Leesfragment: Het boek van mijn moeder

27 november 2015 , door Albert Cohen
| |

Afgelopen maand verscheen de Nederlandse vertaling Het boek van mijn moeder van Albert Cohen (Le livre de ma mère, vertaald door Paul Syrier). Vanavond op Athenaeum.nl: de eerste twee hoofdstukken.

Na haar dood schreef Albert Cohen dit schrijnende en liefdevolle portret van zijn moeder. Ze was een schuchtere joodse vrouw, afkomstig van Korfoe, die met haar man en kind onder dreiging van het opkomende antisemitisme naar Marseille was gevlucht. Zij en haar zoon hadden een hechte band, hij was haar enige metgezel in een eenzaam bestaan. Alles wat ze deed, deed ze voor hem. Ze maakte tekeningetjes voor hem, zette hem versterkende brouwseltjes voor en verkocht haar familiejuwelen om hem geld te kunnen toestoppen. Toen hij eenmaal volwassen was en in Genève een mondain bestaan als diplomaat en schrijver leidde, vormden haar jaarlijkse bezoeken aan hem de hoogtepunten van haar leven. Met koffers vol zelfgemaakte lekkernijen kwam ze aan.

Schuldbewust analyseert Cohen zijn eigen houding ten opzichte van zijn moeder. Hij vereerde haar, maar schaamde zich ook voor haar burgerlijkheid, speelde met haar toegewijdheid en werd vaak te zeer in beslag genomen door deze of gene 'nimf' om haar werkelijk lief te hebben zoals ze verdiende. Nu zijn moeder dood is, beseft haar zoon wanhopig dat geen andere vrouw ooit meer zo onvoorwaardelijk van hem zal houden als zij. 'Het boek van mijn moeder' is een ode aan die onvoorwaardelijke moederliefde, geschreven in het besef tekort te zijn geschoten in het beantwoorden daarvan.

I

Ieder mens is alleen en niemand geeft iets om een ander en ons verdriet is een onbewoond eiland. Toch is dit geen reden om mezelf niet te troosten, vanavond, terwijl de geluiden op straat wegsterven, mezelf te troosten, vanavond, met woorden. O, de arme verdoolde die zich, zittend aan zijn tafel, troost met woorden, zittend aan zijn tafel, nadat hij de stekker van de telefoon uit het contact heeft getrokken, want hij is bang voor de wereld buiten, en ’s avonds, als hij de stekker van de telefoon uit het contact heeft getrokken, voelt hij zich een vorst, beschermd tegen de kwaadaardigen buiten, zo gauw kwaadaardig, kwaadaardig om niets.

Wat een wonderlijk klein geluk, triest en mank, maar zoet als een zonde of een verboden glas, wat een geluk, niettemin, om op dit moment te schrijven, alleen in mijn koninkrijk en ver van alle smeerlappen. Wie zijn die smeerlappen? Dat zal ik u niet vertellen. Ik wil geen problemen met de mensen buiten. Ik wil niet dat ze mijn valse rust komen verstoren en het me onmogelijk komen maken een paar bladzijden te schrijven, tientallen of honderden, al naar gelang mijn hart, dat mijn noodlot is, zal besluiten. Met name heb ik besloten alle schilders te vertellen dat ze geniaal zijn, want anders bijten ze. En in het algemeen vertel ik iedereen dat iedereen alleraardigst is. Zo gedraag ik me overdag. Maar tijdens mijn nachten en als het licht begint te worden, weet ik wel beter.

Jij, weelderige, mijn gouden pen, beweeg je over het papier, ga op goed geluk, nu ik nog wat jeugd over heb, ga over je trage, onregelmatige pad, aarzelend als in een droom, ga onbeholpen over je pad, waarover ik je toch voortdrijf. Ga, ik houd van je, mijn enige troost, ga over de bladzijden waar ik mijn trieste voldoening vind en aan wier loensende blikken ik een somber genot ontleen. Ja, woorden, mijn vaderland, woorden, ze schenken me troost en nemen wraak voor me. Maar mijn moeder zullen ze me niet teruggeven. Hoe vervuld ze ook zijn van een bloedig verleden dat in hun slapen klopt, hoe welriekend ze ook zijn, de woorden die ik schrijf zullen me mijn dode moeder niet teruggeven. Dit onderwerp is ’s nachts verboden. Weg, beeld van mijn levende moeder, toen ik haar voor de laatste maal in Frankrijk zag, weg, spookbeeld van mijn moeder.

Plotseling, zittend aan mijn tafel, omdat alles er op orde is en er warme koffie onder handbereik staat en ik een sigaret tussen mijn vingers heb waaraan ik nog maar nauwelijks ben begonnen en omdat mijn aansteker het doet en mijn pen goed loopt en ik dicht bij de haard en mijn poes zit, voel ik me gelukkig, zo gelukkig dat het me in verwarring brengt. Ik heb medelijden met mezelf, met dat kinderlijke vermogen tot immense vreugde, dat niets goeds voorspelt. Wat heb ik een medelijden met mezelf, zoals ik hier zit: tevreden vanwege een pen die goed loopt, medelijden met dat arme, oude hart, dat nu eindelijk eens niet meer wil lijden en zich wil vastklampen aan een reden om lief te hebben, zodat het kan leven. Ik verkeer, enkele minuten, in een kleine, burgerlijke oase, en ik geniet ervan. Maar daaronder gaat het ongeluk schuil, voortdurend, onmogelijk te vergeten. Ja, ik geniet ervan een paar minuten een burger te zijn, als zij. Je bent graag wat je niet bent. Er bestaat geen echter kunstenaar dan de ware burgervrouw, die begint te kwijlen bij het horen van een gedicht of die, met het schuim op de lippen, in trance raakt bij het zien van een Cézanne; ze houdt een hoogdravende verhandeling in dat taaltje dat ze hier en daar heeft opgepikt en niet eens heeft begrepen, en ze praat over massa’s en volumes en zegt dat dat rood zo sensueel is. Net zo sensueel als je zuster zeker. Ik weet me geen raad meer. Laten we dus in de kantlijn een tekeningetje maken, om ideeën op te roepen, een tekeningetje, om mezelf op mijn gemak te stellen, een neurastheen tekeningetje, een traag tekeningetje, dat je helpt besluiten te nemen, plannen te maken, een tekeningetje, vreemd eiland en vaderland van de ziel, trieste oase van overpeinzingen die de gebogen lijnen volgen, een tekeningetje, niet eens zo waanzinnig, verzorgd, kinderlijk, braaf, het tekeningetje van een zoon. Sst, wekt haar niet, dochters van Jeruzalem, wekt haar niet uit haar slaap.

Wie slaapt er? vraagt mijn pen. Wie anders dan mijn moeder, voor altijd, wie anders dan mijn moeder, die mijn verdriet is? Wekt haar niet, dochters van Jeruzalem, mijn smart, die begraven ligt op een kerkhof in een stad waarvan ik de naam niet mag uitspreken, want die naam is synoniem met mijn moeder, die daar begraven ligt. Ga, pen, rep je over het papier, verlies je aarzelingen en wees redelijk, laat me alles weer helder zien en zet niet zulke krullende komma’s, dat is niet de goede inspiratie. Ziel, o mijn pen, wees moedig en ijverig, verlaat dat duistere land, wees niet meer waanzinnig, bijna waanzinnig en hoogdravend, niet meer zo ziekelijk hoogdravend. En jij, mijn enige vriend, jij, naar wie ik in de spiegel kijk, onderdruk die droge snikken. Je wilt het immers durven? Praat dan over je dode moeder, met een hart van vals brons, praat op kalme toon, doe alsof je kalm bent, wie weet is het niet meer dan een gewoonte die je moet aanleren? Vertel over je moeder op hun kalme manier, fluit een deuntje, om jezelf wijs te maken dat het allemaal zo slecht nog niet gaat, en vooral: glimlach, vergeet niet te glimlachen. Glimlach, om je wanhoop te vlug af te zijn, glimlach om verder te kunnen leven, glimlach tegen de spiegel en als je onder de mensen bent, en zelfs als je naar deze bladzijde zit te staren. Glimlach in je rouw, hijgender dan angst. Glimlach om te geloven dat niets er echt toe doet, glimlach, dwing jezelf te doen alsof je leeft, glimlach terwijl boven je hoofd het zwaard van de dood van je moeder hangt, glimlach je hele leven, tot je eraan crepeert, tot je crepeert van dat voortdurende glimlachen.

II

Op vrijdagmiddag, de middag die voor de joden het begin van de heilige sabbatdag is, maakte ze zich mooi en smukte ze zich op, mijn moeder. Ze trok dan haar plechtige jurk van zwarte zijde aan en behing zich met die juwelen die haar nog restten. Want ik was een verkwister in mijn lachende jeugd en gaf bankbiljetten aan bedelaars, als ze tenminste oud waren en een lange baard hadden. En als een vriend mijn sigarettenkoker mooi vond, was die gouden koker voor hem. Ze had, toen ik nog student was en er zwarte, onhandelbare hymnen op mijn hoofd groeiden en ik een mooi, ietwat waanzinnig maar toch teder hart had, in Genève haar nobele juwelen verkocht, haar juwelen, waarop ze zo trots was, mijn liefste, en die ze, dochter van notabelen uit een vervlogen tijd, zo nodig had om haar naïeve waardigheid in stand te houden. Vele malen had ze, steeds weer opgelicht door de juweliers, sieraden voor me verkocht, stiekem, zodat mijn vader, wiens strengheid ons, haar en mij, angst inboezemde, het niet zou merken. We waren er medeplichtigen door geworden. Ik zie haar nog uit die juwelierszaak in Genève komen, zo trots om dat armzalige, grote bedrag dat ze voor me in de wacht had gesleept, gelukkig, verwarrend van geluk, blij omdat ze voor mij haar dierbare oorhangers, haar ringen en haar parels, die de onderscheidingstekenen van haar kaste, haar eer als oriëntaalse dame vormden, had verkocht. Zo gelukkig, mijn liefste, die toen al moeilijk liep, toen al door de dood werd bespied. Zo gelukkig dat ze zich voor mij kon onttakelen, me de bankbiljetten kon schenken die binnen enkele dagen in mijn jonge en vlugge handen, zo tot geven bereid, in rook zouden opgaan. Ik nam ze aan, waanzinnig en zonbeschenen en me weinig om mijn moeder bekommerend, want ik had scherpe en verblindend witte tanden en ik was de geliefde, zij het ook liefhebbende, minnaar van een mooi meisje en dan ook nog van dat andere en zo eindeloos voort, in de weerkaatsende spiegels van het kasteel der liefde. O, wonderlijke bleekheid van mijn overleden geliefden. Ik nam de bankbiljetten aan en ik wist niet, zoon die ik was, dat deze nederige, grote bedragen de offers waren die mijn moeder op het altaar van het moederschap bracht. O, priesteres van haar zoon, o majesteit die ik te lang was om het nog te kunnen zien. Te laat nu.
Iedere sabbat, in Marseille, waar ik vanuit Genève heen ging om er mijn vakantie door te brengen, wachtte mijn moeder op ons, op mijn vader en mij, die met twijgjes mirte in de hand uit de synagoge zouden terugkomen. Nadat ze haar nederige appartement, dat haar joodse koninkrijk en haar armzalige vaderland was, voor de sabbat had versierd, nam ze, mijn moeder, in haar eentje aan de feestelijke sabbatstafel plaats en wachtte plechtig op haar zoon en haar echtgenoot. Zittend en zich tot brave roerloosheid dwingend om haar fraaie opschik niet in de war te brengen, aangedaan en stijfjes omdat ze zich in een waardig korset had gewrongen, aangedaan omdat ze zich mooi had gekleed en er eerbiedwaardig uitzag, aangedaan omdat ze haar beide geliefden, haar echtgenoot en haar zoon, wier belangrijke voetstappen ze zo dadelijk op de trap zou horen, zou behagen, aangedaan vanwege haar keurig gekapte haar, dat glansde van de oeroude olie van zoete amandelen, want ze was niet zo bijdehand waar het het maken van haar toilet betrof, aangedaan als een klein meisje dat de prijzen mag uitdelen, wachtte mijn oud wordende moeder op de twee doelen in haar leven, haar zoon en haar echtgenoot.

Gezeten onder het portret van mij op vijftienjarige leeftijd, het portret dat haar altaar was, dat vreselijke portret dat zij zo prachtig vond, gezeten aan de sabbatstafel waarop de drie kaarsen brandden, aan de feesttafel die al een deel van het koninkrijk van de Messias was, ademde mijn moeder tevreden maar ook een beetje pathetisch, want zo dadelijk zouden ze komen, haar twee mannen, de fakkels in haar leven. O ja! verheugde ze zich, ze zouden het huis zo keurig en luxueus vinden, deze sabbatdag, ze zouden haar complimenteren met de oogverblindende orde die er in haar huis heerste, en ze zouden haar ook een compliment maken over de elegantie van haar jurk. Haar zoon, die nooit leek te kijken maar alles zag, zou een snelle blik op dat nieuwe kraagje en die nieuwe kanten manchetjes werpen en ja, natuurlijk, die veranderingen zouden zijn gewichtige goedkeuring wegdragen. En ze was nu al trots, ze bedacht nu al wat ze tegen hen zou zeggen, misschien zou ze hier en daar de snelheid en handigheid waarmee ze het huishouden deed, iets aandikken. En ze zouden zien welk een bekwame vrouw, welk een koningin van het huis ze was. Dat waren de ambities van mijn moeder.

Zo zat ze daar, één en al liefde voor haar gezin, en somde in gedachten op wat ze had gekookt, gewassen en opgeruimd. Van tijd tot tijd ging ze naar de keuken om met haar kleine handen, waaraan een verheven trouwring flonkerde, met de houten lepel zinloze en sierlijke, kunstzinnige klopjes te geven op de gehaktballetjes die in de granaatkleurige, dunne tomatensaus lagen te sudderen. Haar kleine, mollige handen met hun delicate huid, waarover ik haar enigszins hypocriet en met veel liefde complimenteerde, want haar naïeve tevredenheid bracht me in verrukking. Ze was zo handig in de keuken en zo onhandig in de rest van het leven. Maar wat was ze in haar keuken, waar ze haar elegantie van oude dame wist te bewaren, een schitterende, vastberaden kapitein. De naïeve klopjes die mijn moeder in haar keuken gaf, de klopjes met de lepel op de gehaktballetjes, o riten, de bedachtzame klopjes, teder en lief, absurd en vruchteloos, zo liefdevol en tevreden, alsof haar ziel werd gerustgesteld door de gedachte dat alles goed ging, dat de balletjes volmaakt waren en door die twee veeleisende mannen zouden worden goedgekeurd, o die heel bedachtzame en onnozele klopjes die voor altijd zijn verdwenen, die klopjes die mijn moeder gaf, alleen, onmerkbaar glimlachend in haar keuken, onhandige en majesteitelijke gratie, de majesteit van mijn moeder.

Teruggekeerd uit de keuken ging ze weer zitten, heel bescheiden, dienstbode, priesteres, tevreden met haar kleine, fatsoenlijke lot, dat eenzaamheid was, een eenzaamheid die alleen werd verlucht door haar echtgenoot en haar zoon, wier dienares en hoedster ze was. Deze vrouw, die eens jong en mooi was geweest, was een dochter van de Wet van Mozes, van de morele Wet, die voor haar belangrijker was dan God. Geen verliefde liefdes dus, geen grappen à la Anna Karenina. Een echtgenoot, een zoon, die ze met nederige majesteit leidde en diende. Ze was niet uit liefde getrouwd. Men had haar getrouwd, en ze had het gedwee aanvaard. En de bijbelse liefde was geboren, zo anders dan mijn westerse passies. De heilige liefde van mijn moeder was in het huwelijk geboren, was gegroeid met de geboorte van de baby, die ik was, was opgebloeid in het bondgenootschap met haar dierbare echtgenoot tegen het kwaadaardige leven. Er bestaan wervelende en zonbeschenen passies. Een grotere liefde bestaat niet.

Tijdens een van die sabbats, die me nu opeens te binnen schiet, zat ze ook zo te wachten, tevreden over zichzelf en over het feit dat haar zoon er die ochtend goed had uitgezien, en liet haar gedachten gaan over een amandelkoek die ze de komende zondag voor hem zou maken. Iets langer in de oven dan de vorige keer, bedacht ze. En maandag, ja, dan zou ze een maïskoek voor hem maken, met veel krenten. Afgesproken. Opeens keek ze op de klok, zag dat het al acht uur was en verstijfde van ontzetting – met veel te veel pathos en zo weinig van die zelfbeheersing die het voorrecht is van volkeren die zeker zijn van de dag van morgen en gewend zijn geraakt aan het geluk. Ze hadden gezegd dat ze om zeven uur terug zouden zijn. Een ongeluk? Doodgereden? Met klam voorhoofd ging ze op het precisie-uurwerk in de slaapkamer controleren of het echt al zo laat was. Pas zes uur vijftig. Glimlach in de spiegel en dankbetuigingen aan de God van Abraham, Izaak en Jacob. Maar terwijl ze de deur van de slaapkamer achter zich dichttrok, streek ze met haar hand over de puntvan een spijker. Tetanus! Vlug, jodium! Joden hangen een beetje te veel aan het leven. Ze was bang voor de dood en dacht aan het hemd dat ze tijdens haar huwelijksnacht had gedragen en dat ze haar de dag van haar dood zouden aantrekken, het afgrijselijke hemd dat in de onderste lade van haar kast was weggeborgen, die angstaanjagende lade die ze nooit zou opentrekken. Ze was wel godsdienstig, maar geloofde niet zo in het eeuwige leven. Opeens voelde ze het leven echter weer door zich heen stromen, want onderaan de trap hoorde ze de hartroerende voetstappen van haar beide geliefden.

Een laatste blik in de spiegel, om de laatste sporen van de talkpoeder te verwijderen die ze op deze feestdag stiekem en met veel schuldgevoel op haar gezicht had aangebracht, een naïef wit poeder van Roger et Gallet dat, geloof ik, ‘Vera Violetta’ heette. En snel ging ze de deur opendoen die met een veiligheidsketting was afgesloten, want je weet maar nooit en de herinneringen aan pogroms blijven lang hangen. Vlug zorgen dat haar twee kostbaren naar binnen konden. Zo zagen de hartstochten in het leven van mijn moeder eruit. Weinig Hollywoodachtig, zoals u ziet. De complimenten van haar echtgenoot en haar zoon en hun beider geluk, dat was alles wat ze van het leven vroeg.

Ze opende de deur zonder dat ze hadden hoeven kloppen. Vader en zoon waren niet verbaasd over de magische wijze waarop die deur openging. Ze waren eraan gewend en wisten dat hun liefdevolle wachtster altijd op de uitkijk stond. Ja, op de uitkijk, zo gespannen dat haar scherpe blik, die over mijn gezondheid waakte en het zag als ik zorgen had, me wel eens ergerde. Heimelijk nam ik het haar kwalijk dat ze te oplettend was en te veel raadde. O heilige wachtster, voor altijd verloren. Bij de open deur glimlachte ze, aangedaan, waardig, bijna koket. Hoe duidelijk zie ik haar weer voor me staan, als ik de moed tenminste kan opbrengen, en hoezeer kunnen de doden leven. ‘Welkom,’ zei ze dan, op een waardige toon die zowel verlegen als hoogdravend was, vol verlangen te behagen, aangedaan door haar eigen waardigheid en blij omdat ze zich mooi had gemaakt voor de sabbat. ‘Welkom, een vredige sabbat,’ zei ze dan tegen ons. En met haar geheven handen, waarvan de vingers als zonnestralen waren gespreid, zegende ze me als een priesteres en keek met een bijna dierlijke blik, aandachtig als een leeuwin, of ik nog gezond was en of ik, maar dan was haar blik weer die van een mens, niet treurig of zorgelijk was gestemd. Maar alles ging goed die dag en ze rook de traditionele mirte die we voor haar hadden meegebracht. Ze wreef de twijgjes tussen haar kleine handen en snoof er ietwat theatraal de geur van op, zoals het de leden van onze oriëntaalse stam past. Ze was dan zo mooi, mijn oude moeder, die zich moeilijk bewoog, mijn moeder.

© Editions Gallimard, Parijs, 1954
©2012 Nederlandse vertaling Paul Syrier / Uitgeverij Van Gennep,

Uitgeverij Van Gennep

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum