Leesfragment: De verliefden

30 juni 2012 , door Javier Marías
|

Een van de de zomerboeken van Athenaeum Boekhandel is Javier Marías' roman De verliefden (Los enamoramientos, vertaald door Aline Glastra van Loon). Dit weekeind kunt u in onze Nacht een uitgebreid fragment uit het eerste deel van dit boek lezen.

'De laatste keer dat ik Miguel Desvern of Deverne zag was ook de laatste keer dat zijn vrouw, Luisa, hem zag, hetgeen vreemd blijft en wellicht onterecht, want zij was zijn vrouw, en ik, daarentegen, was een vreemde.' Zo begint De verliefden, de nieuwe roman van Javier Marías, over de verschrikkelijke nasleep van onze daden en de onlogische kracht van de liefde. Maria Dolz, hoofdpersoon en verteller, is gefascineerd door een echtpaar dat ze elke ochtend tegenkomt in het café waar ze ontbijt. De twee stralen geluk uit en ze geven haar een goed gevoel. Maar dan wordt Miguel, de man, ineens op straat doodgestoken en komt zijn vrouw, Luisa, lange tijd niet naar het café. Als ze er na een paar maanden toch weer is raken de twee vrouwen bevriend, en Maria leert ook huisvriend Javier kennen, op wie ze stapelverliefd wordt. Als ze Javier op een avond met iemand hoort praten begint ze zich af te vragen of hij te vertrouwen is. De hevige verliefdheid maakt plaats voor angst en ze vermoedt zelfs dat hij een rol speelde in de dood van zijn vriend Miguel. De verliefden is een roman over de onmogelijkheid om de waarheid volledig te ontdekken, omdat die zo soepel met onze gedachten en emoties mee verandert.

 

Deel 1

De laatste keer dat ik Miguel Desvern of Deverne zag was ook de laatste keer dat hij gezien werd door zijn vrouw, Luisa, wat toch wel vreemd en misschien onrechtvaardig was, aangezien zij zijn vrouw was en ik daarentegen een onbekende die nog nooit een woord met hem had gewisseld. Zelfs zijn naam kende ik niet, die kwam ik pas te weten toen het al te laat was, toen hij op een foto in de krant stond, neergestoken en half uitgekleed en op het punt te veranderen in een dode, als hij dat al niet was voor zijn eigen afwezige bewustzijn dat nooit meer zou terugkeren; het laatste wat hij moet hebben beseft was dat men hem per vergissing en zonder reden met een mes te lijf ging, dat wil zeggen stompzinnig, en dat er bovendien niet één maar meerdere keren werd gestoken, genadeloos, om hem daar ter plekke van de aardbodem te laten verdwijnen en zonder pardon naar de andere wereld te helpen. Te laat voor wat, vraag ik me af. Eerlijk gezegd weet ik het niet. Pas als iemand doodgaat denken we dat het te laat is voor wat dan ook, voor alles - vooral om op hem te wachten - en schrijven we hem zonder meer af. Dat doen we eveneens met familieleden, ook al kost het ons veel meer moeite en treuren we om hen en blijft hun beeld in ons hoofd zitten als we op straat en door ons huis lopen, en geloven we lange tijd dat we er niet aan zullen wennen. Maar vanaf het begin weten we - vanaf het moment dat ze doodgaan - dat we niet meer op hen hoeven te rekenen, zelfs niet voor het alleronbeduidendste, voor een alledaags telefoontje of een domme vraag ('Heb ik de autosleuteltjes daar laten liggen?','Hoe laat zijn de kinderen vandaag weggegaan?'), voor niets. Niets is niets. Eigenlijk is het onbegrijpelijk, want het impliceert dat we zekerheden hebben, wat niet strookt met onze aard: de zekerheid dat iemand niet meer zal komen, niets meer zal zeggen, nooit meer een stap zal zetten - noch om dichterbij te komen noch om zich te verwijderen -, ons niet meer zal aankijken, zijn blik niet meer zal afwenden. Ik weet niet hoe we het kunnen verdragen en evenmin hoe we erbovenop komen. Ik weet niet hoe we het af en toe helemaal kunnen vergeten, als de tijd al is verstreken en ons heeft verwijderd van degenen die stil zijn blijven staan.
Maar ik had hem vele ochtenden gezien en horen praten en lachen, bijna elke ochtend gedurende een aantal jaren, op een vroeg maar niet al te vroeg uur, eigenlijk kwam ik meestal iets te laat op mijn werk om in de gelegenheid te zijn een tijdje tegelijk aanwezig te zijn met dat paar, niet met hem - laat daar geen misverstand over bestaan - maar met hen beiden, het waren zij beiden die me geruststelden en een aangenaam gevoel gaven voordat ik aan mijn werkdag begon. Ze werden bijna een noodzaak. Nee, dat is niet het juiste woord voor iets wat ons genoegen en kalmte verschaft. Misschien een voorteken, hoewel ook dat niet, want het was niet zo dat ik geloofde dat het me slecht zou vergaan op de dag dat ik niet samen met hen ontbeet, ik bedoel op afstand; alleen begon ik die in een minder goede bui of was ik minder optimistisch zonder de aanblik die ze me dagelijks boden, en dat was die van een ordelijke of zo men wil harmonieuze wereld. Of nou ja, die van een miniem fragment van de wereld dat slechts door heel weinigen werd aanschouwd, zoals dat het geval is met elk fragment of met elk leven, zelfs dat van hen die het meest in de schijnwerpers staan. Ik vond het niet prettig mezelf urenlang op te sluiten zonder hen te hebben gezien en geobserveerd, niet tersluiks maar discreet, het laatste wat ik zou hebben gewild was hen te storen of er de oorzaak van te zijn dat ze zich niet op hun gemak voelden. Hen verjagen zou onvergeef lijk zijn geweest en bovendien zou ik mezelf erdoor benadelen. Het deed me goed dezelfde lucht in te ademen als zij, of deel uit te maken van hun ochtendlandschap - een onopgemerkt deel - voordat ze afscheid namen tot vermoedelijk de volgende maaltijd, die op veel dagen misschien al het avondeten was. Die laatste dag dat zijn vrouw en ik hem zagen, konden ze het avondeten niet meer samen gebruiken. Zelfs de lunch niet. Twintig minuten heeft zij in een restaurant op hem zitten wachten, verwonderd maar zonder angst, totdat haar telefoontje ging en haar wereld instortte en ze nooit meer op hem zou wachten.

Vanaf de eerste dag viel het me op dat het om een echtpaar ging, hij tegen de vijftig en zij een aantal jaren jonger, waarschijnlijk nog geen veertig. Het leukste aan hen was dat je kon zien dat ze het samen zo naar hun zin hadden. Op een tijdstip waarop bijna niemand ergens voor in de stemming is, en al helemaal niet om te lachen en geintjes te maken, praatten zij honderduit, amuseerden en stimuleerden elkaar, alsof ze elkaar net hadden ontmoet of zelfs hadden leren kennen, niet alsof ze samen van huis waren gegaan, de kinderen naar school hadden gebracht, zich tegelijkertijd hadden opgeknapt - misschien in dezelfde badkamer -, wakker waren geworden in hetzelfde bed, en alsof het eerste wat ieder van hen gezien had de vanzelfsprekende aanwezigheid van de ander was, en dat dag in dag uit gedurende heel wat jaartjes, want hun kinderen, die een paar keer met hen meekwamen, moeten ongeveer acht en vier jaar zijn geweest, een meisje en een jongetje, dat sprekend op zijn vader leek.
De elegantie waarmee de laatste zich kleedde was een tikkeltje ouderwets, maar zeker niet belachelijk of anachronistisch. Ik bedoel dat hij altijd goed gekleed ging, bij elkaar passende kleren droeg, maatoverhemden, dure, eenvoudige stropdassen, een lefdoekje dat uit het borstzakje van zijn colbert stak, manchetknopen en gepoetste zwarte veterschoenen - of suède schoenen, aan het einde van de lente, als hij lichte pakken droeg - en dat zijn handen waren gemanicuurd. Ondanks dit alles maakte hij niet de indruk van een opschepperige manager of een patser. Hij leek eerder een man wiens opvoeding hem niet toestond anders gekleed de straat op te gaan, althans niet op een werkdag; bij hem was het iets vanzelfsprekends, alsof zijn vader hem had geleerd dat dat zo hoorde, vanaf een bepaalde leeftijd, onafhankelijk van de modes, die al verouderd zijn als ze ontstaan, en van de sjofele huidige tijden, waar hij zich niets van hoefde aan te trekken. Hij was zo klassiek dat ik nooit ook maar één extravagant detail aan hem ontdekte; hij wilde niet origineel zijn, hoewel hij dat uiteindelijk toch een beetje werd in dat café waar ik hem altijd zag, en zelfs in onze nonchalante stad. Het effect van ongekunsteldheid werd nog versterkt door zijn karakter, dat onmiskenbaar hartelijk en vrolijk was, maar niet joviaal (dat was hij bijvoorbeeld niet tegenover de obers die hij met u aansprak en op een ongebruikelijk vriendelijke manier behandelde, zonder familiair te worden); eigenlijk was het zijn frequente, bijna al te luidruchtige lach die een beetje opviel, maar in geen enkel geval aanstootgevend was. Hij kon lachen en deed dat hard, maar op een eerlijke, sympathieke manier, nooit alsof hij vleide of een toegeeflijke houding aannam, eerder alsof hij altijd reageerde op dingen die hij echt leuk vond, en dat waren er veel, een genereus mens, bereid om de komische kant van situaties te zien en grappen te waarderen, althans verbale. Misschien was het zijn vrouw die hij zo amusant vond, in haar geheel, er zijn mensen die ons aan het lachen maken ook al nemen ze zich dat niet voor, dat lukt hun vooral doordat ze ons opvrolijken met hun aanwezigheid, en dan is een kleinigheid voldoende om ons te laten lachen, we hoeven hen alleen maar te zien, in hun gezelschap te vertoeven en naar hen te luisteren, ook al zeggen ze niets bijzonders of is hun verhaal zelfs met opzet een aaneenschakeling van nonsens en gekkigheden, die we desondanks allemaal leuk vinden. Zo leken zij voor elkaar te zijn; en hoewel het duidelijk een getrouwd stel was, betrapte ik hen nooit op een zoetig, aanstellerig of zelfs bestudeerd gebaar, zoals je ziet bij sommige paren die al jaren samenwonen en zo nodig moeten laten zien hoe verliefd ze nog zijn, alsof dat een verdienste is die hen waardevoller maakt of een versiersel dat hen verfraait. Het was veeleer alsof ze elkaar wilden plezieren en sympathiek vinden dan dat het hofmakerij betrof; of alsof ze al voor hun huwelijk, of zelfs voordat ze een paar vormden, zo veel waardering en genegenheid voor elkaar voelden dat ze onder elke willekeurige omstandigheid elkaar spontaan zouden hebben gekozen - niet uit echtelijke plicht, noch uit gemakzucht of gewoonte en zelfs niet uit trouw - als partner of metgezel, vriend, gesprekspartner of medeplichtige, in de overtuiging dat alles, wat er ook mocht gebeuren of zich voordoen, wat er ook verteld of aangehoord moest worden, altijd minder interessant of amusant zou zijn met een derde. Zonder haar in het geval van hem, zonder hem in het geval van haar. Er was kameraadschap, en bovenal overtuiging.

