Leesfragment: Help me herinneren

27 november 2015 , door Bernlef
| | |

Op 15 mei verschijnt de nieuwe verhalenbundel van Bernlef, Help me herinneren. Wij publiceren vanavond een gedeelte van het eerste verhaal voor. Eerder publiceerden wij al voor uit zijn roman De een zijn dood.

Over het titelverhaal

Gino Stratella werkt als kok in New York. Zijn oude moeder heeft hij achtergelaten in zijn geboortedorp in Italië. Ze schrijven elkaar lange brieven: Gino doet verslag van zijn dagen, zijn moeder vertelt vergeten verhalen uit zijn jeugd. Ze is analfabeet; een vriendin tekent haar verhalen op. Dan gebeurt er iets waardoor de moeder niet meer kan praten. Maar Gino blijft de brieven met jeugdherinneringen ontvangen. Wat voor herinneringen zijn dit? Valse? Geleende? En maakt het uit?

Als geen ander weet Bernlef, zijn meesterschap op de korte baan demonstrerend, in deze rijke bundel de kracht én de verraderlijkheid van herinneringen op te roepen.

Bernlef (1937) is de schrijver van gedichten, verhalen, essays en alom bekende romans als Hersenschimmen (1984) en Publiek geheim (1987). Hij ontving vele prijzen, waaronder de P.C. Hooftprijs en de Constantijn Huygensprijs, en ook zijn recente werk is zeer goed ontvangen: Buiten is het maandag (2003) werd genomineerd voor de Libris én de AKO Literatuurprijs. In 2008 schreef hij het Boekenweekgeschenk, De pianoman.

Ter gelegenheid van de vijfenzeventigste verjaardag van Bernlef verschijnt op 8 mei ook de bundel Voorgoed. Gedichten 1960 – 2010.

Tamara’s gezicht

Ik heb mijzelf altijd als een uitgebalanceerd mens beschouwd. Bij de assurantiemaatschappij Verbo leid ik de afdeling Schadeafhandeling. Daar leer ik jonge juristen de kneepjes van het verzekeringsvak. Welke wegen je moet bewandelen om zo weinig mogelijk claims te honoreren. Kleine lettertjes, ontsnappingsclausules. Sommigen zijn daar van meet af aan goed in, anderen moet je eerst leren de idealen uit hun jeugd aan de kant te schuiven en zich in te zetten voor de werkwijze van Verbo.

Om vijf uur ga ik vaak in de bar van het hotel aan de overkant een borrel drinken voor ik in mijn auto stap en naar mijn huis in Amstelveen rijd. Zo ook die dag.
Het hotel is een van de grootste en bekendste van Amsterdam. Als ik aan mijn bureau zit zie ik de bussen met toeristen af en aan rijden.
De portier in zijn paarse halflange jas en zwarte hoge hoed kende mij en knikte me vriendelijk toe toen ik de trap op liep, op weg naar de bar. ‘Dag meneer Scheltema.’
Ik herkende de meeste mensen, die in de fauteuils rond de lage tafels hingen, van gezicht. Juristen zoals ik, makelaars, projectontwikkelaars, notaris-assistenten. Scherpe pakken, glimmend gepoetste schoenen. Aan de tafel links voor het raam, met uitzicht op een kade waarin wat eenden rondpeddelden en een reiger grijs en roerloos aan de waterkant gespitst op zijn kans stond te wachten, zaten drie Japanners in donkerblauwe kostuums. Ze spraken glimlachend tegen iemand die ik meteen herkende, al was het meer dan twintig jaar geleden dat ik hem voor het laatst gezien had. Hans Kees Storm. Hij was wat gezetter geworden, maar zijn kaaklijn was nog even scherp, zijn blauwe ogen priemden nog altijd onder gebleekte wenkbrauwen, zijn mond met de volle lippen leek nog steeds op die van een vis. De Haai was zijn bijnaam op het lyceum geweest. De Haai die voorzitter van de schoolvereniging was, hoofdredacteur van de schoolkrant Jupiter en uiteraard klassenvertegenwoordiger. Storm zou het ver schoppen dachten de leraren en daar hadden ze zo te zien gelijk in gekregen. Hans Kees droeg een grijs zomerkostuum met een lichtblauw streepje, een wit overhemd met een flamboyante roze kraag en een dunne gebreide donkergrijze das die een beetje scheef over zijn overhemd gedrapeerd hing. Hij stond op en de drie Japanners volgden gehaast zijn voorbeeld. Er volgde een uitwisseling van visitekaartjes begeleid door een ritueel van korte buigingen dat Storm met een minzaam lachje, samen met de visitekaartjes, in ontvangst nam. Op zijn beurt deelde hij zijn kaartje aan de Japanners uit. Zelf had ik ook zo’n kaartje. ‘Henk Scheltema – Juridische Zaken – Assurantiemaatschappij Verbo’ stond erop. Adres en telefoonnummers. Ze lagen in een keurig doosje in de bovenla van mijn bureau. Ik zorgde dat ik er altijd een paar op zak had.
Hans Kees Storm liep met de Japanners naar de uitgang van de bar. Daar bleef hij staan, alsof hij een grens bereikt had. De Japanners bogen nog een keer, draaiden zich toen bliksemsnel om en verdwenen in de hotelhal. Toen Storm zich omdraaide zag hij mij zitten. Hij hield de kaartjes van de Japanners nog steeds in zijn hand. Even kneep hij zijn ogen tot spleetjes. Ik zag dat hij nadacht waar hij mij van kende, toen kwam hij met uitgestoken rechterhand op mij toe.
‘Henk Scheltema,’ zei hij gedecideerd.
Ik knikte, glimlachte en wilde uit de lage fauteuil overeind komen, maar hij gebaarde dat ik moest blijven zitten. Met zijn andere hand, waarmee hij de vier kaartjes vasthield, wenkte hij een van de obers.
‘Henk,’ zei hij nog een keer. ‘Dat ik jou... na al die jaren. Wat wil je drinken?’
Ik bestelde een glas rode wijn, Hans Kees een whisky met ijs. Hij liet de kaartjes van de Japanners nonchalant in zijn zak glijden.
‘Ook voor zaken hier,’ vroeg hij.
‘Ik werk aan de overkant,’ zei ik en wees op de kantoorflat met de vierkante zilveren letters Verbo op het dak.
‘In verzekeringen dus.’
Ik knikte. ‘En jij?’ Tot mijn ergernis merkte ik dat de onderdanigheid van eertijds in mijn stem was teruggekropen. Hans Kees was de populairste jongen van de school, had altijd vriendinnetjes en was goed van de tongriem gesneden. Ik was in die tijd een beetje verlegen. Ik had last van jeugdpuistjes en blonk nergens speciaal in uit.
‘Ik heb mijn eigen bedrijf. Software voor ziekenhuizen.’
Natuurlijk had hij zijn eigen bedrijf, hoe zou het anders kunnen?
‘Dat ik jou hier tref, na al die jaren. Hoe lang geleden is het wel niet?’
‘Ruim twintig jaar,’ zei ik.
We hadden elkaar eigenlijk niets te vertellen. Ik keek op mijn horloge.
‘Je gaat toch nog niet weg? We moeten even bijpraten.’ Waar moest ik het over hebben? Die vraag had ik mezelf niet hoeven stellen. Hans Kees nam het woord, vanzelfsprekend als de voorzitter van een vergadering.
‘Getrouwd. Kinderen?’
‘Al bijna vijftien jaar. Twee zoons.’
‘Dat dacht ik wel,’ zei hij, alsof hij volledig op de hoogte was van mijn verleden. ‘Jij bent het monogame type.’
Dat was hij dus niet. Zoveel was duidelijk.
‘Herinner je je Tamara nog? Tamara met die schallende lach van haar en die woeste bruine krullen. We zaten allebei achter haar aan.’
Ik herinnerde mij haar. Het was op een feestje vlak na het eindexamen, ergens in de Rivierenbuurt. Tamara. Langzaam zag ik haar gezicht voor mijn geestesoog opdoemen. Lange benen had ze en op haar rechterwang zat een moedervlekje.
‘Ja,’ zei ik. ‘Ik herinner me haar.’
‘Ze is dood,’ zei hij plompverloren, nam een laatste slok whisky en wenkte de ober. ‘Jij ook nog wat?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik moet nog rijden.’
‘Weet je dat feestje in de Maasstraat nog? Ik bracht haar naar huis en daarna...’ Zijn handgebaar liet aan duidelijkheid niets te raden over.
Ja, dat feestje zag ik nog helemaal voor me. Er werd gedanst op muziek van de Rolling Stones en de Beach Boys. Ik zat met Tamara aan een tafeltje naast een dressoir vol familieportretten. Ik vertelde haar een verhaal van Tsjechov na. ‘De kus’ heette het. In dat verhaal verdwaalt een jonge officier in een huis, ergens op het platteland, waar hij met zijn compagnie door de bewoners is uitgenodigd. Als hij naar het toilet is geweest raakt hij de weg kwijt in het hem onbekende huis. Lukraak opent hij een deur. Vanuit de donkere kamer hoort hij een geruis van zijde op zich afkomen. Dan voelt hij twee blote vrouwenarmen om zijn hals en hoe de lippen van een onzichtbare vrouw de zijne zoeken. Als ze haar vergissing bemerkt vlucht ze met een gesmoorde kreet de kamer uit, de officier in verwarring achterlatend. De kus. Verwachtingsvol keek ik haar aan. Haar lichtroze lippen hield ze op elkaar. Ze keek in haar glas rum-cola en zei toen: ‘Je bent een romanticus.’ Ik knikte hoopvol. Nu zou het gesprek verder moeten gaan. Maar dat gebeurde niet. Toen het feest was afgelopen had ze zich dus door Hans Kees naar huis laten brengen en verleiden.
‘Het was een bijzonder meisje,’ zei ik voorzichtig. ‘Wat erg dat ze dood is.’
‘Twee maanden na dat feest ging ze met een jongen in de auto naar Zwitserland. Daar zijn ze in de stromende regen van de weg afgeraakt en in een ravijn gedonderd.’
‘Hoe weet je dat,’ vroeg ik.
‘Het is een vriend van me. Cor. Hij zit er nog steeds mee. Zo nu en dan belt hij mij op om met mij over haar te praten. Hij kan haar maar niet uit zijn hoofd zetten.’
‘Dat kan ik me voorstellen,’ zei ik.
‘Ze was pas twintig,’ zei Hans Kees. Het klonk een beetje sentimenteel.
Tamara’s gezicht leek nu uit een dichte mist naderbij te deinen, half doorzichtig en onduidelijk nog. Een schim uit het verleden. Ik stond op.
‘Het spijt me,’ zei ik. ‘Ik moet nu heus gaan.’
‘Hier heb je mijn kaartje,’ zei hij en haalde een visitekaartje uit zijn binnenzak.
Ook ik tastte in mijn binnenzak en haalde het mijne tevoorschijn.
‘Laten we weer eens bellen. Good old times. Doe je vrouw de groeten. By the way, hoe heet ze?’
‘Je kent haar niet,’ zei ik, stond op en draaide mij om.
‘Ik betaal,’ hoorde ik zijn sonore stem achter mij.
Toen ik thuiskwam vroeg Jenny waar ik zo lang gebleven was.
‘Een kennis van vroeger. Ik kwam hem bij toeval tegen. Nogal een kletskous, zo iemand van wie je niet makkelijk afkomt.’
Ik keek naar Jenny’s smalle polsen toen ze mijn bord spaghetti al pesto voor mij neerzette. Zij leefde, Tamara was dood. Ik had nog maar zelden aan haar gedacht. En al die tijd, twintig jaar, had ik niet geweten dat ze dood was, niet meer bestond; een geraamte was of een hoopje as.
‘Wat kijk je naar me.’
‘Ik ben blij dat je leeft.’ Nu klonk ik sentimenteel.
Ze trok haar smalle wenkbrauwen op. ‘Hoezo dat?’
Ik was niet gewend dingen voor haar te verzwijgen.
‘Denk jij dat nooit,’ zei ze, ‘stel jij je nooit de vraag of die of die nog wel in leven is?’
‘Nee,’ zei ik. ‘Tot nu toe eigenlijk niet.’
‘Wat was het voor meisje?’
‘Ze was het mooiste meisje van de school.’
‘En jij was verliefd op haar?’
‘Ik niet alleen.’
‘Hoe zag ze eruit?’
‘Ik weet het niet meer precies,’ zei ik. ‘Het is zo lang geleden.’
In bed begon ze er natuurlijk weer over. Zo zijn vrouwen.
‘Ik hou van je,’ zei ik. Het klonk opeens ongeloofwaardig.

Wat er de volgende dagen gebeurde valt moeilijk onder woorden te brengen.
Ik vraag mij af hoe het geheugen werkt, welk selectieprincipe eraan ten grondslag ligt. Een deel herinneringen is effectief en direct op afroep beschikbaar, een ander deel ligt verborgen, sluimerend, ergens in het brein maar kan plotseling gewekt worden. Tamara’s gezicht begon zich in die tijd in de gezichten van wildvreemde voorbijgangsters op straat voor mij te manifesteren. Zo riepen die willekeurig passerende gezichten delen van het hare steeds duidelijker voor mij op. Kennelijk had ik haar gezicht in mijn hopeloze verliefdheid van toen tot in de kleinste details geregistreerd, maar kon ik het nu slechts met behulp van andere, mij onbekende gezichten in het heden oproepen. Zoiets moest het zijn. Een uiterst fijnmazig systeem van gezichtsherkenning, waarbij een neusvleugel in profiel (van een hoogst onaantrekkelijk meisje met een inwitte huid), de zachte ronding van Tamara’s ene neus gat opriep terwijl zij aan een gebakje in Wildstra’s tearoom rook. Wildstra’s tearoom waar wij na schooltijd wel eens met een groepje heen gingen. Uit het grove gezicht van een meisje met dikke blote armen en een goudglanzend ringetje in haar rechteroor maakten zich de geëpileerde wenkbrauwen van Tamara los, waarmee zij op school veel bekijks trok. Geen van de andere meisjes in die tijd had van die strakke zwarte boogjes boven haar ogen. En zo zag ik haar weer in de raamrij zitten met die in een puntje omhooglopende wenkbrauwstreepjes en een nauwelijks verholen smalend lachje om de lippen luisteren naar Verkerk, de leraar Frans. Achter haar bewogen traag de brede bladeren van de kastanjeboom op het schoolplein. Tamara’s lippen! Ik probeerde ze mij voor de geest te halen, maar pas de geeuwende mond van een meisje in de tram tegenover mij leverde ze weken later aan mij uit, de bovenlip wat smaller dan de onderlip. In haar rechter mondhoek drong een pukkel in de vorm van een doormidden gesneden kersje naar voren. Ja, ik herinnerde mij nu weer dat ze vaak last van koortsuitslag had en hoe haar bovenlip ’s winters kleine horizontale, licht golvende barstjes vertoonde. Haar lippen bewogen en bijna, zo leek het, hoorde ik haar stem waarmee ze mij toen voor romanticus had uitgemaakt. In de klas had ze zich een nonchalante houding aangemeten om al de hongerige blikken van de jongens te pareren.
Ik was bezig haar te herscheppen. Maar waarom? Was de wetenschap van haar tragische dood, meer dan twintig jaar geleden, de oorzaak? Al die jaren had ik maar zelden aan haar gedacht. In mijn erotische dromen kwam zij niet voor terwijl ik mij vroeger toch talloze malen denkend aan haar moest hebben bevredigd. Waren doden soms minder dood dan ik dacht en konden ze ieder ogenblik vanuit geheime schuilplaatsen in het brein opduiken? Een onprettige gedachte die ik meteen van mij af probeerde te zetten.
In de loop van de volgende weken begon Tamara’s gezicht langzaam een obsessie voor mij te worden. Steeds frequenter dook ze in onderdelen in de gezichten van wildvreemden voor mij op. Ik hield mij voor dat ze allang dood was, dat die eerste liefde niets dan een bevlieging was geweest, een kalverliefde, zoals dat vroeger genoemd werd. Al die oogopslagen (ze had hazelnootvormige bruine ogen), de zachte ronding van een kin, de licht naar binnen lopende wangen, het gladde hoge voorhoofd met daarboven de uitlopers van haar pony, lieten zich trouwens maar eventjes buitmaken. Dan verdwenen de fragmenten van haar gezicht alweer, meegenomen door de huidige bezitsters van één of meer van haar gezichtskenmerken. Haar haar. Was het lichtbruin of kastanjebruin met een zweem van rood? Ik herinnerde mij een kort kapsel, maar de kleur ervan kwam ik pas weken later op het spoor toen ik langs een tennisbaan in het Vondelpark liep en het haar van een meisje bij de service in een brede waaier voor haar gezicht zag vallen. Kastanjebruin, stelde ik vast.
Het begon er steeds meer op te lijken dat zij mij achtervolgde, mij haar verdwenen bestaan wilde opdringen (ten slotte ontbraken alleen haar oorlelletjes nog, tot die ook werden geleverd door een meisje dat op de tenen van haar witte gympen op en neer wippend naast mij voor een stoplicht te wachten stond).

[...]

© 2012 Bernlef 

© 2012 Em. Querido Uitgeverij bv
Auteursportret © Leo van der Noort

Uitgeverij Querido

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum