Leesfragment: Een kamer in Rome

27 november 2015 , door Sipko Melissen
| |

23 april verschijnt de nieuwe roman van Sipko Melissen, Een kamer in Rome. Wij mogen hoofdstuk 8 voorpubliceren.

Hoofdpersoon in Een kamer in Rome is de dromerige student Daniël die op de dag dat het uitgaat met zijn vriendin een novelle in handen krijgt van de mysterieuze schrijver Alle Waterink. Over de schrijver is niets bekend behalve dan dat hij in Toscane in Italië woont. Wie is die man? En waarom raakt Daniël zo bevangen door deze novelle? Een kamer in Rome is een literaire detective die, in tegenstelling tot andere boeken uit dit genre, wél goed geschreven is. Daniël vertrekt naar Italië om meer te weten te komen over Alle Waterink. Hij belandt in een duizelingwekkende wereld van taal en literatuur, vol mystificaties en culturele verwijzingen, die de lezer naar adem doen happen.

Een kamer in Rome is een boek dat meesleept en, zoals ware literatuur kan bewerkstelligen, je de alledaagse werkelijkheid volledig doet vergeten.

'Melissen houdt van mooie verhalen met een raadsel erin, zoals dat hoort in goede klassieke literatuur.' - Kees 't Hart, Leeuwarder Courant
'Een bijzondere stijl. Intiem, gevoelig, en met een duidelijke spanningsboog.' - Judith Janssen, de Volkskrant

8

Op een donderdagmiddag in de Leidsestraat leefde ik op dankzij de tekst op het t-shirt van de jongen voor mij die tussen twee vrienden luid liep te praten en te lachen. Zijn aanstekelijk plezier gaf de tekst op de rug een context die hij op papier niet gehad zou hebben: Niets is werkelijker dan het Niets. Beckett.
Ik had verwarde, sombere dagen achter de rug. Ik sliep slecht en kwelde mij ’s nachts met de vraag wat Carola precies bedoeld kon hebben met de uitspraak dat ik niet geschikt was voor de alledaagse werkelijkheid en emotioneel op afstand bleef.
Een paar keer was ik tegen de ochtend wakker geschrokken uit een benauwende droom waarvan ik mij de inhoud niet, maar de angst die ermee gepaard ging wel kon herinneren. Eigenlijk kon je niet spreken van ‘herinneren’. Ik werd wakker midden in de angst alsof het een plas water was waarin ik dreef. Ik had geen idee waarmee ik die angst moest verbinden. Er kwamen geen beelden. Maar op een ochtend zag ik het. Ik zag mijzelf staan in een hoekje van het schoolplein. En ik wist weer hoe ik mij de eerste drie jaar van de middelbare school had gevoeld: buitengesloten en bang. En het was die angst, de angst voor altijd buitengesloten te zijn, waarmee ik drijvend van het zweet wakker werd. In de bovenbouw ging het beter maar pas in Amsterdam bloeide ik echt op. Bij de jongens van Finnegan voelde ik mij als een vis in het water. Lezen was mijn behoud geweest en op de een of de andere manier gold dat voor ons allemaal.
Lezen in plaats van leven. Dat had Carola bedoeld. Daarom was ze bij mij weggegaan. Ik voelde mij verward en had met iemand willen praten maar wist niet met wie. Stijn kwam in aanmerking maar ik keek te zeer tegen hem op om hem over mijn persoonlijke problemen in vertrouwen te nemen.

Die donderdagmiddag was ik op weg naar een café in de binnenstad waar ik een afspraak had met Stijn om te praten over The Real Life of Sebastian Knight. Stijn zou mij helpen het referaat om te werken tot een artikel voor The Nabokovian, het tijdschrift van The International Vladimir Nabokov Society. Mijn conclusie dat Nabokov zijn eerste in het Engels geschreven roman had gebruikt om een literaire beginselverklaring af te leggen, vond hij de moeite waard om aan een select publiek van geïnteresseerden voor te leggen.
Ik had de fiets laten staan en was gaan lopen in de hoop de onrust kwijt te raken die al dagenlang beslag op mij legde. De drie jongens voor mij hadden er de vaart in en aan hun manier van lopen was te zien dat ze plezier hadden. Ze stootten elkaar met de schouders aan, bogen zich tijdens het lopen naar elkaar toe zodat ze bijna struikelden. De jongen in het midden met lang blond haar tot op de schouders had het hoogste woord en lachte het uitbundigst. Ik bleef achter hen lopen alsof ik werd meegezogen en moest kijken naar de tekst op het t-shirt, alsof kijken kon leiden tot inzicht: Niets is werkelijker dan het Niets. Beckett. Hoewel ik de betekenis niet onmiddellijk vatte, wist ik dat deze zin de grond wegnam onder de voeten van het winkelende publiek. Die zin van Beckett was een korte samenvatting van de meeste van mijn gedichten, zag ik ineens. Die gedichten gingen over de dood, niet omdat ik ervaring had met de dood of er bang voor was. De dood was een metafoor voor dat Niets waar alles het tegen aflegt, ook de werkelijkheid. Ook dit moment in de Leidsestraat, hoe werkelijk het ook leek. Over een seconde bestond het al niet meer.
Bij de Keizersgracht sloegen de jongens rechtsaf. Ik moest rechtdoor, naar de afspraak in Kapitein Zeppos, en voelde mij vrolijk worden en licht als een schip dat alles overboord heeft gegooid. Niets is werkelijker dan het Niets. Als die uitspraak waar was, en hij was waar, waar maakte ik mij dan druk om? Ik was er nog niet aan toe om samen te wonen, had Carola gezegd en waarschijnlijk had zij gelijk.
Ik zou wel zien waar ik aan toe was.
Opgewekt, alsof ik zojuist bericht had gekregen geslaagd te zijn voor een belangrijk examen, kwam ik het café binnen waar Stijn al klaar zat achter een tafeltje met mijn artikel voor zich. De aantekeningen in de marge beloofden dat we hier nog wel even zouden zitten. Hoewel iedere Amsterdammer die het zich maar even kon permitteren, op dit uur en bij dit weer, op een terras was neergestreken, zaten wij binnen omdat literatuur het daglicht niet kon verdragen. Dixit Stijn Ravel.

In The Real Life of Sebastian Knight onderneemt een man wiens naam alleen wordt aangeduid met de initiaal V een poging de biografie te schrijven van zijn zes jaar oudere halfbroer met wie hij tijdens zijn volwassen leven nauwelijks contact heeft gehad. Die oudere broer, Sebastian Knight, is een beroemde auteur geworden met vijf boeken op zijn naam. Het voornemen om het ‘werkelijke leven’ van zijn broer te schrijven ontstaat tijdens de nacht die V in het sanatorium doorbrengt waarheen zijn broer is overgebracht. V heeft te horen gekregen dat de toestand van Sebastian hopeloos is. Na een lange tocht met veel hindernissen komt V midden in de nacht bij het sanatorium aan. Door een verpleger wordt hij naar de kamer gebracht waar een patiënt achter een kamerscherm ligt, en die mag niet gestoord worden. Een paar minuten luistert V naar de ademhaling van de man achter het scherm en die paar minuten veranderen zijn leven volledig. Als hij hoort dat hij door een misverstand aan het ‘verkeerde’ bed heeft gezeten en dat zijn broer de dag ervoor al is gestorven, doet dat aan de ervaring niets af, integendeel, het is een openbaring. Het geheim dat Sebastian hem eventueel te vertellen had is hij niet te weten gekomen maar hij heeft zelf in die paar minuten een geheim ontdekt, namelijk ‘dat de ziel slechts een wijze van zijn is – geen onveranderlijke toestand – dat je elke ziel tot de jouwe kunt maken door de golvingen ervan op te sporen en na te gaan’. Na die ervaring kan V aan het ware verhaal van zijn broer beginnen. De biografie is tevens een autobiografie. De laatste regel van The Real Life of Sebastian Knight luidt dan ook: ‘Ik ben Sebastian of Sebastian is mij, of misschien zijn we beiden iemand die we geen van tweeën kennen.’
Mijn stelling was dat het einde van de roman alles zegt over de schrijver Nabokov en zijn opvattingen over literatuur. De schrijver kan elke ziel tot de zijne maken ‘door de golvingen ervan op te sporen en na te gaan’. Nabokov kon Lolita schrijven door zijn ziel af te stemmen op de ziel van de criminele pederast Humbert Humbert. Er is een zielsverwantschap tussen Humbert Humbert en de schrijver Nabokov. Nabokov mag gezegd hebben dat geen boek zo ver van zijn emotionele leven af staat als Lolita, en dat zal zeker opgaan voor de persoon Nabokov, maar niet voor de schrijver. Tijdens het schrijven was hij Humbert Humbert en als hij de pen neerlegde was hij de persoon Nabokov, met alle oordelen en vooroordelen die een mens er maar op na kan houden. Zijn nawoord bij Lolita had kunnen eindigen met een variant op de laatste zinnen van Sebastian Knight: ‘Ik ben Humbert Humbert of Humbert Humbert is mij, of misschien zijn we beiden iemand die we geen van tweeën kennen.’

We dronken bier en toostten op het artikel dat bijna af was en ik voelde mij goed. Ik werd serieus genomen door Stijn Ravel, de docent tegen wie ik had opgekeken en met wie ik nu praatte alsof we vrienden waren. Misschien waren we ook vrienden.
Stijn kon instemmen met het grootste deel van mijn artikel. Hij gaf mij alleen ter overweging iets meer aandacht te besteden aan de slotzin van de roman. Zo’n slotzin kon net zo suggestief zijn als het eindbeeld van een film, zei hij. Door zo’n eindbeeld kon alles wat je tot dan toe geloofd of gedacht had op zijn kop worden gezet of juist worden bevestigd. Hij was het met mij eens dat die zin benadrukte dat er een wezensovereenkomst kan zijn tussen subject en object, tussen de biograaf en zijn voorwerp. Maar die slotzin zei net iets meer en aan dat ‘net iets meer’ had ik nog geen aandacht besteed. Die zin zei ook dat beiden iemand konden zijn die zij geen van tweeën kenden en dat klonk metafysisch. Je doet een poging het leven van een ander te beschrijven, het werkelijke leven, zoals V doet, en je komt tot de conclusie dat jij en die ander weliswaar samenvallen, maar dat je wat betreft ‘kennis van’, kennis van jezelf, kennis van de ander, nog steeds geen stap verder bent. Want misschien ben je beiden iemand die je geen van tweeën kent of kunt kennen. En die onbekende en onkenbare ander zou wel eens de ‘werkelijke’ persoon kunnen zijn. ‘Je hebt niet het voorwerp beschreven, maar de schaduw van het voorwerp, en misschien zelfs die niet. Snap je?’
Snap je? Ik legde mijn pen neer, zuchtte even diep, en keek hem met opgetrokken wenkbrauwen aan. Half Amsterdam liep buiten of zat op een terras en wij hadden het over een metafysische derde. Het duizelde mij. Al mijn energie was gaan zitten in het op schrift bijhouden van zijn commentaar.
Stijn stelde voor nog iets te drinken waar ik grif mee instemde.
Ik las mijn aantekeningen nog eens rustig over en knikte. Ik begon zijn interpretatie te snappen.
‘Maar als dat waar is, dan is het principieel onmogelijk dat iemand zichzelf of een ander kent.’
‘Dat staat er,’ zei Stijn. ‘Zullen we daar dan maar op drinken?’
We hieven het glas en ik zei dat ik zou proberen het artikel af te ronden nog voordat ik naar Italië vertrok.
Een week daarvoor had ik Stijn Een tuin in Toscane te lezen gegeven. Hij was geïnteresseerd geraakt toen hij van de virtuele novelle in het boek hoorde. Ook voor hem was de naam Alle Waterink een verrassing.
Hij had de novelle gelezen.
Stijn legde de handen met de gestrekte vingers tegen elkaar als een dokter die de uitslag van een onderzoek gaat meedelen. Hij had het verhaal nog maar net gelezen en zou er nog een keer naar moeten kijken om zijn oordeel beter te kunnen onderbouwen. Hij kon wel al zeggen dat hij het een merkwaardig, zelfs bizar maar ook bijzonder verhaal had gevonden. Opvallend vond hij alleen de discrepantie tussen de soms wat houterige stijl, alsof je een moeizaam tot stand gekomen vertaling las, en het verhaal dat geraffineerd in elkaar stak. Het had iets claustrofobisch, die twee uiteenlopende personages in die van de wereld afgesloten tuin, gedurende een lange, hete zomer. Dat de novelle plotseling afbrak, zonder dat je te weten kwam hoe Titus, de ontvanger van het verhaal binnen het verhaal, erop reageerde, was irritant maar je werd je er wel van bewust dat Titus niet letterlijk bestond, dat hij alleen voor jou was gaan leven. Hij bestond in jouw hoofd en je kon hem op dat bizarre cadeautje laten reageren zoals jij wilde. De novelle toonde de juistheid aan van Mulisch’ stelling dat niet de schrijver maar de lezer fantasie moest hebben.
Op mijn vraag hoe het mogelijk was dat zo’n novelle door de kritiek niet was opgemerkt, antwoordde Stijn dat zulke dingen nu eenmaal gebeuren. Soms wist een criticus geen raad met een verhaal dat binnen geen stroming of groep te plaatsen was.
‘Waarom schrijf jij, als je klaar bent met Nabokov, niet een artikel over die novelle? Zo’n artikel kan weer aandacht opleveren voor een boek dat in eerste instantie door de kritiek over het hoofd is gezien.’
Ik dacht dat Stijn een grapje maakte, maar hij haalde zijn schouders op alsof hij wilde zeggen: waarom niet?
‘Wat zou ik erover moeten zeggen?’
Ja, dat wist Stijn ook niet zo een, twee, drie.
‘Je moet een goede invalshoek hebben, daar draait alles om bij een artikel. Je zou The Portrait of Dorian Gray van Oscar Wilde erbij kunnen halen. Die jongen ziet zichzelf als oude man terug in die Amerikaanse dichter, zo lees ik het tenminste, en hij is blijkbaar stervensbang om oud te worden. Als je je richt op de dromen van die man, dan zou je er Freud bij kunnen halen, en wat hij zegt over droomarbeid.’
‘Droomarbeid?’ Ik hief mijn beide handen in de lucht alsof ik mij overgaf. Wist hij wel wie hij tegenover zich had?
Stijn schoot in de lach. ‘Ik ga geloof ik wat snel, sorry. Volgens Freud worden zelfs onze dromen gecensureerd. In een van zijn dromen gaat die man met die jongen naar bed, maar die jongen is op een cruciaal punt veranderd in een meisje. Daardoor wordt het taboe omzeild en het vrijen minder beladen. Maar tegelijkertijd faalt de censuur want hij doodt die jongen. Als de censuur faalt is het resultaat een nachtmerrie. Die droom maakt hem duidelijk wat hij onbewust wil. Die jongen moet dood.’
‘Waarom moet die jongen eigenlijk dood?’
Ja, dat was nu iets wat ik in dat artikel over Een tuin in Toscane zou moeten ophelderen.
Stijn zat er ontspannen bij, een hand onder zijn kin, zijn rechterarm over de leuning van de stoel. Er gingen over hem wilde verhalen rond. Dat hij in een kraakpand had gewoond en in een hardrockband had gezongen. Daar was nu geen spoor meer van terug te vinden. Het lange donkerblonde haar dat tot over de oren golfde was goed geknipt. Een opmerkelijk gezonde man met levendige blauwe ogen.
Ik zei dat ik dan wel een artikel over Een tuin in Toscane kon schrijven, met of zonder Freud, maar dat ik mij afvroeg welk tijdschrift belangstelling kon hebben voor een artikel, hoe geleerd ook, over een boek dat niemand kende en eigenlijk niet bestond. Moest die novelle niet eerst opnieuw uitgegeven worden?
‘Dat moet niet echt een probleem zijn. Ik zou daar wel een uitgever warm voor kunnen maken, denk ik. Het probleem is alleen dat we wel toestemming van de schrijver moeten hebben.’
‘Ach, natuurlijk,’ zei ik en pakte mijn bijna lege glas op.
Het was of alles op zijn plaats viel. Ik ging naar Toscane en had mij voorgenomen de schrijver van de novelle op te sporen. Totnogtoe had ik geen andere rechtvaardiging kunnen bedenken om bij hem aan te kloppen dan mijn bewondering voor de novelle over te brengen. Maar nu zou ik een duidelijke reden hebben. De novelle moest weer uitgegeven worden en daarvoor hadden we zijn toestemming nodig.
Stijn stelde voor nog iets te drinken.
Ik had Stijn nog niet verteld dat ik van mijn vakantie gebruik wilde maken om Alle Waterink op te sporen, waarschijnlijk om niet al te dweperig over te komen. Maar de toestemming voor een herdruk was een goed excuus.
Stijn luisterde aandachtig terwijl hij knikte en glimlachte, wat moest betekenen dat hij wel wat zag in mijn plan.
‘Wat mij bovendien aanspreekt,’ zei ik, ‘is dat iemand ooit een verhaal heeft geschreven en gepubliceerd en daarna nooit meer iets van zich heeft laten horen. Hij schildert, dat is het enige wat ik over hem te weten ben gekomen. Dat is toch intrigerend. Het raadselachtige en geheimzinnige rond zo’n man trekt mij aan. Van de meeste schrijvers weet je alles, ze zitten in praatprogramma’s, worden geïnterviewd, staan door de hele stad met grote foto’s op affiches. Van Alle Waterink weten we zo goed als niets.’
Voor ons kwamen twee grote glazen pils te staan waarvan het schuim langzaam over de rand van het glas naar beneden droop, als in een tv-reclame. Ik pakte het glas op en hield het even tegen mijn voorhoofd.
‘Er zijn altijd schrijvers die zich zo onzichtbaar mogelijk maken. Don DeLillo is daar een voorbeeld van en Salinger natuurlijk, de Greta Garbo van de literatuur noemde iemand hem pas. De ironie van Salinger is dat zijn beroemdheid te maken heeft met het feit dat hij zo teruggetrokken leeft. Hele horden reizen naar New Hampshire in de hoop een glimp van hem op te vangen. Hij woont op een groot landgoed dus veel last zal hij er niet van hebben.’
‘Wat zou een schrijver moeten doen om totaal onvindbaar te zijn? Zou het nog mogelijk zijn?’
‘Je kent het verhaal van B. Traven?’ Stijn wachtte even. ‘Nee? Nou ja, niemand kent het echte verhaal van B. Traven en dat is eigenlijk het antwoord op jouw vraag wat je moet doen om onvindbaar te zijn en te blijven. Die man heeft één groot dwaalspoor achtergelaten. Google hem maar eens, B. Traven, schrijver van The Treasure of the Sierra Madre, en je zult met je ogen knipperen.’
Stijn stond op en we rekenden af. Hij moest weer terug naar het P.C. Hoofthuis in de Spuistraat. Ik liep met hem op.
Midden op de brug over het Singel bleef Stijn plotseling staan en keek mij aan alsof hij mij een geheim wilde toevertrouwen.
‘Er is iets merkwaardigs met dat verhaal, dat zegt mijn in tuïtie mij. Misschien kan ik er iets mee doen in mijn rubriek.’ Stijn had een vaste rubriek in de zaterdageditie van een landelijk ochtendblad, Stijns Stellingen, waarin hij meestal een provocerende stelling poneerde en kort besprak.
Van onder de brug verscheen een rondvaartboot. Ik moest denken aan de jongen in de Leidsestraat en de tekst op zijn tshirt: Niets is werkelijker dan het Niets. Het was een waarheid die op dit moment iets aan overtuigingskracht had ingeboet. Wat was er nu werkelijker dan dit moment, deze brugleuning, de rondvaartboot, Stijn, ik, de gracht?
Ik kon het niet nalaten Stijn over de tekst op het t-shirt van de blonde jongen in de Leidsestraat te vertellen.
Stijn zei dat hij dan ook nog een heel mooie tekst wist die hij had gelezen op de deur van een toilet van het vliegveld van Boston. Omdat hij alleen in het bezit was van een pen had hij de tekst op een wc-papiertje moeten overnemen: Reality is an illusion brought on by a shortage of alcohol. Ondertekend met: An American soldier. Die tekst was misschien minder compact dan die van Beckett maar beslist luchtiger.
‘Die soldaat moet schrijver zijn geworden,’ zei ik.
‘Of schilder.’
Beiden schoten we in de lach.
‘Je gaat echt naar Italië om die schrijver op te zoeken? Twaalf jaar geleden ben ik met een vriend naar België gelift om Gerard Reve te bezoeken. Die vriend was uitgenodigd nadat hij Reve een brief had geschreven waarin hij zei Het Boek van Violet en Dood het mooiste boek ter wereld te vinden. Het werd een krankzinnig bezoek. Reve sprak als een orakel en het was net of hij ons niet zag. Maar bij het afscheid zei hij tegen mijn vriend: “Die ander moet je een volgende keer niet meer meenemen, die kijkt me te achterdochtig.”’
Ik had nog wel meer over dat bezoek willen horen maar Stijn schudde alleen lachend zijn hoofd en we liepen door. Toen ik hem de naam van het stadje noemde waar ik naartoe zou gaan, bleek dat Stijn het kende. Ook hij had dankzij de bemiddeling van de man van Theresa een zomer in Toscane doorgebracht, niet ver van dat stadje. Hij was een beetje jaloers.
‘Tien jaar geleden zou ik zo met je mee zijn gegaan naar Italië. Ik was toen nog volbloed romanticus, maar een vriendin en een zoontje van een jaar maken je behoorlijk realistisch.’
Ik voelde dat ik een kleur kreeg. Met Stijn naar Toscane om samen een schrijver op te sporen, die gedachte alleen maakte mij duizelig.
‘We gaan dit jaar naar Noorwegen. Moet ook heel mooi zijn.’
Hij haalde zijn schouders op en we liepen door.
De tekst van de Amerikaanse soldaat wilde ik onthouden maar ik kwam niet verder dan: Reality is an illusion.
‘Hoe was die tekst ook al weer, die tekst van die Amerikaanse soldaat?’
Stijn legde een hand op mijn schouder. ‘Je hebt zeker geen wc-papiertje bij je?’

Uitgeverij Van Oorschot

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum