Leesfragment: Heldhaftig

27 november 2015 , door Britta Bolt
| | |

27 september zal in de Athenaeum Boekhandel op het Spui de boekpresentatie van de thriller Heldhaftig van schrijversduo Britta Bolt (Britta Böhler en Rodney Bolt) plaatsvinden. Wij publiceren voor: 'Een tram dendert over de metalen brug en overstemt elk geluid dat het lichaam maakt wanneer het in het water valt. Amsterdam. Twee minuten voor elf ’s avonds. Een jonge man. Tenger, bewusteloos, gekleed in een traditionele Marokkaanse djellaba. Elke spier in het lijf trilt. Het slanke lichaam glijdt omlaag naar de modderige bedding van het Westelijk Marktkanaal...'

Een dode man in een zolderkamer, een verminkt lijk in de Prinsengracht. Pieter Posthumus, medewerker van het Team Uitvaarten van de Gemeente Amsterdam, regelt begrafenissen voor dit soort anonieme lijken. De twee onbekende doden laten Posthumus niet los. Hij is ervan overtuigd dat hij een moordenaar op het spoor is, ook al denkt de politie er anders over. Op zoek naar de waarheid raakt Posthumus verzeild in de schimmige wereld van terrorisme en geheime diensten en brengt daarmee niet alleen zichzelf maar ook anderen in gevaar.

Heldhaftig introduceert de onconventionele speurder Pieter Posthumus in de canon van de misdaadliteratuur en is het eerste deel van een sfeervolle Amsterdamse misdaadtrilogie. Heldhaftig, vastberaden en barmhartig - het motto van de stad - loopt als een rode draad door de drie boeken.

 

Proloog

Een tram dendert over de metalen brug en overstemt elk geluid dat het lichaam maakt wanneer het in het water valt.

Amsterdam. Twee minuten voor elf ’s avonds.
Een jonge man. Tenger, bewusteloos, gekleed in een traditionele Marokkaanse djellaba. Elke spier in het lijf trilt.
Het slanke lichaam glijdt omlaag naar de modderige bedding van het Westelijk Marktkanaal, ketst af op een omgekeerde toiletpot, rolt om, blijft even liggen, drijft weer wat naar boven door de lucht onder de djellaba, en komt door de werveling van een voorbijvarende boot ergens in het midden van de gracht omhoog tot net onder het wateroppervlak. Het lichaam trilt en schokt doordat de longen heftige, onwillekeurige pogingen doen om zich van het water te ontdoen en te ademen, waarbij de armen bewegen als van iemand die onder water zwemt. Binnen drie minuten is het lichaam levenloos.

Boudewijn Krijnen, een beetje beneveld na een avond drinken met vrienden op zijn nieuwe boot, vloekt en draait de krachtige Century motorboot om, komt gevaarlijk dicht bij de waterkant. In de war gebracht door een kruising van vier grachten is hij langs de Kop van Jut het Westelijk Marktkanaal op gevaren in plaats van de Kostverlorenvaart die naar zijn aanlegplaats buiten de stad leidt. Hij laat de boot even dobberen terwijl de motor stationair draait en raadpleegt zijn TomTom. Dan geeft hij gas en koerst terug naar de kruising. Hij hoort de motor gieren. Geeft iets meer gas. Door naar de punt en dan de Kostverlorenvaart op naar de Nieuwe Meer. Nog steeds dat ongemakkelijke geluid. Zeker iets van rommel in de schroef, denkt hij, en duwt het gas naar de volle 90 pk. De boot schiet vooruit, de motor gaat gierend terug naar zijn normale geluid en Boudewijn neemt snel gas terug, in de hoop dat er geen waterpolitie in de buurt is.

Het lichaam wordt op zijn trage weg naar het midden van het Westelijk Marktkanaal tegengehouden door een langzame schroef die zich vastdraait in de stevige canvas schouderband die langs de ene kant van de hals schuin over de borst loopt. Als de prooi gevangen is, komt de schroef plotseling tot leven, snijdt en scheurt door het vlees heen, trekt de djellaba aan flarden, sleurt het lichaam om de punt heen, de Kostverlorenvaart in. Dan bijt hij weer toe met een nieuwe felheid, dwars door de canvas schouderband die hij nu rond een levenloze schouder en hals draait voordat hij wegscheurt naar verre wateren, een deining veroorzakend die het lichaam terugduwt naar waar het vandaan gekomen is, tot het water weer kalm wordt en het lijk zinkt.

Tien voor half twaalf ’s avonds.
Door de trage stroom in de Kostverlorenvaart, van de Nieuwe Meer naar het hart van de stad, krijgt het lijk af en toe een zetje langs de bodem, terug naar de kruising van de vier grachten. Rustig drijvend, dan weer even een stoot wanneer het kielwater van een boot of een werveling rondom een of andere vormeloze massa onder water het lichaam heen en weer trekt, geleidelijk aan de Kostverlorenvaart uit en via een gracht naar het hart van de stad voert.
Middernacht.
Zeeburg. De uiterste noordoostrand van Amsterdam. Gigantische motoren van het gemaal Zeeburg komen gonzend in actie om een golf water de stad in te sturen. Terwijl het lijk zijn trage onderwaterreis maakt, hebben medewerkers van het waterbedrijf overal in de stad de sluisdeuren gesloten. Met elektronisch gegier en een metalige dreun slaan tien sluizen dicht om een geul te vormen waardoor het schone water door de grachten kan stromen en het vuile water wordt afgevoerd naar het IJ. De golf wordt ingezet in Zeeburg, waardoor het lichaam van de jonge man met een ruk in beweging komt. Het water in de stad krijgt een golvend, kolkend, wervelend eigen leven. Een kwart miljoen kuub water in beweging. Vijf uur lang. Een sterke stroming gaat door een brede waterweg, dringt zich een smallere gracht in en kolkt via een andere weg terug, waardoor het lichaam schokkend en zwiepend door de grachten drijft, zijn ledematen woest zwaaiend als in een manische onderwaterdans.
Rond half vijf ’s ochtends.
Het lichaam komt tot stilstand tegen een fietswrak in de modder op de bodem van de Prinsengracht, vlak bij de Westerkerk.

Dinsdag, kwart voor negen ’s ochtends.
Er staat al een flinke rij voor het Anne Frank Huis. Toeristen kijken half verveeld en half verrukt naar de platte schuit met de mechanische arm die afval uit de gracht opvist. Er klinkt een gil. Tussen de fietsen die door de mechanische klauw omhooggehaald zijn, hangt een lichaam. Gebroken. Vrijwel naakt. Morsdood. Donderdag
12 mei 2011

1

Amsterdam

Pieter Posthumus had een zware dag. Drie lijken voor de lunch, dat was irritant. Meer dan hij in een week kreeg, normaal gesproken. En nu zat een of ander wijsneuzerig agentje aan de telefoon die flauwe woordspeling over zijn achternaam en zijn beroep in zijn oor te snerpen. Posthumus liet het in stilte voorbijgaan en kapte met een norse groet het gesprek af.
De Dienst Rampen en Uitvaarten was een vreemde tak van de gemeentelijke diensten. ‘Ramp & r.i.p ’ noemden de andere collega’s de afdeling. En Posthumus zat op een bijzondere plek, in Team Uitvaart. Amsterdam had in geen jaren meer een ramp meegemaakt. Niet dat de dienst daar niet op voorbereid was in deze tijden van terroristische aanslagen, en vooral sinds de Amerikanen Bin Laden hadden doodgeschoten – maar ‘r.i.p’ vormde de voornaamste activiteit. Dat onderdeel kwam voort uit de eeuwenlange traditie dat de burgemeester verantwoordelijk is voor niet opgeëiste lijken binnen de gemeentegrenzen. Tegenwoordig ging het om zwervers en junks, eenzame oude mannen en vrouwen, mensen die door hun familie waren verstoten, af en toe een toerist die dood neergevallen was op straat of een raammeisje met valse papieren. En – meer dan eens – slachtoffers van een of andere vete in de onderwereld. Zo’n lijk waar plotseling niemand meer iets van wilde weten.
‘Een hele partij tegelijk vanmorgen! Zoek maar uit,’ zei Alex Tomassi op een overdreven fluistertoon terwijl ze haar hoofd om de deur van het kantoor van Team Uitvaart stak. Posthumus grijnsde. Hij zat er in zijn eentje. Alex liep de kamer door, trok een lelijk gezicht naar de lege stoel van Maya Wesseling en streek neer op het hoekje van Posthumus’ bureau, de rug recht, de handen gevouwen op haar knie, de draak stekend met haar rol als zedige secretaresse. Het humeur van Posthumus klaarde meteen op. Alex was echt een mooie meid. Siciliaanse vader. Dat verklaarde de waterval van zwart haar, de donkere ogen – en toch had ze de roomblanke Hollandse huid van haar moeder. Intelligent ook. Hij mocht Alex wel.
‘Madam heeft wat oponthoud door een crematie.’ Alex gebaarde naar achteren naar Maya’s plek. ‘Maar helaas niet blijvend.’ Toen knikte ze naar het bureau aan de andere kant van de kamer. ‘Gaat het al wat beter met Sulung?’
‘Ik heb hem vanochtend gesproken. Hij zou morgen weer komen, zei hij.’
‘Dus die zit middagtelevisie te kijken terwijl wij ons rot werken met drie nieuwe zaken? Maar écht, Sulung!’ Alex gaf zichzelf een tikje op haar pols. ‘Maar nu even serieus, wie wil jij?’
‘Wat denk je?’ Posthumus schikte de vier pennen op zijn bureau tot ze netjes op een rij lagen, de punten op dezelfde hoogte.
‘De zolder?’
Hij keek op en grijnsde weer. ‘Zo, jij kent me goed.’ Naast de standaardtaken aan de receptie deed Alex Traffic – ze coördineerde de agenda’s van de drie medewerkers van het Team Uitvaart, hield bij wie een uitvaart begeleidde en wanneer hij of zij terugkwam, stelde duo’s voor huisbezoeken samen (de afdeling hanteerde de regel ‘samen uit, samen thuis’, voor het geval er waardevolle zaken of geld in de woning van de overledene aanwezig waren). Aangezien zijn collega’s die ochtend geen van beiden op kantoor waren, had Posthumus telefoontjes afgehandeld en memo’s geschreven. Hij had voor iedere zaak de gebruikelijke twee informatieverzoeken gefaxt – een naar het bevolkingsregister en een naar het Centraal Testamentenregister. Als dat geen informatie opleverde over bereikbare familieleden zou een huisbezoek volgen – en Alex zou dan de roosters maken. Alex die wist wie waar zou zijn en wanneer, en die de zaken aan het ene of het andere teamlid toebedeelde. Ze deed dat efficiënt en zonder overdreven machtsgevoel. Maar ze had zo haar lievelingen.

Vreemd dat er op één ochtend drie waren binnengekomen, dacht Posthumus, maar er was niets bedenkelijks aan de hand. Zo ging het soms gewoon. Het was een bonte verzameling. Een vrouw van in de negentig, in bejaardentehuis Zonhof. Vrij standaard, die zaak. Dementie. Vrienden overleden. Ze was niet getrouwd, dus waarschijnlijk was er geen familie. Na een paar routinetelefoontjes zou er een stille uitvaart volgen, met een paar oude besjes uit het tehuis. Verder was er een alleenwonende man in een flat in Oost, op de Madurastraat. Buren hadden melding gemaakt van stankoverlast. Al een week of twee dood, en een totaal uitgewoond huis. ‘Echt een vuilnisbelt,’ had de vrouw van maatschappelijk werk aan de telefoon gezegd. ‘Hele bérgen rommel. Overal dozen, stapels plastic tassen, een complete lawine van kranten. Je gelooft je ogen gewoon niet!’ Echt wel, had Posthumus gedacht. Hij kende het soort maar al te goed. Syndroom van Diogenes, heette dat. Tientallen jaren verzamelwoede en opeengestapelde zooi. Een complete nachtmerrie om een testament, bankafschrift of verzekeringspolis uit te moeten opdiepen, iets waar je uit kon opmaken of er nog vrienden waren of familie, en of er geld was voor de uitvaart. (Met alle bezuinigingen deed de gemeenteraad daar steeds vrekkiger over.)
Nee, bedankt. Maar het derde geval was intrigerend. Een jongere man. Nou ja, eind veertig, ongeveer even oud als hijzelf. Een beetje een einzelgänger. Depressieverleden. Had een klein zolderappartement in onderhuur en daar had hij zich verhangen. Er was geen afscheidsbrief, maar dat was blijkbaar niet ongebruikelijk. Er was geen sprake van een misdrijf of zoiets, de politie had het dossier al gesloten. Dat was de zaak waar dat opgewekte agentje over had gebeld. Maar de eigenaar van het pand wist niet of er vrienden of familieleden waren. Kijk, dát paste meer in zijn straatje.

‘De zolder dus.’ Alex glimlachte.
Posthumus knikte. ‘Daar gaat dit werk om, wat mij betreft,’ zei hij. Hij had er niet voor gekozen. Trouwens ook niet om te stoppen met zijn vorige baan bij Bureau Gedragscode, de gemeentelijke waakhond voor professionele integriteit. Negen maanden geleden alweer. Stilletjes overgeplaatst naar een minder belangrijke afdeling. Een verbanning na jarenlange onmin met zijn baas. ‘Niet coöperatief, geen teamspeler’, was het officiële oordeel geweest. Posthumus kon dingen gewoon niet zomaar loslaten. Vooral bij corruptiezaken, als alle andere leden van het team tevreden waren, de zaak gesloten hadden in de overtuiging dat alles in orde was, stortte Posthumus zich vaak nog op een enkel curieus feitje – niet eens een discrepantie, gewoon iets wat niet helemaal in het plaatje paste. Te vaak was hij er in zijn eentje op doorgegaan, had hij zich ergens in vastgebeten, zonder iets te bereiken. Door hem waren er urenlimieten overschreden, hij had de reputatie dat hij zinloze aanwijzingen naspeurde. De paar keer dat zijn koppigheid de moeite waard bleek – een grote zaak rond smeergeld bij bouwcontracten, die hij aan het licht had gebracht lang nadat het Bureau de zaak had afgesloten – had de rancune van zijn baas alleen nog maar aangewakkerd. En uiteindelijk had de baas zijn zin gekregen en werd Posthumus weggewerkt. Nee, hij was niet blij met zijn overplaatsing naar Team Uitvaart van Ramp & r.i.p, maar nu hij er zát, was hij vastbesloten om er het beste van te maken.

Posthumus duwde zijn stoel achteruit en strekte zijn armen uit boven zijn hoofd. Hij zag Alex liever nog niet gaan.
‘Je mag het raar vinden, maar ik denk echt dat je iets kunt dóén,’ zei hij. ‘Met de echte eenzamen, bedoel ik. Of de anoniemen. Dat je ze nog een laatste beetje waardigheid meegeeft, een persoonlijk afscheid, zelfs als niemand het ziet. Meer een echte uitvaart dan een ambtshandeling.’
‘Nou, dan ben je de enige,’ zei Alex. ‘Ik vind het prachtig wat je doet, maar je moet wel oppassen.’ Ze keek met een scheve blik naar Maya’s stoel. ‘Ik hoor het geroddel bij de koffieautomaat.’
Posthumus trok de grens niet bij het simpelweg opdiepen van testamenten, adresboekjes en bankafschriften. Hij ging verder. Hij doorzocht boekenkasten, haalde cd-collecties overhoop en las zelfs dagboeken door om zich een beeld te vormen van de mensen die hij zijn ‘cliënten’ noemde, want als er dan geen vrienden of familieleden bleken te zijn, had hij muziek en een tekst paraat, of zelfs een korte grafrede. Iets waardoor het moment in een lege rouwkapel of crematorium wat minder ambtelijk werd. Vooral Maya Wesseling vond dat Posthumus zijn tijd verspilde.
Hij keek uit het raam. Een van de Smarts van de afdeling wurmde zich een parkeerplaats in voor het zeventiende-eeuwse grachtenpand waar ze kantoor hielden.
‘O, o. Als je het over de duivel hebt.’
‘Ik ben weg,’ zei Alex terwijl ze haar achterste van het bureau draaide, waarna ze de deur uit schoot en de trap af naar de receptie. Posthumus grinnikte nog even na. Alex begreep het. Hij had haar vanaf het eerste moment aardig gevonden – toen ze niet die voorspelbare grap maakte bij het voorstellen, maar in plaats daarvan zei: ‘O, ik heb ooit les gehad van ene Posthumus.’ Het was immers een vrij normale naam. Wat hem bij de les hield, was haar leeftijd, want wat was ze? Tweeëntwintig? Hij was bijna oud genoeg om haar vader te zijn. Hoe oud had hij dan moeten zijn? Vijfentwintig? Best oud genoeg. Even oud als zijn ouders toen zijn broer Willem werd geboren. Ja, Willem...

Posthumus staarde nog steeds uit het raam. Afwezig tuurde hij over de woonboten heen naar de rij fragiele gevelspitsen aan de andere kant van de Amstel toen Maya de kamer in stampte.
‘Ik hoor dat we het erg druk hebben vandaag,’ bitste ze zonder enige begroeting. Binnen Team Uitvaart stonden ze dan wel op gelijke voet met elkaar, direct onder de afdelingsmanager, maar zij zag zichzelf toch als teamleider.
‘Ik heb de faxen verstuurd. Ik neem aan dat Alex het wel laat weten als ze iets hoort,’ antwoordde Posthumus terwijl hij de telefoon pakte. ‘Ik ben nog even wat losse eindjes aan het vastknopen. Er zit me iets niet helemaal lekker met die zaak van de Bloemstraat.’ Hij was Maya’s secondant geweest bij een huisbezoek, een paar dagen geleden. ‘Er zaten toch drie sleutels aan de sleutelhanger die ze ons hadden gegeven? Maar we hadden maar twee sleutels nodig om binnen te komen...’
‘O mijn god, Pieter,’ beet Maya hem toe. ‘Weet ik veel. Bergruimte. Fiets. Kun je het nou nooit gewoon laten gaan? Het is klaar. De familie is gevonden, zij regelen de uitvaart. Wij hebben er niks meer mee te maken. Einde verhaal.’
‘Het was een Lips,’ zei Posthumus. Hij draaide zich om en sprak een minuut of wat op gedempte toon in de telefoonhoorn, waarna hij Maya’s onderzoekende blik beantwoordde. ‘Niks aan de hand. Een reservesleutel van de buurvrouw, blijkt.’ Maya gaf geen antwoord, keek op haar horloge en ging verder met het checken van haar e-mail.
‘Die wil ze overigens terug,’ voegde Posthumus eraan toe.

Copyright © 2012 Britta Böhler, Rodney Bolt
Copyright Nederlandse vertaling © 2012 Petra C. van der Eerden
Copyright © auteursportret Erik Smit

Uitgeverij De Arbeiderspers

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum