Leesfragment: De prachtige onverschilligheid

27 november 2015 , door Sarah Hall
| | |

Vandaag verschijnt de verhalenbundel De prachtige onverschilligheid van Sarah Hall (vertaald door Wim Scherpenisse). Wij publiceren vanavond een uitgebreid fragment.

Van de schitterende uitgestrekte heidevelden in Cumbria, de dynamiek en hitte van een zomers Londen, tot een mysterieus meer in een Fins natuurgebied – Sarah Hall weet met buitengewone precisie en charme een indrukwekkend sfeerbeeld neer te zetten.

Haar personages zijn overlevers, je voelt hun opwinding en hun pijn. Zo zoekt een gefrustreerde  huisvrouw extremiteiten op en peinst een meisje over de dood van haar geliefde, bij allen komen duistere wensen en verlangens bovendrijven.

De prachtige onverschilligheid is een eerbetoon aan de mens met zijn diepgewortelde angsten en gebreken, zijn gewetensconflicten en schommelende gemoedstoestanden.

Met deze ontregelende en intens erotische verhalen bewijst Sarah Hall dat ze een van de grootste schrijvers van haar generatie is.

Deze bundel bevat het verhaal ‘Slagersparfum’ dat werd genomineerd voor de BBC National Short Story Award.

Slagersgeur

Later, toen ik haar beter kende, vertelde Manda dat ze er een keer twee meisjes tegelijk onder had gekregen voor de Cranemakers Arms in Carlisle. De truc was, zei ze, dat je er één vast moest houden, stevig vasthouden en er ondertussen flink op slaan. Wat de ander ook deed, op die eerste bleef je aan één stuk door timmeren en je liet haar nooit los, zodat de slet die haar handen vrij had zag dat je een pak rammel kon incasseren en tóch haar vriendin kleinkreeg. Dan drong het langzaam tot die doos door, zei Manda, hoe het zou gaan als haar vriendin tegen de grond ging en je háár in elkaar ging beuken zonder dat er een stomme teef aan je rug stond te sjorren om je in je bewegingen te belemmeren. Dikke kans dat je dan tegen die tweede helemaal niet meer hoefde te vechten. En als het er toch van kwam, was die tweede zo bang omdat jij nog op je benen stond nadat ze ongestoord op je had staan rammen, dat ze alle kneepjes vergat die ze kende.
Manda was de felste van allemaal. Dat had niets met haar lengte te maken – dat is nooit zo bij meisjes, want de lange slanke zijn vaak juist heel zachtaardig. Manda was klein, nog geen één meter zestig. Ze was ook niet plomp, breed in de heupen of bijzonder zwaargebouwd of gespierd. Het was iets in haar ogen. Ze had een blik die gemakkelijk ontvlamde, als een hond die zijn hele leven is vastgeketend en getrapt, geneigd aan te vallen om geen andere reden dan dat hij je heeft betrapt terwijl je zijn kant op kijkt. Je kunt niets anders doen dan bidden dat de ketting niet knapt. En het was iets in haar hoofd. Ze had niet zoals wij een zekering die haar tegenhield als ze haar vuist wilde opheffen. Daarom waren we allemaal bang voor haar. Daarom snelde haar naam haar vooruit – Manda Slessor – en als die naam viel voelde je je slecht op je gemak, je merkte dat er dingen aan de kant schoven omdat die naam het gesprek was binnengedrongen. Iedereen wist dat ze een taaie was. Dat was het eerste wat ze ooit over haar hadden gehoord. Het zat in haar familie.
De mensen zeiden dat ze zo was opgevoed, door die familie van haar. Er zat een hoop arrogantie en toekomstverwachting in de Slessors. Ze stonden bekend wegens gevangenisstraffen en het geld van de ijzerfabriek waarmee ze een groot huis boven het industriegebied van het stadje hadden gebouwd. Ze hadden de reputatie op elke leeftijd vruchtbaar te zijn, zaad te hebben dat altijd aansloeg en baarmoeders die altijd kinderen voortbrachten, van dertienjarigen die nog maagd waren geweest tot zogende traveller-grootmoeders van vijftig. De bewoners meenden te weten wie ze waren – men zei dat ze uit de oude razernij van het noorden waren gesmeed. Het waren geen veehandelaren of boeren en ze behoorden evenmin tot de kalme bewoners van de grensstreek van Engeland en Schotland. Hun voorouders waren travellers, ruziezoekers, honden- en paardenfokkers, brandstichters.
Het waren de mensen die de fakkels aanstaken als anderen zich in kelders en kuilen verstopten. Ze smeerden rottend vlees op hun bovenlijf en wachtten met hun baardhonden in het fort op de komst van de Schotten. Zij waren degenen die hoofden als trofee meenamen en er op straat mee voetbalden. Ze hadden Pictische harten die een verbond met een vijand sloten om te voorkomen dat ze werden afgeslacht, maar nooit het oorspronkelijke bloed van hun stam vergaten. En een generatie later, bij het keren van het tij in de Solway Firth, volgde er een afrekening. De mannen namen de wapens op. De vrouwen vlochten haar van wilde zwijnen door hun eigen haar. Ze vermoordden de zuigelingen van de vreemde verwekkers. Waar houdt de geschiedenis op, vroegen ze ons een keer op school. Bij de moslims, riep een slimmerik.
Je kunt net zo goed vragen waar het echte noorden begint.
De vader van het stel, Geordie Slessor, paradeerde door het stadje alsof hij de kroonprins was en versloeg bij de plaatselijke behendigheidsritten ieder jaar de Duke of Edinburgh met een drafteam van Heltondale Fell-pony’s die hij met zijn eigen hengsten fokte. Elk jaar in juni zag je hem met zijn groene Barbour- jasje achteroverhangend aan de teugels op de landwegen trainen. Hij was taai tot op het bot. De broers waren ook vechtjassen, alle drie, en hadden allemaal dezelfde ogen als Manda, een erfenis van hun traveller-moeder: felblauw, glanzend alsof ze gepoetst waren en omringd door doffe huid. Manda was de enige dochter, en zij had iets stoers en knoestigs dat boven het familiale uitsteeg; iets wat ze niet geërfd had en wat perfect was toegesneden op het slaan op andere oppervlakken. Je vindt me vast een stomme trut dat ik dat zeg. Maar soms vind je hier in het noorden een eigenaardig soort schoonheid. Die is te vinden op vergezochte plekken. In de rook van de brandstapels en de plassen op de vloer van het abattoir.
De Slessors waren dus berucht, maar afgezien daarvan wist ik niks van ze. Toen ik naar de middelbare school ging, kon ik alleen maar afgaan op de algemene opvattingen en de lucht die verkreukelde als hun naam werd genoemd. Ik was te laat om de bus naar huis nog te halen toen ik Manda’s groepje voor het eerst tegenkwam. Na de laatste bel was het schoolplein leeggelopen, afgezien van een kring van meiden bij de muur met kort, stug haar en de rokken hoog op de dijen. Hun hakken schuurden en schraapten over het asfalt. Ze hadden Donna Tweddle te pakken, na een week van kwellende beloften van straf voor iets waarmee ze hen had beledigd – pienterheid, uiterlijk, een jongen – hadden ze haar eindelijk klemgezet. Manda had haar bij de keel en Donna hing er slap bij als een konijnenvel, als aas. Manda’s kaak ging op en neer terwijl ze schold. Ze had een radheid van tong die ik verder alleen kende van bookmakers of bouwvakkers en zei dingen die ik alleen uit de mond van volwassen mannen had gehoord. Ze was luidruchtig bij alles wat ze deed, maar ze was er ook goed in.
Je bent een gemeen kutwijf, jij, zei ze tegen het meisje dat aan haar was overgeleverd. Ja toch?
Haar gezicht was niet mooi en vrolijk zoals jongens graag hebben dat een meisje eruitziet. Manda had een karakteristieke kop met die vurige ogen, en op haar vijftiende al een zware boezem, maar dat was het niet. Wat ze deed paste bij haar en deed haar oplichten, zoals een onopvallend iemand mooier wordt als hij zingt, als er opeens felle kleuren onder een doffe vleugel tevoorschijn lijken te komen.
Het meisje werd hard tegen het grindsteen van de muur gedrukt. Ik weet niet of ze eerder had geprobeerd tegen de aanval te protesteren of het op een akkoordje te gooien, maar nu stond ze daar roerloos. Toen gaf Manda haar een klap in haar gezicht. Dat was al vuurrood van de blos van haar paniek, maar na de scherpe pets van die leren hand werd het bijna oranje. De klap had geen echte schade aangericht. Manda wachtte tot Donna begon te huilen, en op dat moment verdween haar venijnigheid. Ze krabde aan een plekje onder haar kin en liet de hals van het meisje los, alsof ze ineens geen belangstelling meer had voor het afranselen van het kind. Alsof het haar niks meer kon schelen. Ook haar glans verdween. Tot dat moment had ze geschitterd. De meisjes van het groepje lachten en kwetterden nog een paar laatste bedreigingen naar Donna. Toen richtten ze hun aandacht op iets anders.
Ik was blijven staan. Ik was niet haastig verder gelopen, wat ik gezien de situatie had moeten doen. Manda Slessor keek ook naar mij. Ik zat in dezelfde klas als zij, maar ze kende me niet. Ik zat in een van de middelste rijen en was een grijze muis. Ik verwachtte dat ze me een duw zou geven of met opzet tegen mijn schouder zou stoten. Ze gaf anderen weleens een duw na een knokpartij als ze niet aan haar kant stonden, als ze nog woede in zich had. Ze zag me kijken. Ik wist dat ik dat beter niet kon doen, maar ik kon het niet helpen; ik moest er steeds maar aan denken hoe ze had geschitterd. Haar ogen wipten snel op en neer, namen me op, een taxerende blik van top tot teen waaruit bleek dat ze me niet geweldig vond maar dat ik haar ook niet bijzonder stoorde. Ik voelde de lucht overal om me heen, de zachtheid ervan en de bewegingsvrijheid die we er allebei in hadden. Haar mascara was na een hele dag uitgelopen in de hoeken. Haar ogen waren grijsblauw, olieachtig en vluchtig, klaar om weer op te vlammen en te branden. Maar er kwam geen vonk. Ze pakte haar canvas tas van de grond en liep straal langs me heen.

Ik kwam vaak in het huis van de Slessors, dat High Setterah heette. Ik ging zo vaak ik kon naar de familie toe, na schooltijd en in het weekend, want ik wilde niet in het dorp blijven waar ik vandaan kwam, bij mijn narrige vader en zonder ook maar één leeftijdgenoot in de buurt. Hoe het allemaal zo kwam, zou ik niet precies kunnen zeggen. Op een dag wás de vriendschap er opeens, in het begin een beetje scheef, als een jong boompje in de berm, later sterker en rechter. Misschien was ik gewoon iemand met wie ze het niet aan de stok kreeg en betekende dat dat we geen vijanden waren. Of misschien had ze die keer op het schoolplein iets aan me gezien wat haar beviel. Ze zag mijn bewondering.
Op een keer ving ze mijn blik toen ik naar haar keek terwijl ze een zakje chips at en het zout van haar vingers likte, en ze blies me door de kantine een kusje toe alsof ze dacht dat ik op haar viel. Zulke gekke, grappige dingen deed ze soms. Vervolgens kwamen we in de klas naast elkaar te zitten. Dat was het gevolg van het ongeduld van onze geschiedenislerares, die haar voortdurende gegiechel en gekeet op de achterste rij, naast Stacey Clark met de rollende ogen, spuugzat was. Naast mij was een plaats vrij omdat Rebecca Wilson zich niet lekker voelde, en Manda moest van plaats wisselen.
Ga daar zitten en gedraag je alsjeblieft, Amanda, zei mevrouw Thompson tot drie keer toe, telkens iets luider en iets wanhopiger.
Na wat gesputter op de pruilerige toon van een misdadiger die de vermoorde onschuld uithangt schoof ze haar stoel piepend naar achteren en beende naar mijn tafeltje. Ik zag haar voor het eerst van dichtbij en haar ogen waren, zoals mijn grootvader zou hebben gezegd, ‘glimmerig’: natglanzend als na een regenbui. Ze keek me lang aan. Ik wist dat het op dat moment met ons twee kanten op kon. Als je twee dieren in een klein hok opsluit, mogen ze elkaar en sluiten ze vriendschap, óf ze beginnen meteen te grommen en te bokken.
Manda boog zich naar me toe, klemde haar pen stevig en heel dicht bij de punt in haar hand, zoals een klein kind zou doen, en tekende een vlekkerige droedel op de opengeslagen bladzijde van mijn oefenboek. Dus krabbelde ik ook iets in het hare. Ik deed het zonder te aarzelen, páts. Ik zag dat ze met de punt van een passer een hartje in de huid van haar pols had gekrast, iets wat alleen de stoerste meiden deden. De schram was geel-rood opgebloeid, als een rottende roos tegen haar huid. Halverwege de les was haar ballpoint leeg, en ze pakte zonder het te vragen een andere uit mijn etui. Ze stopte hem terug toen ze klaar was.
Daarna genoten we een gunst. We waren het punt voorbij dat we alleen maar elkaars naam wisten, en in welke klas we zaten. We mochten nu in het voorbijgaan ‘Hoi’ tegen elkaar zeggen als onze andere vrienden erbij waren, bij de ingang van de school of in Castletown bij de fish-and-chipstent of in de speelhal. Niet dat Manda toestemming nodig had voor haar vriendschappen. Ze praatte met allerlei volk waarmee wij normaal niet mochten omgaan: de oudere, ruige arbeidersjongens die tussen de middag in hun auto’s met spoilers door het stadje reden en die haar broers kenden als drinkmaatjes; de eigenaar van en de dealers uit de Toppers-nachtclub, en de lange, gebruinde meisjes die er achter de bar stonden en de delicate balans tussen schoonheidskoningin en slet trachtten te behouden, en van wie werd gezegd dat ze zich na sluitingstijd heel geil voorover tegen de bar lieten nemen. In de oude markthallen praatte Manda brutaalweg met de heren van de renbaan in Carlisle met hun schaapsleren jasjes alsof het haar ooms waren, en dat hadden ze ook heel goed kunnen zijn.
En dan had je haar moeders familie, de buitenlandse neven die uit Ierland, Schotland of Man naar de behendigheidsritten kwamen en gevlekte pony’s, violen, geruchten over gejatte elektronica, rotzooi en niet-afgeloste schulden meebrachten. Na hun aankomst gonsde het elk jaar van het geroddel, dat voor de ene helft bestond uit discriminatie en voor de andere uit bijgeloof van een eeuw geleden. Dat het regenmakers en oogstvernielers waren. Dat ze vervloekingen uitspraken en het boze oog hadden. Dat ze ’s nachts de grens met Schotland overstaken, aangelokt door de galmende klokken van Bowness, waarvan werd beweerd dat die in hun natte graf in de Solway Firth begonnen te luiden als er rovers in de buurt waren, enzovoort enzovoort. Manda sloot zich bij het luidruchtige gezelschap aan, bietste sigaretten, roddelde en mocht mee op hun zwerftochten. Ze ging iedereen te lijf die binnen gehoorsafstand zei dat het smerige scharrelaars en rouwdouwers waren.
Zij had geen uitgebreid contract nodig om mij te leren kennen. Er kwam een dag dat ik met haar en een groepje vrienden in de lunchpauze naar het centrum liep voor een warme sandwich. Ik stond vlak bij hen in de garderobe op Rebecca te wachten, en ze trokken allemaal hun jas aan en zochten in hun portemonnee naar muntgeld. Haar gezicht was donker in de schaduwplas van haar capuchon en ze zei: Kom ook mee als je zin hebt, Kathleen.
Waarom heb je haar meegevraagd? vroeg een van de anderen met schorre stem.
Omdat ik jullie rotkoppen zat ben, antwoordde Manda.
Zij en ik liepen gearmd van het Agricultural Hotel naar het begin van Little Dockray. Iedereen zal wel naar ons kijken, dacht ik, en mijn hart sloeg dubbel zo snel.
De maand daarna hoorde ik vanuit de kamer ernaast hoe zij werd geneukt door een vriend van de familie, een jockey die getrouwd was en kinderen had. Ze rapporteerde dat zijn pik zo groot was als de Scafell Pike en dat zijn zaad langs haar been was gelopen. Zes weken later zat ik met haar in de kliniek toen ze twee abortuspillen slikte en hield ik haar schouders vast terwijl ze overgaf. Ze zei dat de verpleegster had gezegd dat ze niet moest kijken als ze naar de wc ging, maar ze had toch in de emmer bij haar voeten gekeken. Het leek niet op dat klonterige spul als je ongesteld was, het was gewoon een prop slangen. Ze zei dat haar moeder er nooit iets van te weten mocht komen, want die zou hebben gewild dat ze het kind hield.


© 2011 Sarah Hall
© 2012 Nederlandse vertaling Ambo | Anthos uitgevers
© Portret: Martin Figura

Uitgeverij Ambo|Anthos

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum