Leesfragment: De wet van de haat

27 november 2015 , door Alberto Garlini
| | | |

24 september verschijnt Alberto Garlini's 'overdonderende roman in de traditie van Jonathan Littells De welwillenden en Fjodor Dostojevski’s Misdaad en straf': De wet van de haat. Wij publiceren voor: 'Voorafgaand aan elke zitting slaat een carabiniere zijn wapenstok tegen het traliewerk. Het is een provocatie, Franco heeft zijn gezicht goed in zijn geheugen geprent. Je weet maar nooit. De spijlen voor zijn ogen vormen wel een hindernis, maar geen definitieve hindernis. Al wordt hij veroordeeld, vroeg of laat zal hij de gevangenis verlaten. Wraak blijft mogelijk.'

De wet van de haat is een sensationele en taboedoorbrekende roman die zich afspeelt in de enerverende anni di piombo (de ‘loden jaren’ zestig tot tachtig van de vorige eeuw), toen Italië werd geteisterd door moord- en bomaanslagen.

Tijdens de studentenopstanden in 1968 vecht rechtenstudent en neofascist Stefano Guerra in de universiteitswijk van Rome tegen de communisten, en daar maakt hij een fatale fout: hij doodt per ongeluk een onschuldige communistische jongeman van zijn leeftijd, Mauro. Deze toevallige misdaad heeft desastreuze gevolgen voor de rest van zijn leven. Franco, de leider van de neofascisten, is degene die Stefano aantreft bij het dode lichaam van Mauro, en hij gebruikt deze kennis als chantagemiddel tegen Stefano om hem in te kunnen zetten bij de meest gewelddadige en wrede acties. Stefano wordt verliefd op Antonella, de zus van Mauro, maar hij kan haar niet vertellen dat hij schuldig is aan de dood van haar broer uit angst haar te verliezen. Hoe meer aanslagen Stefano pleegt om verzekerd te zijn van Franco’s stilzwijgen, hoe meer zijn naam bezoedeld wordt en hoe moeilijker hij nog kan ontsnappen aan de keten van geweld waarin hij terecht is gekomen.

De wet van de haat is een rijk geschakeerde en intense roman over het Italiaanse fascistische terrorisme en een ontroerend coming of age-verhaal over een onmogelijke liefde, over verraad en wraak. Alberto Garlini is een buitengewone verhalenverteller die opvalt door zijn meesterlijke verteltechniek, zijn scherpe psychologische observaties en zijn levendige, snelle en vaak humoristische dialogen.

Eerste hoofdstuk – Milaan, mei 1985

Voorafgaand aan elke zitting slaat een carabiniere zijn wapenstok tegen het traliewerk. Het is een provocatie, Franco heeft zijn gezicht goed in zijn geheugen geprent. Je weet maar nooit. De spijlen voor zijn ogen vormen wel een hindernis, maar geen definitieve hindernis. Al wordt hij veroordeeld, vroeg of laat zal hij de gevangenis verlaten. Wraak blijft mogelijk. Hoe snijden ze hier in Milaan in een straftijd? Het snijden dat de huid openlegt zijn ze misschien vergeten, nu ’s lands economie zo’n hoge vlucht neemt en de modeontwerpers oreren op televisie. Die malloten van jochies die rondparaderen met teksten op hun shirtjes. Franco heeft in zijn leven twee stel kleren gehad. Die waren niet of voor het werk of voor een feest, zoals bij zijn vader en zijn vaders vader. Een was voor de actie en een voor het woord. Een om te doden en een om te onderhandelen.
Wie zegt dat er meer bestaat, liegt. Vrienden en vijanden. Meer niet. Al naargelang de kleren.
Bij maar één omstandigheid heeft Franco niet geschoten, en voor die aarzeling boet hij nog steeds. Er zijn momenten dat je niet weet wat jemoet kiezen: ze zijn zo harmonieus dat een kleine verandering al innerlijk, diep verlies betekent. Aarzelen lag hem niet zo: in geval van twijfel liever schieten, beledigingen kon je maar beter serieus nemen.
Het huisje op het land, de stank van kruitdamp en olie, de verroeste tractor. Stefano zat op zijn knieën op het stro: hij zei dat hij het zou overdoen, en hij zou het overdoen. Stefano haalde elk plan overhoop, zijn stijl als man hield in dat hij binnen een seconde gewelddadig kon worden. Hij was echter te sturen, hij bezat de gave van het noordelijk licht en hij was zo trouw als de ss Charlemagne. Blond, smal, mager. Half engel, half slang. Een nooit opgegroeide plattelandsjongen. Op het juiste moment had hij vier kerels opgeblazen. Trotyl, treklont en boem. Een naïeve, maar geslaagde operatie. Bij eentje was zijn hand eraf gevlogen, zeven meter verderop. Franco moest Stefano dankbaar zijn voor de explosie, maar terwijl de onderzoeken op een verkeerd spoor werden geleid, had hij jacht op hem gemaakt. Hij zou doen of hij zijn dood wilde, daarna zou hij doen of hij hem vergaf. Hij wilde hem aan zich binden, definitief. Het was geen kwestie van al dan niet sterven. In die jaren was iedereen bereid te sterven, op die basis werd er gewerkt.
De Tibetanen vieren de begrafenis van de hemel. Ze snijden het lijk van de overledene in stukken en geven die aan de gieren. Het is een langdurige ceremonie van hogere beenhouwerij. Op het laatst blijven alleen de botten over, helemaal schoon gepikt. Op zijn knieën in dat plattelandswoninkje leek Stefano op een vlucht verzadigde gieren, op de lange zwarte kringen in de lucht van de Himalaya. De grote ariaanse wijzen. Er bestaat een andere kijk op de wereld. Handen met bloed eraan helpen je je blik bij te stellen.
Het is niet fatsoenlijk dat er tien jaar na zijn dood nog over Stefano gepraat moet worden als op een keurig bidprentje, als de enige goeie fascist. In de kranten wordt hij beschreven als de ‘zwarte held’, hij krijgt ‘een beschaving van extreem rechts’ toebedeeld, waarvan hij de enige gezonde drager zou zijn. Bovenal valt het eervolle woord ‘strijder’. Als Franco die dag had geschoten in plaats van zich in de Arische werkelijkheid te verliezen, had je deze kooi en dit proces en een hele hoop problemen niet gehad. Maar Stefano verspreidde een oorspronkelijk licht dat verbaasde en verontrustte en de eeuwen oversteeg als een hoog opgegooide lans. En Franco had de trekker niet overgehaald.
Als hij wordt meegenomen om zijn getuigenis af te leggen, valt er een streep zonlicht op de linoleumvloer. De celdeur staat al open. Hij daalt een trapje af, neemt plaats. Een zoom van zijn jasje blijft achter de metalen armleuning haken, hij trekt het weer recht. De microfoon lijkt ver weg, maar als Franco groet, herkent hij zijn eigen hoge, sterke stemgeluid in de rechtszaal. Na de identificatie begint het verhoor.
‘Hoe zou u uw betrekkingen met Stefano Guerra omschrijven?’ vraagt de rechter. Hij ziet er even schraal en benig uit als een middeleeuwse inquisiteur.
Franco herstelt zich. ‘Verschillend in de loop van de tijd.’
‘Begint u maar bij het begin.’
‘We hebben elkaar leren kennen in 1968, in Valle Giulia. En onze vriendschap werd hechter op 16maart van datzelfde jaar: met de gevechten bij rechten.’
‘Hebt u deelgenomen aan de schermutselingen in Valle Giulia?’
‘Schermutselingen? U noemt dat schermutselingen… Er leefde hoop, er heerste woede. Een nieuw tijdperk dat aanbrak aan het eind van de duistere tijd.’
‘Hebt u beiden meegedaan?’
‘Jazeker. Dat is Geschiedenis. Ik en heel mijn organisatie. We hadden onszelf een paar jaar eerder opgeheven, maar we bestonden nog in steuncellen.’
‘Het klinkt gek, als ik aan ’68 denk, vallen mij geen zwarte vlaggen en liederen voor de Duce te binnen.’
‘Dan moet u misschien anders denken.’
‘Wat hebt u met ’68 te maken? Bent u als groep nu fascisten of niet?’
‘U kunt mij vertrouwen.’
‘Een vermeende moordenaar is lastig te vertrouwen.’
‘Vermeende, edelachtbare, dat zei u goed… Vermeende.’

 

Copyright © 2012 Alberto Garlini
Copyright Nederlandse vertaling © 2012 Jan van der Haar
Copyright auteursportret © Laura Pagliara

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum