en zegt: ‘Het belangrijkste is dat ik een plek heb om te slapen.’
Hij kijkt om zich heen, heft zijn hand en groet iemand die alleen hij kan zien. Dan zegt hij: ‘Ik houd het hier wel uit. Het is hier eigenlijk wel aardig.’

Copyright © Carl Hanser Verlag München 2011
Copyright Nederlandse vertaling © 2012 Wil Hansen
Auteursportret copyright © Isolde Ohlbaum

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum