Leesfragment: Er gebeurde o.a. niets

27 november 2015 , door Joubert Pignon
| |

Op 4 oktober wordt de verhalenbundel Er gebeurde o.a. niets van Joubert Pignon in onze Haarlemse vestiging gepresenteerd. Wij publiceren voor: 'Het weer slaat om. Het begint hard te waaien. Vuilniszakken worden de lucht in getild en op de stoep teruggesmeten. Overal liggen omgewaaide fietsen. Ik weet niet of de onheilsprofeten gelijk hebben en het einde der tijden nabij is, maar eens zullen ze wel gelijk krijgen. Boven de winkelstraat zijn lichtreclames gespannen. Linten van licht met de naam van de sponsor eraan gehangen. De lichtreclames worden heen en weer geslingerd door de wind, als kleuters op een schommel, heen en weer.'

De jonge verkoper in de dierenwinkel in Er gebeurde o.a. niets wil meer van het leven, maar weet niet precies wat. Uit een knarsend, schurend collage van zeer korte verhalen ontstaat een relaas over werken te midden van cavia's en goudvissen, over een gestoorde buurman, de drank, de liefde, de literatuur, verdwijnende vriendschappen en de dood. Over het leven zelf dus. Met een droogkomische stijl weet Joubert Pignon de lezer te verwonderen.
Er gebeurde o.a. niets is het verhaal van iemand die wil ontkomen aan zichzelf, maar uiteindelijk niet in beweging kan komen. Ondertussen nadert, onder andere, het onheil.

Joubert Pignon (1978) werkt in een dierenwinkel. Hij heeft een vriendin en een konijn. In zijn atelier schrijft hij zo kort mogelijke verhalen. Zijn verhalen zijn eerder gepubliceerd in Kortverhaal en Torpedo. Met zijn intense en humoristische voordracht is hij bezig een stevige reputatie op te bouwen in het literaire voorleescircuit.

 

Een kleine ramp

PLAKSNOR

Ik ben alleen. Er is geen drank in huis, ik ben al drie dagen nuchter. Een kleine ramp. In mijn hoofd ga ik de plekken langs waar nog drank zou kunnen liggen. Nergens kan drank liggen. Als er drank in huis is, gaat het op. De enige drankwinkel die nog open is, is de nachtwinkel tegenover mijn werk. Ik heb me de afgelopen dagen ziek gemeld. Met een zielig stemmetje verkoudheid geveinsd. (Wat nu? Met een plaksnor over straat?)
Buiten zijn de kerstbomen op straat gesmeten. Ze liggen op de stoep, als dronkaards in een stomme film. Ik tel er minstens honderd. Ze hebben al hun naalden nog. Bij elke kerstboom die ik passeer, sla ik een kruisje. Ik raak ze niet aan.
In de nachtwinkel kijkt de Turk achter de toonbank naar een Pakistaans televisiestation. Op de toonbank is een briefje geplakt: Ik ben mijn stem kwijt. Ik kan niet praten. Excuses voor het ongemak. Ik vraag om twee rode wijn en een tasje. Ik ben een aap, ik heb zinnen uit mijn hoofd geleerd.

WEER

Het weer slaat om. Het begint hard te waaien. Vuilniszakken worden de lucht in getild en op de stoep teruggesmeten. Overal liggen omgewaaide fietsen. Ik weet niet of de onheilsprofeten gelijk hebben en het einde der tijden nabij is, maar eens zullen ze wel gelijk krijgen. Boven de winkelstraat zijn lichtreclames gespannen. Linten van licht met de naam van de sponsor eraan gehangen. De lichtreclames worden heen en weer geslingerd door de wind, als kleuters op een schommel, heen en weer.

ARTISJOKKEN

Het is 22:06 en ik ben van 13:08 tot en met 17:34 dronken geweest. Witte rum met 7Up. Ik ben net wakker. Ik sta voor de spiegel en borstel met een elektrische tandenborstel een kleverige, witte laag van mijn tong. Op de straat en de auto’s buiten zit een witte laag. Het is geen sneeuw.
Het is bijna Nieuwjaar.
Volgens mij word ik kaal.
Ik wou dat er een plek was waar ik op dit tijdstip vier artisjokken kon kopen.

PARAGNOST

Als ik foto’s van mijn nieuwjaarsdrol aan mijn paragnost mail om me, aan de hand van mijn uitwerpselen, de toekomst voor het komende jaar te laten voorspellen, duurt het lang voor ik antwoord krijg. Misschien heeft mijn paragnost een wild feest bezocht en ligt hij nu in een wasem van drank zijn roes uit te slapen. Verstrengeld in de armen van een als kat verklede vrouw. Roze glitters op de lakens. Uitgelopen schmink – tranen om de dood van Michael Jackson. Op de achtergrond klinken knallen: kinderen die vuurwerk vinden. Zoiets. Wie weet.
Aan het eind van de middag mailt mijn paragnost terug. Hij schrijft dat ik het komende jaar meer vezels moet eten.

DIERENWINKEL

Ik werk in een dierenwinkel. We verkopen vissen, knaagdieren en vogels. Met honden en katten zijn we gestopt. Die markt ligt veel te veel open. Als dierenwinkel kun je niet concurreren met de prijzen van asiels. Elke ochtend loop ik langs de kooien en aquariums om de dieren te voeren. Zouden er op andere planeten ook wezens wonen die hun medebewoners in winkels verkopen?

FIETS

Het is koud, de straten zijn bedekt met een laag ijs. Het is ver na middernacht. Ik fiets naar huis. Ik ben naar een feest geweest in Zeewijk. Ik ben weer te lang blijven plakken en heb weer veel te veel gedronken. Op mijn witte fiets fiets ik over de gladde straten. Ik val een paar keer bijna.
Ik zet mijn fiets bij een bushalte, tegen een lantaarnpaal. Ik zet de fiets op slot. Een jongen komt aangelopen. Hij begint tegen mijn fiets te schoppen. De fiets valt om. De jongen begint op de fiets te springen. ‘Hé,’ roep ik, ‘niet doen, dat is mijn fiets!’ Ik loop naar de jongen toe en duw hem weg. De jongen valt op de grond.
Even verderop staat een auto. Drie portieren gaan open, het licht in de auto gaat aan. Drie jongens komen uit de auto. Ze beginnen me te slaan en te schoppen. Ik val op de grond; de jongens schoppen me in mijn rug, mijn buik en mijn gezicht. Een politieauto rijdt voorbij. Ik maak oogcontact met de agent in de bijrijdersstoel. De agent zet grote ogen op en gebaart naar zijn collega dat hij moet doorrijden.
‘Sorry,’ roep ik tegen de jongens, ‘sorry.’
De jongens houden op met schoppen, stappen in hun auto en rijden weg. Ik sta op. Ik pak mijn fiets, het voorwiel is verbogen. Met mijn fiets aan de hand loop ik naar huis. De stoep is glad. Met mijn tong voel ik dat er een stuk van mijn voortand mist.

PANNENKOEKEN

Ik ben zeven jaar. Ik mag bij Mitchel en Lesley pannenkoeken eten. Morgen moeten we gewoon naar school. We zijn nog kinderen, we hebben niets te willen. Mitchel en Lesley hebben nog twee broertjes. Ze zijn alle vier allergisch voor stof en huismijt. Ze hoesten wat af bij hen thuis, overal ligt stof.
Mitchel moet aan de bril, zijn ogen verslechteren. Hij krijgt een oude bril van zijn moeder op. Een roze, die steeds van zijn neus zakt. De familie van Mitchel en Lesley heeft nergens geld voor. Behalve voor stroop en pannenkoeken. Ik schenk stroop over mijn pannenkoek. Ik maak een lachend gezichtje van stroop. In de glimlach van stroop zit een mier.
Ik til de stroopfles omhoog. In de stroop zitten wel duizend mieren. De moeder van Mitchel en Lesley zegt dat we de stroop gewoon uit moeten schenken. We doen het. Met een vork vist ze de meeste mieren eruit.
Ik rol de pannenkoek op en eet de pannenkoek zo snel mogelijk op. In mijn mond voel ik de mieren bewegen. De moeder van Mitchel en Lesley legt nog een pannenkoek op mijn bord.
De vader van Mitchel en Lesley zit in kleermakerszit voor de televisie. Hij heeft twee videorecorders. Met de ene videorecorder zet hij gehuurde videofilms over op lege videobanden in de andere videorecorder.
Terwijl we op onze pannenkoeken kauwen, vertelt de moeder van Mitchel en Lesley ons dat ze maar niet loskomt van haar ouders. Tijdens het praten hangt er een doorzichtige druppel aan haar kin. We knikken en nemen nog een hap pannenkoek. Haar mond beweegt en de druppel glinstert in het licht van de televisie. Het lijkt wel een diamant.

WELGEVALLEN

Ik lees Tommy Wieringa’s verhaal ‘Herkend worden’:

Lang geleden was ik als lokettist in dienst bij de Nederlandse Spoorwegen. Eigenlijk was ik schrijver, maar elke schrijver moet zich op weg naar zelfvoltooiing een paar beledigingen laten welgevallen die noodzakelijk zijn voor zijn begrip van de wereld.

en heb geen speeksel meer in mijn mond om te slikken. Ik voel de hoop in mij gloeien en herhaal de woorden als een mantra als ik, zoals elke ochtend, met een knoop in mijn maag naar de dierenwinkel loop en denk aan de verhalen die ik dan eigenlijk, ergens, rustig en zonder gezeur aan mijn hoofd, zou moeten zitten schrijven.

SHOARMACROISSANTS

Bij mij in de buurt is een winkelstraat die een aanval op mijn zintuigen is. Maar ik moet erheen, om brood en kaas voor mezelf te kopen en korrels en stro voor mijn konijn. Ik moet sterk en gezond blijven, om mijn vijanden te kunnen verslaan en om mijn dierbaren te kunnen beschermen.
Op de stoep voor de supermarkt omhelst een man met een paardenstaart een vrouw in een scootmobiel, een moeder en een dochter in identieke rode donsjacks lopen voorbij. Twee Marokkanen op een scooter remmen piepend voor de geldautomaat, die het vandaag niet doet. Een oude vrouw, met een blauwe rollator, botst tegen een prullenbak. De bakker annex fietsenmaker heeft deze week de shoarmacroissants in de aanbieding: twee voor de prijs van één.
Bij de ingang van de supermarkt een muur met foto’s van vermiste dieren. Teddy, Beertje, Missy, Pluis en Pukkie rekken zich op overbelichte foto’s behaaglijk uit. Briefje op de deur: Pinautomaat stuk, onze ekskuses voor het ongemak.
De oude vrouw met de blauwe rollator rijdt op de bakken met verse groenten in.
Voor het broodeiland wordt een man met een fototoestel door een man in een vogelpak in elkaar geslagen. ‘Nou, die lacht niet meer naar het vogeltje,’ zegt een vrouw. De kaasbroodjes zijn deze week in de aanbieding.

TOORN

Wanneer we een geluid maken, begint onze buurman Hollandse hits te draaien. Hij heeft zijn boxen naar onze muur gedraaid. De lepels trillen in de la. Mijn konijn kijkt niet op. We lopen naar buiten, mijn vriendin bonst op zijn deur. De deur hangt half in de opening. Aan de onderkant is een gat getrapt. Een hond steekt zijn kop door het gat. De hond hapt en blaft naar ons met zijn platte, natte snuit.
De buurman schreeuwt door het raam dat we moeten oprotten, dat hij rust en stilte wil, dat hij ons gaat afmaken. Hij laat zich niet zien. Hij zet zijn muziek harder. Mijn vriendin bonst op de deur. Ik blijf op afstand, bang voor conflict. Mijn vriendin vraagt wat er nou is, wat zijn probleem nou is. Hij schreeuwt dat ze een imbeciel is. Mijn vriendin zegt dat hij zelf een imbeciel is.
Dit gaat zo even door.
Weer binnen is de muziek een golvend, kolkend wapen dat door onze woning raast. We zitten op de bank en kijken elkaar aan. Ik durf geen geluid te maken. Ik durf geen deur te openen. Ik durf niet te lopen over onze vloer. Ik hou me stil, uit angst voor de vreemde en wraakzuchtige god aan de andere kant van de muur, wiens toorn ik niet wil opwekken.

© 2012 Joubert Pignon
Copyright auteursportret © Tessa Posthuma de Boer

Uitgeverij Atlas Contact

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum