Leesfragment: Het boek Henry

27 november 2015 , door Hilary Mantel
| |

2 oktober verschijnt de nieuwe roman van Hilary Mantel, Het boek Henry (Bring Up the Bodies), in de vertaling van Ine Willems. Update 16 oktoberBring Up the Bodies krijgt de Booker Prize 2012. Wij publiceren voor. 'Zijn kinderen storten uit de lucht. Hij kijkt toe vanaf een paard, met kilometers Engeland glooiend achter zich. Goudgewiekt laten ze zich vallen, met bloeddorstige blik. Grace Cromwell bidt in de ijle lucht. Ze slaat haar prooi in stilte, en in stilte strijkt ze op zijn vuist neer. [...] Op haar borst zitten vegen geronnen bloed, en aan haar klauwen kleven flarden vlees.'

Na te hebben gebroken met de Rooms-katholieke kerk om met Anne Boleyn te kunnen trouwen, lijkt Hendrik ook net zo snel zijn interesse in haar weer te verliezen als er almaar geen sprake is van een mannelijke troonopvolger. In mei 1536 wordt ze opgesloten in de Tower op beschuldiging van overspel met meerdere mannen en veroordeeld tot de dood door onthoofding.
Thomas Cromwell is oppermachtig, maar is zelf de eerste die beseft hoezeer ook zijn macht afhangt van Henry’s humeuren, wensen en verlangens.
Het boek Henry is een bijzonder intense, onthutsende leeservaring, opnieuw briljant goed verteld door een van Engelands beste auteurs, Hilary Mantel.

Dit fragment is uitgebreider, en in het oorspronkelijke Engels, te vinden bij de Amerikaanse uitgeverij.

 

I
Valken

September 1535

Zijn kinderen storten uit de lucht. Hij kijkt toe vanaf een paard, met kilometers Engeland glooiend achter zich. Goudgewiekt laten ze zich vallen, met bloeddorstige blik. Grace Cromwell bidt in de ijle lucht. Ze slaat haar prooi in stilte, en in stilte strijkt ze op zijn vuist neer. Maar de geluidjes die ze dan maakt, het ritselen van veren en het knarsen, het uitschudden van vleugels, het zachte klok-klok diep in haar keel, dat zijn geluiden van herkenning, intiem, als van een dochter, knorrig bijna. Op haar borst zitten vegen geronnen bloed, en aan haar klauwen kleven flarden vlees.
‘Je dochters vlogen goed vandaag,’ zal Henry later zeggen. De havik Anne Cromwell deint mee op de handschoen van Rafe Sadler, die keuvelend met de koning oprijdt. Ze zijn moe, de zon staat al laag en ze rijden met de teugels slap tegen de hals van hun rijdier terug naar Wolf Hall. Morgen vliegen zijn vrouw en twee zussen uit. De dode vrouwen, van wie de botten al lang zijn weggezonken in de Londense klei, zijn nu gereïncarneerd. Gewichtloos zweven ze op hoge luchtstromingen. Ze kennen geen medelijden. Ze leggen aan niemand rekenschap af. Hun leven is eenvoudig. Wanneer ze omlaag kijken, zien ze alleen hun prooi en de geleende veren van de jagers, een fladderend, vluchtend universum, één grote maaltijd.
Zo gaat het al de hele zomer, een warboel van verscheurd aas, van huid en haar; van het uitsturen of terugfluiten van honden, het bemoederen van vermoeide paarden en bij de heren van kneuzingen, verstuikingen en blaren. En gedurende in elk geval een paar dagen heeft de zon op Henry neergeschenen. Even voor twaalven kwamen er wolken aandrijven vanuit het westen en regende het grote, geurige druppels, maar toen kwam de zon verzengend en wel weer tevoorschijn, en nu is de lucht zo helder dat je recht de hemel in kunt kijken en de heiligen bij hun bezigheden kunt begluren.
Wanneer ze afstijgen, hun paarden aan de stalknechten overlaten en de koning ten dienste staan, is hij met zijn gedachten al bij papierwerk, bij de rapportages van Whitehall, in volle galop aangeleverd over postroutes die met het kwartier van het hof mee buigen. Aan tafel met de Seymours zal hij zich voegen naar wat zijn gastheren te vertellen hebben en naar alles wat de koning, zo verfomfaaid, gelukkig en beminnelijk als hij vanavond is, maar wil ondernemen. Zodra de koning naar bed is, gaat hij aan het werk.
Hoewel de dag voorbij is, lijkt Henry geen zin te hebben om naar binnen te gaan. Met een brede steenrode streep van de zon op zijn voorhoofd blijft hij in de reuk van paardenzweet om zich heen staan kijken. Aan het begin van de dag heeft hij zijn hoofddeksel verloren, zodat naar de heersende mores het hele jachtgezelschap het vervolgens zonder moest stellen. De koning sloeg elk aanbod van vervanging af. Terwijl de schemer over de velden en bossen komt aansluipen, zullen bedienden op zoek zijn naar een beweging van de zwarte pluim in donkerder wordend gras, of de glans van zijn jagersinsigne, een gouden Sint-Hubertus met saffieren ogen.
Je kunt de herfst al voelen. Je weet dat er niet veel dagen als deze meer zullen komen, dus laten we nog even blijven staan, met de paardenknechten van Wolf Hall in een zwerm om ons heen en Wiltshire en de westelijke graafschappen in de heiige verte. Laten we nog even blijven staan, met de hand van de koning op zijn schouder, terwijl Henry met een ernstig gezicht het landschap van die dag de revue laat passeren: het groene struikgewas en de snelstromende beekjes, de elzen aan de waterkant, de ochtendmist die tegen negenen optrok, de korte bui, de bries die opstak en weer ging liggen, de roerloze hitte van de middag.
‘Hoe bestaat het dat u niet verbrand bent, mijnheer?’ wil Rafe Sadler weten. Rafe, even roodharig als de koning, ziet vlekkerig, besproet roze, en zelfs zijn ogen lijken geïrriteerd. Hij haalt zijn schouders op en slaat zijn arm om Rafes schouders als ze naar binnen gaan. Hij heeft heel Italië doorlopen – van het slagveld tot het schaduwrijke strijdperk van de rekenkamer – zonder zijn Londense fletsheid te verliezen. Zijn schurkenjeugd, de dagen op de rivier, de dagen in de open velden: ze lieten hem zo bleek als God hem had gemaakt. ‘Cromwells huid is lelieblank,’ verkondigt de koning. ‘Dat is dan ook het enige waarin hij aan een bloem doet denken.’ Terwijl ze hem zo plagen, slenteren ze op het avondeten af.

De koning was van Whitehall vertrokken in de week van Thomas Mores dood, een miserabele, natte juliweek waarin de hoeven van de koninklijke entourage diepe sporen achterlieten in de modder terwijl ze losweg op Windsor aan gingen. Sindsdien heeft de toer een hap uit de westelijke graafschappen genomen; Cromwells mannen hebben zich half augustus bij het koninklijke gevolg aangesloten, na eerst de zaken van de koning in Londen te hebben afgewikkeld. De koning en zijn metgezellen slapen zacht in nieuwe huizen van rozige steen, in oude huizen waarvan de versterkingen zijn afgebrokkeld of neergehaald, en in sprookjeskastelen: onverdedigbaar speelgoed, met muren waar kanonskogels gaten in zouden slaan als in papier. Engeland heeft vijftig jaar vrede genoten. Dat is het convenant van de Tudors: zij bieden vrede. Elk huishouden spant zich in om een weergaloos optreden voor de koning neer te zetten, en in de afgelopen weken hebben we nogal wat koortsachtig pleisteren en jachtig steenhouwen gezien, terwijl de gastheren hals-over-kop zorgen dat de tudorroos naast hun eigen wapens prijkt. Elk spoor van Katherine, de voormalige koningin, wordt uitgewist en de granaatappels van Aragon met de gesteltakken en geplette, rondvliegende zaden gaan met hamerslagen aan gruzelementen. In plaats daarvan worden de rouwborden – als er geen tijd is voor uitsnijwerk – botweg overgeschilderd met de valk van Anne Boleyn.
Ook Hans heeft zich bij het gezelschap gevoegd en een schets van Anne, de koningin, gemaakt, die haar echter niet kon bekoren; maar waarmee bekoor je haar tegenwoordig wel? Hij heeft ook Rafe Sadler geschetst, met zijn keurige baardje, ferme mond en modieuze hoofddeksel, dat als een gevederde schotel schuin op zijn korte kapsel balanceert.
‘U hebt mijn neus wel erg plat gemaakt, meester Holbein,’ zegt Rafe, waarop Hans terugvuurt: ‘En hoe had ik uw neus recht moeten zetten, meester Sadler?’
‘Hij heeft hem gebroken toen hij als kind het toernooiveld op rende,’ zegt hij. ‘Ik heb hem zelf onder de paardenhoeven vandaan geplukt; een hoopje ellende was het, huilde om zijn moeder.’ Hij geeft de jongen een kneepje in zijn schouder. ‘Kop op, Rafe. Ik vind dat je er erg goed uitziet. Bedenk wat Hans mij heeft aangedaan.’
Thomas Cromwell is nu ongeveer vijftig jaar oud. Hij heeft het postuur van een arbeider: gedrongen, krachtig, op het zware af. Hij heeft zwart haar, dat begint te grijzen, en vanwege zijn bleke, ondoordringbare huid, die ervoor gemaakt lijkt om zowel regen als zon te weerstaan, klinkt regelmatig de sneer dat zijn vader een Ier was, al was dat eigenlijk een bierbrouwer en hoefsmid uit Putney en een schapenhouder, iemand die overal wel een vinger in de pap had, een ruziezoeker en een vechtjas, een zatladder en een bullebak, een man die geregeld voor het gerecht werd gesleurd omdat hij met iemand op de vuist was gegaan of iemand had opgelicht. Hoe de zoon van zo’n man zijn huidige voorname positie kon verwerven, is een vraag die heel Europa zich stelt. Sommigen zeggen dat hij is opgekomen met de Boleyns, de familie van de koningin. Anderen dat het geheel en al door toedoen was van wijlen kardinaal Wolsey, zijn beschermheer; Cromwell genoot zijn vertrouwen, verdiende geld voor hem en kende zijn geheimen. Weer anderen zeggen dat hij het gezelschap zoekt van duivelskunstenaars. Van jongs af was hij in het buitenland, als huursoldaat, als wolhandelaar, als bankier. Niemand weet precies waar hij is geweest of wie hij heeft ontmoet, en zelf maakt hij niemand wijzer. Hij spaart zichzelf niet in dienst van de koning, weet wat hij waard is en vermag en zorgt dat zijn beloning navenant is: regeringsambten, gratificaties en eigendomsbewijzen van residenties en landgoederen. Hij heeft er een handje van om zijn zin te krijgen, een methode: hij palmt iemand in of koopt hem om, lijmt iemand of bedreigt hem; hij legt iemand uit waar diens belangen feitelijk liggen en laat hem kanten van zichzelf zien waarvan hij het bestaan niet eens kende. Meester hofsecretaris heeft dagelijks van doen met rijksgroten die hem, als ze konden, met één wraakzuchtige haal zouden pletten als een vlieg. Met die wetenschap in het achterhoofd is hij het toonbeeld van hoffelijkheid en kalmte, en heeft het grootbedrijf Engeland zijn onvermoeibare aandacht. Hij heeft niet de gewoonte zich nader te verklaren. Hij heeft niet de gewoonte zijn successen uit te meten. Maar hij is altijd thuis wanneer Vrouwe Fortuna hem opzoekt, klaar om de deur wijd open te gooien bij haar geringste klopje op het hout.
Thuis in zijn stadswoning in Austin Friars hangt zijn beeltenis aan de wand te broeden, zijn duistere doelen gehuld in laken en bont, zijn hand om een document geklemd alsof hij er het leven uit knijpt. Hans had hem achter een aangeschoven tafel vastgepind en gezegd: Nu niet meer lachen, Thomas. En op die voet waren ze verdergegaan: Hans neuriënd aan het werk terwijl hij grimmig voor zich uit staarde. Toen hij het voltooide portret zag, had hij gezegd ‘Christus, ik zie eruit als een moordenaar’, en zijn zoon Gregory had gevraagd: ‘Wist u dat dan niet?’ Er worden kopieën van gemaakt voor zijn vrienden en voor zijn bewonderaars onder de evangelisten in het Duitse rijk. Van het origineel wil hij niet scheiden – niet nu ik er eenmaal aan gewend ben, zegt hij – en dus treft hij bij binnenkomst in de hal versies van zichzelf aan in diverse stadia van wording: eerste profielschetsen, deels ingevuld met inkt. Waar beginnen met Cromwell? De een begint met zijn scherpe, toegeknepen ogen, de ander met zijn hoed. Weer een ander mijdt het probleem en schildert zijn zegel en schaar of kiest de turkooizen ring die hij van de kardinaal heeft gekregen. Waar ze ook beginnen, het eindresultaat blijft hetzelfde: als hij iets met je te verhapstukken heeft, zou je hem na donker niet graag tegenkomen. Zijn vader, Walter, zei vroeger altijd: ‘Dat jong van me, Thomas, kijk ’m vuil aan en hij steekt je ’n oog uit. Haak ’m pootje en hij hakt je ’n been af. Maar als je uit z’n vaarwater blijft, is ie op en top ’n heer. En niet te beroerd om ’n rondje te geven.’
Hans heeft de koning geschetst zoals die beminnelijk in zomerzijde natafelt met zijn gastheren, met de vensters open voor de avondzang van vogels en de eerste kaarsen die samen met het gesuikerde fruit zijn binnengekomen. Op elke etappe van zijn zomertoer doet Henry het voornaamste huis aan met de huidige koningin, Anne; zijn gevolg slaapt bij de edellieden in de omgeving. Bij wijze van dank onthaalt de familie bij wie de koning verblijft deze gastheren minstens één keer tijdens zijn bezoek op grootse wijze, wat zo’n huishouden danig onder druk zet. Hij heeft de inkomende provisiekarren geteld, keukens in oproer gezien en is er zelf heen gegaan in het grauwgroene uur voor dageraad, wanneer de bakstenen broodovens worden schoongeveegd voor het eerste baksel, kadavers aan het spit worden geregen, ketels op een drievoet worden gezet en gevogelte wordt geplukt en geportioneerd. Zijn oom was kok bij een aartsbisschop en als kind hing hij vaak rond in de keukens van Lambeth Palace; hij kent het werk van voor tot achter, en niets aan het welbevinden van de koning mag aan het toeval worden overgelaten.
Deze dagen zijn perfect. In het heldere, serene licht glimt elke bes in de heg. Elk blad aan de boom hangt, met de zon erachter, als een gouden peer. Onderweg naar het westen in hoogzomer zijn we nu eens ondergedompeld geweest in dichtbeboste jachtterreinen en dan weer hoog over de rug van de Downs gereden waar je, zelfs over twee gewesten heen, de eeuwige beweging van de zee gewaarwordt. In dit deel van Engeland hebben onze voorvaders de reuzen hun grondwerk achtergelaten, hun grafheuvels en menhirs. En nog steeds stroomt er bij ons, bij iedere Engelsman en -vrouw, een paar druppels reuzenbloed door de aderen. Al die eeuwen geleden joegen ze, in een land dat nog niet door schapen of ploeg was kaalgeplunderd, op wilde ever en eland. Een woud doorkruisen kostte dagen. Soms worden er eeuwenoude wapens opgedolven: bijlen die, met twee vuisten vastgehouden, paard én ruiter konden neermaaien. Denk aan de enorme ledematen van die dode mannen, rusteloos onder de grond. Oorlog was hun tweede natuur, en oorlog staat altijd te trappelen om terug te komen. Niet alleen het verleden speelt je door het hoofd als je door dit landschap rijdt. Ook wat er in de bodem ligt te sluimeren, wat daar zijn tijd afwacht: de tijden die nog komen moeten, de niet-gevoerde oorlogen, de verwondingen en sterfte die als kiemen worden warmgehouden door Engelands bodem. Als je Henry ziet lachen, als je hem ziet bidden, als je hem zijn mannen ziet aanvoeren over het bospad, dan zou je denken dat hij even stevig op zijn troon zit als op zijn paard. Schijn bedriegt. ’s Nachts ligt hij wakker; hij staart naar de bewerkte balkenzoldering; hij telt zijn dagen. Hij zegt: ‘Cromwell, Cromwell, wat moet ik doen?’ Cromwell, red me van de keizer. Cromwell, red me van de paus. Dan roept hij om zijn aartsbisschop van Canterbury, Thomas Cranmer, en wil hij weten: ‘Is mijn ziel verdoemd?’
In Londen wacht de ambassadeur van de keizer, Eustace Chapuys, dag in, dag uit op het nieuws dat het volk van Engeland in opstand is gekomen tegen hun wrede en goddeloze koning. Het is nieuws waar hij naar smacht, en hij heeft er noeste arbeid en klinkende munt voor over om het bewaarheid te zien. Zijn meester, Karel V, Karl, Carlos, Charles, is de keizer van het Heilige Roomse Rijk in eigen persoon, landsheer van de Lage Landen en Spanje en de Spaanse wingewesten overzee. Charles is rijk en van tijd tot tijd boos omdat Henry Tudor het heeft gewaagd zijn tante, Katherine, aan de kant te zetten om met een vrouw te trouwen die door de man in de straat een puilogende hoer wordt genoemd. In naarstige depêches dringt Chapuys er bij zijn meester op aan dat hij Engeland aanvalt, zich aansluit bij de rebellen van het rijk, de troonpretendenten en misnoegden, en dat hij dit verdorven eiland inneemt waarvan de koning door nationale wetgeving zijn eigen scheiding heeft geregeld en zichzelf tot God heeft uitgeroepen. De paus vat het niet best op dat hij in Engeland wordt uitgelachen en slechts ‘bisschop van Rome’ wordt genoemd, dat zijn inkomstenstroom is omgelegd en nu in Henry’s schatkist uitmondt. Er hangt Henry een excommunicatiebul, opgesteld maar nog niet afgekondigd, boven het hoofd, waardoor hij een verschoppeling zou worden onder de christelijke vorsten van Europa; zij worden uitgenodigd – nee, aangemoedigd – om het Nauw of de Schotse grens over te steken en zichzelf te bedienen. En misschien komt de keizer wel. Of misschien de koning van Frankrijk. Misschien komen ze wel samen. Het zou fijn zijn als we konden zeggen dat we daar klaar voor zijn, maar de realiteit is anders. In geval van een invasie zou het weleens nodig kunnen zijn dat we de reuzenbeenderen opgraven om ze mee op hun donder te geven, gezien het feit dat we kanonnen tekortkomen, kruit tekortkomen, staal tekortkomen. Dat ligt niet aan Thomas Cromwell. Zoals Chapuys met een grimas zegt: Henry’s koninkrijk was beter op orde geweest als Cromwell er vijf jaar geleden de leiding over had gekregen.
Als je Engeland wil verdedigen, en dat wil hij – hij zou zelf het slagveld op gaan, met het zwaard in de hand – moet je weten wat Engeland is. In de augustushitte heeft hij blootshoofds bij de gebeeldhouwde graftomben van voorouders gestaan, mannen die cap à pie geharnast gaan in plaatstaal en ijzeren ringetjes, de gehandschoende handen stijfjes ineen op hun opperkleed, de gepantserde voeten op leeuwen, griffioenen, greyhounds: mannen van steen, mannen van staal, met hun zachte vrouwen in kisten naast zich als slakken in hun slakkenhuis. Wij denken dat de tijd de doden niet kan raken, maar hij raakt hun gedenktekens wel en laat ze in de toevalligheden van zijn verloop met mopsneus en vingerstompjes achter. Een afgebroken beentje (als van een knielende cherubijn) steekt onder draperieën uit, een duim ligt los op een gebeeldhouwd kussen. ‘We moeten onze voorouders volgend jaar toch echt eens laten opknappen,’ zeggen de heren van de westelijke graafschappen; maar hun schild en schildhouders, hun rouwbord en wapenbeeld zitten altijd goed in de verf, en de verrichtingen van hun voorouders verfraaien ze met woorden, wie het waren en wat ze in handen hielden: de wapenrusting die mijn voorvader droeg bij Agincourt, de kelk die mijn voorvader heeft ontvangen uit de handen van Jan van Gent zelf. En mochten die vaders en grootvaders in de recente oorlogen tussen York en Lancaster de verkeerde kant hebben gekozen, dan houden ze het stil. Een generatie later moeten dwalingen vergeven zijn en namen weer staan, anders komt Engeland niet verder en blijft het terugvallen in het smerige verleden.
Hij heeft natuurlijk geen voorouders, niet van het soort waar je het over zou hebben. Er was ooit een adellijke familie met de naam Cromwell en toen hij in dienst van de koning kwam, hadden de herauten er bij hem op aangedrongen om, al was het maar voor de schijn, hun wapen aan te nemen. Maar ik kom niet van hen, had hij beleefd gezegd, ik hoef hun blazoen niet. Hij was weggelopen voor zijn vaders vuisten toen hij maar net vijftien was; was het Kanaal overgestoken en had dienst genomen in het leger van de Franse koning. Hij had gevochten zodra hij kon lopen, en als je dan toch moet vechten, waarom er dan niet voor betaald krijgen? Er bestonden lucratievere beroepen dan dat van soldaat, en hij had ze gevonden. Hij besloot dat naar huis gaan geen haast had.
En wanneer zijn getitelde gastheren nu advies vragen over de plaatsing van een fontein of van de Drie Gratiën, zegt de koning: Cromwell is je man; Cromwell, die heeft gezien hoe ze het in Italië aanpakken en wat goed genoeg is voor Italië, is goed genoeg voor Wiltshire. Nu en dan trekt de koning er alleen met zijn hofhouding op uit en blijft de koningin met haar dames en muzikanten achter, terwijl Henry en zijn selecte groep gunstelingen door het land trekken. En zo zijn ze op Wolf Hall aangekomen, waar de oude sir John Seymour klaarstond om hen te midden van zijn florerende familie te verwelkomen.

‘Ik weet het niet, Cromwell,’ zegt de oude sir John. Hij neemt hem vriendschappelijk bij de arm. ‘Al die valken vernoemd naar dode vrouwen ... Word je daar dan niet verdrietig van?’
‘Ik ben nooit verdrietig, sir John. Daar brengt de wereld me te veel goeds voor.’
‘Je zou moeten hertrouwen, een nieuw gezin stichten. Misschien vind je een bruid terwijl je bij ons verblijft. In de bossen van Savernake lopen veel innemende jonge vrouwen rond.’
Ik heb altijd Gregory nog, zegt hij en hij kijkt achterom, op zoek naar zijn zoon; om een of andere reden is hij altijd bezorgd om Gregory. ‘Ah,’ zegt Seymour. ‘Jongens zijn natuurlijk prima, maar een man heeft ook dochters nodig. Dochters zijn een troost. Kijk naar Jane. Zo’n lieve meid.’
Hij kijkt naar Jane Seymour, zoals haar vader hem opdraagt. Hij kent haar goed van het hof, waar ze hofdame was van Katherine, de voormalige koningin, en van Anne, de huidige: een alledaagse jonge vrouw met een zilverig bleke huid, de gewoonte haar mond te houden en de hebbelijkheid om naar mannen te kijken alsof ze een onplezierige verrassing zijn. Ze draagt parels en wit, met stijve anjertoefjes geborduurd brokaat. Hij ziet er een aanzienlijke kostenpost aan af; de parels buiten beschouwing gelaten zou je haar niet zo in de kleren kunnen steken voor minder dan dertig pond. Geen wonder dat ze zich zo voorzichtig beweegt, net een kind dat te horen heeft gekregen dat het zich niet vies mag maken.
‘Ben je nu minder verlegen, Jane,’ zegt de koning, ‘nu we je thuis bij je eigen mensen zien?’ Hij neemt haar muizenpootje in zijn enorme hand. ‘Aan het hof zegt ze geen woord.’
Jane kijkt naar hem op, blozend van haar hals tot haar haargrens. ‘Heb je ooit zo’n blos gezien?’ vraagt Henry. ‘Of het moest bij een meisje van twaalf zijn.’
‘Ik kan niet beweren dat ik twaalf ben,’ zegt Jane.
Bij het avondeten zit de koning naast lady Margery, zijn gastvrouw. In haar tijd was ze een schoonheid, en afgaand op de intense aandacht van de koning zou je denken dat ze dat nog is. Ze heeft tien kinderen gekregen van wie er zes in leven zijn en drie hier aanwezig. Edward Seymour, de erfgenaam, heeft een hoog voorhoofd, een ernstige uitdrukking, een scherp, fel profiel: een knappe man. Hij is geletterd op het geleerde af en wijdt zich met verstand aan de functies die hem worden toebedeeld; hij heeft gevochten in een oorlog en terwijl hij wacht tot hij dat weer kan doen, slaat hij een goed figuur bij de jacht en op het toernooiveld. De kardinaal noemde hem destijds een slag beter dan de doorsnee Seymour, en hijzelf, Thomas Cromwell, heeft hem beproefd en in alle opzichten een man van de koning bevonden. Tom Seymour, Edwards jongere broer, is luidruchtig en onbesuisd en voor vrouwen interessanter: als hij een kamer in komt, giechelen de maagden en buigen de jonge matrones het hoofd om hem van onder hun wimpers aandachtig op te nemen.

[...]

© Tertius Enterprises 2012
Oorspronkelijke titel: Bring Up the Bodies
© 2012 Uitgeverij Signatuur, Utrecht en Ine Willems
Auteursportret © John Haynes

MINDBOOKSATH : athenaeum