Leesfragment: Giovanna's navel

27 november 2015 , door Ernest van der Kwast
| |

Op 31 mei verschijnt Giovanna's navel van Ernest van der Kwast, een boek bestaande uit één novelle en vier laatste verhalen. Wij publiceren dit weekend een van die verhalen voor.

Het is de eerste zomer na de Tweede Wereldoorlog, een jaar voordat de Franse automonteur Louis Réard de bikini uitvindt. Giovanna Berlucchi loopt in een tweedelig badpak op het strand van San Cataldo, in de hak van Italië en betovert de jonge Ezio. Hij ziet voor het eerst van zijn leven de navel van een vrouw, een beeld dat zich voor altijd zal vastzetten op zijn netvlies en in zijn hart.

Maar Giovanna en Ezio laten de liefde uit handen glippen, en de jongeman zoekt zijn heil in het uiterste noorden van Italië. Toch lukt het hem niet Giovanna te vergeten. Aan het eind van zijn leven neemt hij nog eenmaal de trein, terug naar het zuiden. Maar is er nog tijd om de eerste liefde een tweede kans te geven? Deze novelle wordt omlijst door vier korte verhalen.

Ernest van der Kwast debuteerde met Soms zijn dingen mooier als er mensen klappen. Onder de naam Sieger Sloot publiceerde hij de roman Stand-in. Met de roman Mama Tandoori brak hij door bij het grote publiek. Van der Kwast woont in Zuid-Tirol.

De conducteur

Het was zijn laatste lente. De warmste die de mensen zich konden herinneren. Heinrich Kienzl vond ook geen mooiere lente in zijn geheugen. Meer dan zeventig jaar kon hij teruggaan. Witte bloesem en een wandeling met zijn ouders. Hij vloog als een engel tussen hen in. Klein en licht en vrolijk.
Nu was het begin april en dertig graden. Er schoten zwaluwen door de lucht. Heinrich Kienzl was de warmte ontvlucht en had de kabelbaan naar Jenesien genomen. Het bergstation lag op duizend meter hoogte. Tijdens de vaart had hij naar de weilanden onder hem gekeken. Het grastapijt dat al overal groen was, paardenbloemen die in grote vlekken uitwaaierden. Later zouden de andere kleuren komen. Paars van klaver, blauw van gentiaan, wit van duizendblad. Heinrich Kienzl had veertig jaar lang over de weiden van Jenesien gezweefd. Hij was conducteur van de kabelbaan geweest. Het was rustig werk. Hij moest de kaartjes controleren en bediende de knoppen in de cabine. Het overgrote deel van de tijd keek hij naar buiten. Hij zag de kastanjes groeien, het land dat door de boeren werd bewerkt. Reeën die 's ochtends vroeg terug het bos in vluchtten, de laatste vlinders van het jaar.
De werknemers van Seilbahn Jenesien kenden hem niet. Ze waren jong, begin dertig. De conducteur die zijn kaartje had gecontroleerd las een stripboek op een kruk. De kruk was er vroeger niet geweest. Verder was er niets veranderd in de cabine. Dezelfde knoppen, dezelfde zwarte telefoon die in verbinding stond met het bergstation. Ook het maximaal aantal passagiers was onveranderd. Twintig plus één. De conducteur.
Heinrich Kienzl was als twintigjarige jongen begonnen bij de kabelbaan en had als langzame man afscheid genomen. Tussen zijn eerste en zijn laatste werkdag hing een leven in de lucht. Geen groot avontuur, niet de droom van jongens die de wolken willen aanraken. Slechts enkele meters boven de grond, net iets hoger dan hij ooit tussen zijn ouders in had gevlogen. Negen minuten deed de kabelbaan erover om van het dalstation in Bozen naar het bergstation in Jenesien te zweven. Het hoogteverschil bedroeg 741 meter, de kabel was bijna tweeënhalve kilometer lang en hing aan zeven staalbetonnen pijlers. Het was iets wat hij in zijn laatste jaar als conducteur had gedaan: uitrekenen hoeveel tijd van zijn leven hij had gezweefd. Maar Heinrich Kienzl viel elke nacht midden in een vermenigvuldiging in slaap. Niemand had meer uren in de kabelbaan doorgebracht, niemand had meer gezien.
Hij had Johanna Egger zien opgroeien. Op woensdag negentien augustus 1964 reed haar moeder met een kinderwagen de cabine van de kabelbaan binnen, zeven dagen na de geboorte van de kleine Johanna. Ze was zijn jongste reiziger. Dons en verwondering op haar gezicht. Tijdens de afdaling moest ze huilen door het drukverschil. De baby werd uit de wagen getild door haar moeder en kreeg de borst. Ze viel in slaap voordat ze het dalstation bereikt hadden.
Hij zag Johanna oneindig vertraagd veranderen in een meisje dat door de dagen huppelde en alles wilde weten. Op sommige dagen rook ze naar zeep, dan weer zoet als eierbrood. Ze werd langer en tenger en ze werd verlegen. Een jonge vrouw die zich verstopte in haar kleren. Hij zag de schaamte die ze voelde voor haar eigen lichaam. En toen de schaamte was overwonnen, zag hij schoonheid die uit zijn schulp kroop. Zomer en de zachte huid van haar armen, haar bruine benen, haar voeten in slippers. De zon aanbad haar vijfentwintig jaar lang. In de velden met bloemen, aan de rand van meertjes in de bergen, op een paard dat holde over de zandwegen van Salten. Ten slotte zag Heinrich Kienzl de lijnen bij haar ogen, heel fijn, een aanzet nog maar. Hij zou de rest van de gravure niet zien. Zelf had Heinrich Kienzl geen kinderen gekregen. Hij was ongetrouwd gebleven. Zijn moeder had hem aan het einde van haar leven gevraagd of hij van mannen hield. Hij had zijn hoofd geschud. Een vrouw, het was er niet van gekomen.
Het gebeurde, er waren boeren zonder vrouw. Ze hadden land, ze hadden dieren, maar ze hadden niemand die naast hen in bed lag. Misschien waren ze ooit radeloos verliefd geweest. Het was niet te hopen. Sommige boeren woonden samen met hun moeder of tante. Ze deed de was, ze kookte en ze zaaide spinazie in de tuin. Ook de slager van Jenesien was ongehuwd gebleven.

Heinrich keek naar de bomen met hun nieuwe blad. Het loof zo groen dat het licht leek te geven. Hij voelde levenslust, dezelfde als jaren geleden toen hij nog donkere haren had. Hij was er dankbaar voor. Natuurlijk was er weemoed en leken sommige uren van stroop. Het had met eenzaamheid te maken, de duisternis in de winter. Herinneringen waartegen hij zich niet kon verweren, kruispunten waarop hij had gestaan. Het leven dat anders had kunnen zijn als... Maar hij was niet ongelukkig. Nee, Heinrich Kienzl was niet droevig. 's Nachts keek hij urenlang naar de sterren. Het bergstation lag net buiten het dorpscentrum. Heinrich was de laatste van de sliert mensen die de kabelbaan naar boven hadden genomen. De koeien waren nog niet buiten. Het gras moest groeien. De nieuwe hooischuren waren gigantisch. Gebouwd door de houtbouwfirma onderaan het dorp. Vlak voor de regen zouden de boeren het land bemesten. Maar wanneer zou de regen komen? De Dolomieten in de verte deelden de hemel met de zon.
Het was ook warm in Jenesien, maar anders dan in het dal was er een bries. Heinrich liep naar het gasthof en ging op het terras zitten. De waardin herkende hem meteen. Frieda. Ze wist alles van iedereen in het dorp.
'Lange tijd geleden,' zei ze.
Het klopte, de laatste keer dat Heinrich de kabelbaan had genomen, was in de herfst geweest. Twee weken later was de eerste sneeuw gevallen, negentig centimeter in de nacht.
Hij vroeg hoe het ging. Of de eerste gasten al gearriveerd waren. Frieda knikte kort. Ze sprak niet graag over zichzelf of het gasthof, ze sprak liever over anderen.
'Een witte?' zei ze.
Heinrich hoefde niet te antwoorden. Ze wist ook wat hij dronk.
Hij keek naar het weiland voor hem dat als een welving in het landschap lag. Bovenaan stond een huis waar een echtpaar woonde. Het was het mooiste huis van het dorp, misschien wel van de streek. Het stond met de achterkant naar het dorp toe. 's Ochtends kwam de zon aan de voorkant boven de bergen op, in de zomer bescheen de avondzon tot laat de achterzijde van het huis. Er stond een bankje. Zijn verbeelding tintelde, maar Heinrich voelde ook een vleugje verdriet. Een kruising waarop hij lang geleden de verkeerde weg had genomen, een kans die hij had gemist.
Hij dronk zijn witte wijn langzaam. Er was tijd, er was zo ongelofelijk veel tijd. De ochtenden leken het langst. Hij begon zijn dagen op een stoel in de voorkamer. Vanachter het grote raam keek hij naar de beweging. De talloze mannen in hun auto's. Moeders met kinderen, huisvrouwen op weg naar de slager, boeren pruttelend op de tractor. Later werd de straat leger en kwam alles ten slotte tegen het middaguur tot stilstand.
Frieda stond opeens naast hem. 'Ze hebben Luis gisteren opgehaald met een helikopter,' zei ze. 'Hij zou wat minder moeten drinken en roken. Het is nu de derde keer dat hij in het ziekenhuis ligt.'
Heinrich kende Luis. Een elektricien met sterke verhalen. Hij had dagelijks met de kabelbaan gereisd. Elk jaar een kilo zwaarder.
'Astma,' zei Frieda afkeurend. 'En dan leven alsof je niets kan gebeuren.'
'Gaat hij het redden?'
'Hij redt het elke keer.'
Heinrich vroeg zich af hoe het met Johanna Egger ging. Was ze getrouwd? Woonde ze nog in Jenesien? Frieda moest het allemaal weten.
'Dat is het probleem,' zei de waardin. 'Hij leert er niet van.'
Heinrich nam een slok van zijn wijn. Hij had veel mannen zien verdwijnen. Walter Durnwalder, die te veel op had en met zijn auto uit de bocht was gevlogen. Franz Laimer die tijdens een wandeling in elkaar was gezakt. En, onlangs nog, zijn oud-collega Stefano Calvo. Niet meer uit zijn slaap wakker geworden.
Frieda keek hem aan.
'Wat een prachtige lente,' zei Heinrich ten slotte.
Toen het licht van de zon geler werd, stond hij op. Hij liep langs het welvende weiland terug naar de kabelbaan, langs het mooiste huis dat hij ooit had gezien. Hij zag een kromgebogen man, hij stond in de verte, maar toch kon Heinrich hem heel goed zien. Hij stond in het volle licht van de avondzon en gaf dieren te eten die in kooitjes zaten. Konijnen die de kerst hadden overleefd.
Misschien had hij geen kansen gemist, dacht hij terwijl hij wachtte op de kabelbaan. Misschien waren ze er niet geweest. Hij had veel mensen leren kennen in de cabine van Seilbahn Jenesien, met sommige had hij een band opgebouwd. Hij praatte met hen, luisterde naar hun verhalen, negen minuten heen in de ochtend en negen minuten aan het einde van de dag. Het was niet veel, maar hoeveel tijd praatten getrouwde mensen met elkaar als ze samen waren?
Natuurlijk had Heinrich ook gekeken, had hij vrouwen geobserveerd. Hij hield van een zuiver gezicht. Jeugd, schoonheid die niets nodig heeft. Er waren vrouwen geweest die hij miste als ze de kabelbaan niet namen, vrouwen naar wie hij jaren keek. Maar de meesten waren moeder van jonge kinderen. Hij herinnerde zich een toeriste uit Duitsland. Blonde haren en een heel kleine mond. De lippen van een prinses. Hij had haar vierenvijftig minuten van zijn leven gezien. Een eenvoudige rekensom, maar de rest was voor altijd een raadsel. Ze logeerde met een vriendin in het gasthof. Heinrich keek in haar ogen en ze keek terug, ze bleef terugkijken.
Het ging allemaal heel snel, het verlangen, de gesprekken in de cabine over wandelwegen en hun leven, haar handen die zijn handen aanraakten. 'Vandaag reizen we terug,' zei ze toen ze uitstapte. Zijn hart klopte twee keer zo snel; hij voelde het slaan, schoppen, leek het wel. Was dit de kans die het leven hem had geboden? Was dit meisje de vrouw met wie Heinrich Kienzl oud had kunnen worden? De ingang van de kabelbaan was opengegaan. De eerste mensen liepen al naar binnen. Heinrich bleef zitten. Er was nog tijd. Twee, drie minuten, dan zou een signaal te horen zijn. Beneden, in het dal, drukte de conducteur op de onderste knop van het instrumentenbord. Er kon vertrokken worden.
In de cabine werd over het weer gesproken. De zon, de warmte. Een wandelaar was hoog in de bergen geweest. Hij had een zee van krokussen gezien. Zijn armen en zijn neus waren rood. Heinrich keek naar de weilanden onder hem. Een plaatje uit een reisgids. Hij wist hoe het gras groen werd. Hij had het vele malen gezien. Het was hem de eerste jaren niet opgevallen. De wereld leek opeens groen geworden. De werkelijkheid was dat het heel geleidelijk ging. Pas na talloze vaarten zag hij het. Het was geen golf, niet één beweging. Het waren vlakken in het land die minder vaal waren, plekken verspreid over de velden die lichter van kleur werden, tot leven leken te komen, en het grote tapijt langzaam, dag voor dag, tot een egaal geheel weefden, totdat alles diepgroen was.
Hij wist hoe het verder ging. De blos van paardenbloemen die eroverheen trok, de andere kleuren, daarna de zoemende bijen en de liederen van de cicaden. Tot aan de laatste vlinders van het jaar.
In het dal was het vijf graden warmer. Heinrich wachtte op de bus die hem van de kabelbaan naar het centrum zou brengen. Aan de overkant van de weg was een zagerij gevestigd. Hij had op regenachtige dagen onder het afdakje van de ingang gestaan en de geur van nat hout opgesnoven.
In de bus merkte Heinrich hoe moe hij was. Zijn overhemd plakte tegen zijn rug. Thuis zou hij even gaan liggen op de bank en dan een kleine maaltijd klaarmaken. Hij had asperges op de markt gekocht. In de koelkast lag gekookte ham. Er waren nog altijd geen wolken te zien. De sterrenbeelden zouden vannacht stralen aan de hemel.

Ze herkende hem meteen. Haar hart miste een slag. Johanna Egger boog zich over het lichaam heen. Er zat bloed op het gezicht van Heinrich Kienzl. Ze zag ook een kneuzing. Hij was lelijk gevallen. Met zijn slaap tegen de trapleuning, of iets anders hards. De tafelrand, de stenen vloer van de keuken. Gedachten flitsten door haar hoofd. Ze voelde zijn pols, zwak. Hij was buiten bewustzijn. Heel diep in slaap, leek het. Even dacht ze dat ze zou vallen, maar ze kon zich net op tijd vasthouden. Ze had een nachtdienst overgenomen van een collega wier kind ziek was. Ze moest hem doorsturen, de klapdeuren door, met de lift naar de vijfde verdieping. Maar ze legde haar handen op zijn gezicht.

© 2012 Ernest van der Kwast
Auteursportret © Paul Levitton

Uitgeverij De Bezige Bij

MINDBOOKSATH : athenaeum