Miguel Desvern of Deverne had prettige gelaatstrekken die iets charmant mannelijks uitstraalden, wat hem van een afstand aantrekkelijk maakte en me ertoe bracht te veronderstellen dat hij in de omgang onweerstaanbaar was. Waarschijnlijk trok hij eerder mijn aandacht dan Luisa, of was hij het die me dwong ook op haar te letten, aangezien ik haar weliswaar vaak zag zonder haar man - die verliet het café eerder en zij bleef bijna altijd nog even zitten, soms terwijl ze in haar eentje een sigaret rookte, soms met een of twee collega's of moeders van de school of vriendinnen, die zich een enkele keer op het laatst bij hen voegden, als hij al op het punt stond om afscheid te nemen - maar hem nooit heb gezien zonder zijn vrouw. Voor mij bestaat het beeld van hem in zijn eentje niet, alleen dat van hen samen (dat was een van de redenen waarom ik hem in het begin niet herkende in de krant, dat Luisa niet bij hem was). Maar onmiddellijk begon ik me voor hen beiden te interesseren, als dat het juiste werkwoord is.
Desvern had kort, dik en erg donker haar, alleen grijzend aan de slapen, waar het er een beetje kroeziger uitzag (misschien zouden er, als hij zijn bakkebaarden had laten staan, een paar ongepaste pijpenkrullen zijn verschenen). Zijn blik was kalm en toch levendig en vrolijk, met een sprankje naïviteit of kinderlijkheid als hij luisterde, de blik van iemand die het leven gewoonlijk amusant vindt, of die niet bereid is het te laten verstrijken zonder te genieten van de duizend grappige aspecten die het behelst, zelfs te midden van moeilijkheden en tegenspoed. Weliswaar had hij daar waarschijnlijk erg weinig last van gehad, vergeleken met wat de mensen doorgaans overkomt, en dat moest ertoe hebben bijgedragen dat zijn ogen zo argeloos en glimlachend waren gebleven. Ze waren grijs en leken alles op te nemen alsof het nieuw was, zelfs wat zich dagelijks onbetekenend herhaalde, dat café aan het hooggelegen deel van de Principe de Vergara met zijn obers en mijn zwijgende persoontje. Hij had een kuiltje in zijn kin en dat deed me denken aan een dialoog uit een film waarin een actrice aan Robert Mitchum of Gary Grant of Kirk Douglas - dat herinner ik me niet - vraagt hoe hij het klaarspeelt om zich daar te scheren, terwijl ze het met haar wijsvinger aanraakt. Ik had elke morgen zin om van mijn tafeltje op te staan, naar Deverne toe te lopen, hem hetzelfde te vragen en op mijn beurt het zijne met mijn duim of wijsvinger aan te raken, vluchtig. Hij was altijd heel goed geschoren, inclusief het kuiltje.
Zij letten veel minder op mij, oneindig veel minder dan ik op hen. Ze bestelden hun ontbijt aan de bar en zodra dat geserveerd was namen ze het mee naar een tafel voor het grote raam aan de straatkant, terwijl ik aan een tafel verder achterin plaatsnam. In de lente en de zomer gingen we allemaal op het terras zitten en gaven de obers de consumpties aan ons door via een open raam ter hoogte van de bar, wat heen en weer geloop met zich meebracht en meer visueel contact, het enige wat er was. Zowel Desvern als Luisa wisselde wel eens een blik met mij, louter uit nieuwsgierigheid, zonder opzet en zonder die lang aan te houden. Hij keek nooit naar me op een insinuerende, bestraffende of arrogante manier, dat zou een teleurstelling zijn geweest, en zij gaf evenmin ooit blijk van wantrouwen, superioriteit of afstandelijkheid, dat zou ik vervelend hebben gevonden. Het waren zij beiden die bij me in de smaak vielen, zij samen. Ik observeerde hen niet met afgunst, dat was het zeker niet, eerder met opluchting omdat ik vaststelde dat er in het echte leven iets kon bestaan wat mijns inziens een perfect paar moest zijn. En dit laatste werd nog versterkt door de mate waarin het uiterlijk van Luisa niet paste bij dat van Deverne, wat betreft stijl en kleding. Naast een man die er zo verzorgd uitzag als hij, zou je een vrouw hebben verwacht die net zo klassiek en elegant gekleed ging, hoewel dat a priori geen vereiste was, een vrouw die meestal een rok en hooggehakte schoenen droeg, kleren van Celine bijvoorbeeld, en oorhangers en armbanden die opvallend waren maar van goede smaak getuigden. Daarentegen wisselde zij een sportieve stijl af met een andere waarvan ik niet weet of ik die gedurfd of nonchalant moet noemen, in elk geval zonder frutsels en fratsels. Ze was net zo lang als hij, had een donkere huid, halflang kastanjebruin, bijna zwart haar, en maakte zich heel bescheiden op. Als ze een broek droeg - vaak een spijkerbroek - combineerde ze die met een conventioneel jack en laarzen of platte schoenen; bij een rok droeg ze schoenen met een halfhoge hak zonder versiering, bijna dezelfde als die door veel vrouwen in de jaren vijftig werden gedragen, of 's zomers elegante sandalen die een paar slanke voeten toonden die klein waren voor haar lengte. Ik heb haar nooit met een juweel gezien en de tassen die ze droeg waren schoudertassen. Ze zag er net zo sympathiek en vrolijk uit als hij, hoewel haar lach minder welluidend was; maar even spontaan en misschien warmer, met haar stralende gebit dat haar gezicht iets kinderlijks gaf - ze moest sinds haar vierde jaar op dezelfde manier hebben gelachen, zonder dat ze er iets aan kon doen -, of het waren haar wangen, die rond werden. Het was alsof ze hadden afgesproken samen even op adem te komen voordat ze allebei naar hun werk gingen, na de ochtenddrukte van een gezin met kleine kinderen. Een tijdje voor henzelf, om elkaar niet los te laten te midden van het gejakker en nog even geanimeerd te praten, ik vroeg me af waar ze het over hadden of wat ze elkaar vertelden - hoe kon het dat ze elkaar zo veel te vertellen hadden als ze samen naar bed gingen en opstonden en elkaar waarschijnlijk op de hoogte hielden van hun gedachten en wederwaardigheden -, van hun gesprek ving ik alleen maar fragmenten of losse woorden op. Op een keer hoorde ik dat hij haar 'prinses' noemde.
Ik wenste hun bij wijze van spreken alle goeds van de wereld, zoals je dat doet met de personages van een film of een roman voor wie je van het begin af aan partij hebt gekozen, al weet je dat hun iets ergs zal overkomen, dat er op een zeker moment iets mis zal gaan, omdat er anders geen film of roman zou zijn. In het echte leven hoefde dat echter niet zo te zijn en ik verwachtte hen elke morgen te blijven zien zoals ze waren, niet op een dag te hoeven ontdekken dat er een eenzijdige of wederzijdse vervreemding was ontstaan en dat ze niet wisten wat ze moesten zeggen, ernaar verlangden elkaar uit het oog te verliezen, met een gezicht dat over en weer irritatie of onverschilligheid uitdrukte. Ze waren het korte, simpele schouwspel dat me een goed humeur bezorgde voordat ik de uitgeverij binnenging om de strijd aan te binden met mijn megalomane baas en zijn lastige schrijvers. Als Luisa en Desvern een paar dagen afwezig waren, miste ik hen en zag ik meer op tegen de werkdag die voor me lag. In zekere zin had ik het gevoel dat ik bij hen in het krijt stond, want zonder dat ze het wisten of wilden hielpen ze me elke dag en stonden ze me toe te fantaseren over hun leven dat me smetteloos toescheen, zozeer dat ik blij was niet te kunnen nagaan of uit te zoeken of dat zo was, en op die manier mijn tijdelijke betovering niet te verbreken (het mijne vertoonde vele smetten en eerlijk gezegd dacht ik niet meer aan hen tot de volgende morgen, als ik in de bus het vroege opstaan vervloekte, dat me de das omdoet). Ik zou hun graag iets dergelijks hebben geboden, maar dat zat er niet in. Zij hadden waarschijnlijk niemand nodig, dus ook mij niet, ik was vrijwel onzichtbaar, uitgewist door hun tevredenheid. Slechts een paar keer had hij, toen hij wegging na Luisa de gebruikelijke kus op haar mond te hebben gegeven - zij wachtte nooit zittend op die kus, maar stond op om hem die terug te geven -, een vage hoofdbeweging naar mij gemaakt, bijna een buiging, nadat hij zijn hals had uitgerekt en zijn hand half had opgestoken om de obers gedag te zeggen, alsof ik een van hen was, maar dan vrouwelijk. Zijn vrouw, die dat had opgemerkt, maakte een soortgelijk gebaar naar mij toen ik wegging - altijd later dan hij en eerder dan zij - dezelfde beide keren dat haar man op die manier zijn respect had betuigd. Maar toen ik met mijn nog lichtere buiging de hunne wilde beantwoorden, had zowel hij als zij hun blik al afgewend en zagen ze me niet. Zo snel waren ze, of zo voorzichtig.

[...]

Uitgeverij Meulenhoff

MINDBOOKSATH : athenaeum