Leesfragment: Dit mooie leven

27 november 2015 , door Helen Schulman
| |

5 april verschijnt Helen Schulmans Dit mooie leven (This Beautiful Life, vertaald door Marja Borg). Wij publiceren voor.

Wanneer de familie Bergamot naar New York verhuist lacht het leven hen toe. Richard heeft een droombaan aan de universiteit, zijn vrouw Liz kan zich na jaren hard werken gaan richten op de verzorging van haar kinderen, hun zoon Jake maakt meteen vrienden op zijn elite school en ook hun jongste dochter Coco vindt snel haar draai. Ze zijn een personificatie van de American Dream. Maar schijn bedriegt.

Haar mond vulde het scherm. Donkerrode lipgloss, glimmende beugel.
‘Vind je me nu nog steeds te jong?’
Toen ze zich vooroverboog, ving de vaste lens van de camera wat puistjes op haar wang op, een kometenwolkje. Haar haren waren wit gebleekt, met een flinke blonde uitgroei en het meeste ervan had ze in een slordige paardenstaart gebonden, boven de drie plastic ringetjes in het randje van haar oor.
De muziek begon: ‘I love to love you, baby’ van Beyoncé. Ze deed een stap opzij, waardoor haar kamer in al zijn rommelige glorie in beeld kwam. Boven het bed hing een schilderij van een madeliefje. Op het nachtkastje stond een grote lavalamp te borrelen en druipen.
Buiten beeld giechelde ze. Plotseling werd het scherm gevuld met wervelende groengeruite stof. Filmstroken van kleur in messcherpe plooien. Haar korte rokje zwaaide mee met haar ronde heupen. Boven de tailleband had zich een ivoorkleurig vetrolletje genesteld. Ze droeg een wit tanktopje, dat ze uittrok. Haar handen schoten meteen naar de cups van haar zwarte beha. Ze had kleine borstjes, die ze eerst met haar vingers bedekte, gespreide vingers als kamschelpen. Toen maakte ze het haakje aan de voorkant los en de borstjes floepten uit de beha, alsof ze aan springveertjes zaten. In een soort waaierdans bewoog ze haar handen onder de zoom van haar rokje en trok het omhoog.
Ze had het allemaal voor hem gedaan. Om hem te behagen. Om hem te laten zien dat hij zich vergiste. Ze pakte de speelgoedhonkbalknuppel en het was moeilijk om te blijven kijken naar wat er daarna gebeurde, zelfs als je wist wat er kwam.
Behalve dat het niet moeilijk was.

 

Het was allemaal begonnen met een feest, zoals zo vaak met dingen van belang.
Twee feesten. Beide kinderen van Elizabeth Bergamot had den een feest. Jake, de oudste – halflang bruin haar dat plotseling tot op zijn sleutelbeenderen hing, modderig groene ogen – moest het die avond natuurlijk zelf maar uitzoeken. Zijn feest was ergens in de Bronx, in Riverdale, in de buurt van zijn school. De vrijdag daarvoor was hij vijftienenhalf geworden. Het was eigenlijk nogal belachelijk dat ze deze steeds minder belangrijke mijlpaal – zijn halve verjaardag – nog steeds vierden, met een halve taart en een half cadeau. Richard, de man van Liz, was tien jaar geleden met dat hele gedoe begonnen; tot ieders verrassing was hij toen thuisgekomen met een half spel kaarten en hadden de andere zesentwintig de volgende ochtend als door een wonder onder het kussen van de jongen gelegen.
‘Hij wordt vijfenhalf op Cinco de Mayo,’ had Richard als verklaring aangevoerd. ‘Dat moeten we toch vieren?’
Aangezien het gebaar erg ontroerend en lief en vaderlijk was en Richard ook nog eens Californiër van geboorte was, was Liz ervan uitgegaan dat hij het belang van dat soort dingen, van die Mexicaanse dingen, wel kon inschatten. Bovendien leek het wel grappig – een grappige familietraditie! Ondanks generaties aan bewijzen van het tegendeel was dat precies waar Liz altijd naar had gehunkerd: familieleden als troost, het gezin als toevluchtsoord, een plek om je te kunnen terugtrekken uit de grote, boze buitenwereld.
Afgelopen vrijdag, op Cinco de Mayo, had Jake ’s ochtends bij zijn cornflakes een halve bos autosleutels gekregen. De daadwerkelijke sleutel tot het koninkrijk zou hem, samen met het geld voor rijlessen, worden overhandigd in november, op zijn echte verjaardag.
Voor het feest van vanavond zou Jake dus zijn toevlucht moeten nemen tot een mix van openbaar vervoer – bus, metro, bus, metro, metro, taxi – hoewel er natuurlijk altijd de kans bestond dat een andere troetelmoeder à la Liz hem naar huis zou brengen met de auto. Liz zelf had andere bezigheden. Dus moest hij het zelf maar uitzoeken.
Liz keek naar Jake die over zijn ontbijt (twee kommen cornflakes, een yoghurtje én een boterham met pindakaas) gebogen zat en had de indruk dat hij in deze ene week tijd alweer een paar centimeter was gegroeid. De kromming van zijn rug leek zo lang. Het was alsof er plotseling drie extra wervels aan de trap van zijn ruggengraat waren toegevoegd. Tegenwoordig had Liz vaak de indruk dat Jake voor haar ogen groeide, zoiets als een klimplant misschien, net als toen hij een baby was en Richard, toen nog een met ontzag vervulde jonge vader, steeds foto’s van hem had genomen terwijl hij sliep, in een poging het fenomeen vast te leggen, alsof Jake Bigfoot was, of een of ander buitenaards wezen.
Wat haar andere kind betrof – Coco, haar jongste – die had ouderlijke begeleiding nodig voor haar kindersoireetje, de verjaardag van een zesjarige, in het Plaza Hotel nota bene, en aansluitend blijven slapen! Liz was tot vorig jaar, toen ze wat had gedronken in de Oak Room terwijl Richard een sollicitatiegesprek had met de universiteit, slechts één keer in haar hele leven in het Plaza geweest, omdat ze nodig had moeten plassen. Ze vond het echt een giller dat ze er nu naartoe ging als Coco’s chaperonne. Coco deed dit jaar voor de tweede keer de kleuterklas, een vereiste voor haar toelating tot Wildwood Lower waar ze haar hadden ingeschreven toen ze naar de stad verhuisden. Een privéschool. Een appartement in Manhattan. Het Plaza. Liz, geboren en getogen in de Bronx, in de hoogbouw van Co-op City, kon soms nauwelijks bevatten dat haar leven zo was veranderd.
In Ithaca, waar ze de afgelopen tien jaar hadden gewoond en echt behoorlijk gelukkig waren geweest – de hoge vlucht die Richards carrière aan Cornell had genomen, Liz die af en aan wat deed op de faculteit Kunstgeschiedenis, de adembenemende schoonheid van de omgeving van de campus, het kalme leven van alledag – was de onstuitbare kleine Coco altijd het stralende middelpunt geweest. Hier in New York was Coco zowel een slecht voorbeeld als ontzettend populair. De afgelopen zeven maanden had ze meer uitnodigingen gekregen, en voor chiquere gelegenheden (boottochtjes rond Man hattan, films in Soho House, zoveel eten als je maar kunt in Dylan’s Candy Bar) dan Liz in haar hele leven.
Coco was een van de drie geadopteerde Chinese meisjes in haar klas – van wie er nog eentje Coco heette. Hun Coco was nu Coco B., zoals Liz tijdens haar middelbareschooljaren Elizabeth C. (geboren Cohen) was geweest. De bedoeling van de naam Coco was juist geweest om die initiaal te vermijden, maar toch was hij er, als een wrat op het puntje van een neus. De arme Jake was zo lang en zo vaak Jake B. geweest, in Ithaca en nu in New York weer, dat sommige jongens op Wildwood Upper hem Jacoby waren gaan noemen – zoals die advocaten op klantenjacht die, tot Liz’ verbazing, na al die jaren nog steeds in de metro adverteerden: ‘Aangereden door een vrachtwagen? Bel Jacoby and Meyers.’ (Maar wat als je alleen maar het gevoel had dat je was aangereden door een vrachtwagen, vroeg Liz zich af. Wat als je dag in, dag uit het gevoel had dat je was aangereden door een vrachtwagen? Kon je dan ook Jacoby and Meyers bellen?)
De lange, magere Jake was uitgegroeid tot een slungel, maar dan een met schouders. Mannenschouders. Liz vroeg zich af van wie hij zijn schouders had toen hij in de smalle keuken langs haar heen schoof om zijn cornflakeskom in de gootsteen te zetten, terwijl ze voor zichzelf een tweede kop koffie inschonk. Toen hij weer rakelings langs haar heen liep, moest ze de aanvechting onderdrukken om die schouders aan te raken. In plaats daarvan stopte ze, terwijl hij zijn rugzak pakte, ‘Dag allemaal!’ riep en door de lange, smalle gang naar de voordeur van hun appartement liep, inwendig een dollar in het ‘zielenknijperspotje’, het denkbeeldige spaarfonds dat ze had opgezet voor de therapie die Jake in de toekomst nodig zou hebben als gevolg van haar buitensporige aanbidding.
‘Dag lieverd! Veel plezier vandaag,’ riep Liz hem na door de gang.
‘Hou je taai, gabber,’ zei Richard vanuit de kamer, misschien ironisch. Dat wist je bij hem nooit.
Jake had haast om naar het metrostation op 96th Street te komen, waar hij altijd afsprak met zijn vrienden, en hij had blijkbaar geen tijd om haar een kus te geven. Het was een goede verbinding, hoewel dat allemaal weer zou veranderen wanneer ze deze zomer opnieuw verhuisden. Maar nu kon Jake nog samen met een heel stel medescholieren die ook in Upper West Side woonden, naar de mooie, luxe campus van Wildwood in Riverdale forenzen. Liz was blij dat hij in een groepje reisde. Steeds wanneer Liz hardop iets van quasi-idiote bezorgdheid liet blijken – Stel je voor dat je beroofd wordt. Stel je voor dat er weer een terroristische aanslag plaatsvindt – zei hij: ‘Ik ben samen met de andere jongens, mama,’ niet eens echt uit ergernis, maar om haar gerust te stellen.
In Ithaca, waar ze het grootste gedeelte van Jakes leven hadden gewoond, was Jake vanaf de vierde klas op de fiets naar school gegaan en van daaruit ook naar Ithaca Falls. Wanneer hij met Richard afsprak om samen op de campus te lunchen, nam hij de bus, net als Nabokov altijd deed; hij zette zijn zilverkleurige fietsje dan op het rek aan de voorkant van de bus, tussen de grotere van de studenten en de wat alternatievere docenten (degenen die ‘niet in hokjes pasten’). In Ithaca had Jake veel op eigen houtje ondernomen, behalve die keren dat Liz hem en zijn vriendjes van de padvinderij naar het koele, blauwe meer reed voor hun zwemles, en geen van allen, Richard niet, Jake niet, Liz niet, had ook maar een seconde stilgestaan bij deze gezonde onafhankelijkheid.
Afgelopen vrijdag was Jake vijftienenhalf geworden, dus bijna zestien. Terwijl de deur achter Jake in het slot viel, drong dat ineens weer tot haar door, iets wat haar bij tijd en wijle overkwam.
‘Richard,’ zei ze, terwijl ze de gang in liep, nog steeds in haar pyjamabroek en het oude T-shirt van kiss. ‘Zou wat ik voel bij het besef dat Jakey nu een puber is net zoiets zijn als wat je voelt als je bent gedrogeerd en dan bijkomt en ontdekt dat je nier is gestolen door de organenmaffia?’
‘Daar dacht ik ook net aan,’ zei Richard. Hij stond in de huiskamer stapels papieren door te nemen, achter de eettafel die dienstdeed als bureau. Liz vond dat hij er belachelijk aantrekkelijk uitzag voor dit uur van de dag. Het maakte niet uit in welke staat van aangekleedheid de rest van het gezin verkeerde – Liz bracht Coco soms zelfs naar school in het T-shirt waarin ze had geslapen – Richard zag er altijd goed uit: fris geschoren, een smetteloos wit overhemd, een tweedjasje, een zwarte spijkerbroek, heldere groene ogen, kortgeknipt grijzend haar. Hij schiep orde in de chaos.
Hun appartement huurden ze per maand; de huiskamer was niet alleen huiskamer, maar ook eetkamer en studeerkamer, een alles-in-ééngebeuren. Het fonkelnieuwe huis dat de universiteit hun als een worst had voorgehouden, als onderdeel van het complete pakket waarmee ze Richard hadden proberen binnen te slepen, was nog niet af.
‘Als ik Coco van school heb gehaald, gaan we meteen door naar het Plaza,’ riep ze. Ze was alweer in de keuken, om Coco’s eten klaar te maken. ‘Naar het Plaza’, had ze op een gespeelde kaktoon gezegd, zowel geïmponeerd als gegeneerd door het feit dat ze zo geïmponeerd was door de X-factor van de avond. ‘Jake zal na school waarschijnlijk wel in de Bronx blijven, dus het maakt niet uit als je moet overwerken.’ Alsof Richard ooit op een fatsoenlijk tijdstip thuiskwam.
‘Hij is geen kind meer, Lizzie, hij redt zich wel,’ zei Richard.
‘Hij zal wel iets te eten halen op Johnson Avenue, of anders met een vriend mee naar huis gaan tot het feest begint,’ zei ze. Ze ging op haar tenen staan om de gebakken aardappeltjes van Tater Tots in de magnetron te zetten. Coco’s warme ontbijt.
Het enige wat Liz wist, was dat Jakes feest in de Fieldstonbuurt van de Bronx was. De Bronx van haar zoon was niet haar Bronx. ‘Volgens Marjorie staat het feest onder toezicht en zullen de ouders de punch zeker voorproeven.’ Die telefonische geruststelling had Liz de avond ervoor gekregen van haar bron wat betreft Jakes klas, een snel pratende en goed bedoelende moeder annex makelaar.
‘Deep Throat,’ zei Richard, terwijl ze hem de Tater Tots en een geroosterde wafel aangaf voor Coco, die biologische aard beien ter grootte van golfballen in haar mooie kleine mondje zat te proppen.
‘Deep Throat,’ mompelde Liz. Een schuilnaam in de moederoorlogen. ‘Richard, wat goed.’
‘Coco, hoeveel geld denk je dat ik per jaar aan jou kwijt ben aan aardbeien?’ vroeg Richard. ‘Die dingen kosten zeker zes dollar per doosje, en hoeveel eet ze ervan, wel een doosje per dag toch, Lizzie?’
‘Papa,’ zei Coco met een glimlach die roze was van de aardbeienmoes. ‘Minstens een doosje per dag,’ antwoordde Liz. ‘En soms wel twee, hoewel ik blij ben dat ze ook iets eet wat niet tot de categorie “wit voedsel” behoort.’
‘Ik eet geen wit voedsel,’ zei Coco.
‘Jawel, bagels, pasta, wafels.’ Liz dreunde Coco’s lievelingseten op. ‘Noedels.’
‘Tater Tots,’ kraaide Coco, terwijl ze triomfantelijk een stukje aardappel ophield. ‘Die zijn bruin.’
‘Zo is dat,’ zei Richard. Hij zocht zorgvuldig de wat donkerder exemplaren uit haar hand en stopte ze in zijn eigen mond.
Hij luisterde met een half oor naar Lizzie die maar bleef doorratelen over haar zorgen om de avond – Wat zal ik aantrekken? ‘Hippie-chic,’ opperde hij. Zouden we zo’n overdreven uitnodiging eigenlijk wel moeten accepteren? ‘Waarom niet? Jullie vinden het allebei vast heel leuk.’ Het hoorde bij hun dagelijkse routine dat hij haar geruststelde terwijl hij de koppen van The New York Times snelde. Af en toe hielp hij Coco ook nog met haar rekenhuiswerk, door nog wat van haar Tater Tots op te eten. ‘Twee min één is een heel hongerige Coco,’ zei hij, terwijl hij aan de andere kant van de tafel zijn eigen ontbijtshake samenstelde: banaan, pindakaas, proteïnepoeder, groene thee – thee in de kleur van je ogen, had Lizzie gezegd toen hij de eerste keer met groene thee was thuisgekomen. De bedrevenheid straalde van hem af. Hij was net een zelfreinigende oven. En zelfs na al die jaren was Liz niet immuun voor zijn aantrekkelijkheid.

[...]

© 2011 Helen Schulman
© 2012 Nederlandse vertaling Ambo|Anthos uitgevers, Amsterdam en Marja Borg
© auteursportret Denise Bosco

Uitgeverij Ambo|Anthos

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum