Leesfragment: Het onvermijdelijke toeval

27 november 2015 , door Martin Mosebach
| |

12 april verschijnt Martin Mosebach, Het onvermijdelijke toeval (Was davor geschah, vertaald door Gerrit Bussink). Vanavond publiceren we de eerste pagina's voor.

Een vrouw en een man zijn nog maar kort samen als zij hem vraagt: wat voor leven had je eigenlijk voordat je mij kende? Dat klinkt onschuldig, maar een kiem van jaloezie ligt erin verborgen. Deman vertelt hoe hij door een toevallige ontmoeting bevriend raakte met een echtpaar en via hen nieuwe mensen leerde kennen. Hij spint een web aan wonderlijke relaties die uiteindelijk leidden tot dé ontmoeting en zijn verliefdheid. Aan het einde van de roman heeft zij een zeer gedetailleerd antwoord op haar vraag, maar welke waarheid heeft hij verteld?

In Het onvermijdelijke toeval tekent Martin Mosebach met criminele precisie in verleidende taal het spel van liefde en toeval, van pijnlijke waarheid en mensvriendelijke illusies.

1
Muzikale introductie

‘Hoe was dat...?’
‘Hoe was wat?’
‘Toen ik er nog niet was?’
‘Dat was toen ik een halfjaar alleen in Frankfurt woonde...’
‘Hoe was dat toen je alleen in Frankfurt woonde?’
‘O, dat was niets bijzonders, dat was zo...’
Een woning was gauw gevonden omdat ik gewoon de eerste de beste heb genomen. Nee, niet de eerste de beste, het was letterlijk de eerste die ik heb bezichtigd en ik heb meteen toegehapt, ook al was ze te duur voor me. Het kwam door het verleidelijke licht in de kamer aan de straatkant. Erg mooi was die straat trouwens niet, maar dat terzijde. Huizen van vlak voor de Eerste Wereldoorlog; het is verbazingwekkend dat er toen al zo goedkoop werd gebouwd, met van die dunne muren en bekrompen afmetingen, en dat terwijl het tromgeroffel dat voorafging aan de verwoesting van de steden nog niet eens te horen was; dat hing nog in de lucht, en toch hadden de bouwers en architecten het nieuwe al geroken en er hun kapitaalvermeerderende conclusies uit getrokken. Maar het licht in de woonkamer, daar hadden ze geen invloed op. Dat kwam door de enorme kastanjeboom aan de overkant van de straat, drie verdiepingen hoog, net als de huizen, maar gebogen onder de last van zijn bladerzeeën; hij welfde zich over de rijweg en leek een buiging naar mijn woning te maken, zodat je vanaf het smalle balkon van mijn kamer de uitwaaierende lichtgroene bladeren meende te kunnen aanraken. De kastanjeboom had wel iets van een gigantische spons die het vloeibare zonlicht opzoog en door de zachte druk van de zomerwind weer afgaf, lichtgroen gekleurd als het water in een groot, oud glas. Het hele raam werd opgevuld door de waterig golvende massa van de bladeren; het blad van de kastanjeboom, aan de onderkant breed en rond, van boven spits toelopend en opgehangen aan één enkel punt, verkeerde in een stille beweging; het leek op het ademen van een lichaam. Een schijnbaar volumineus en ondoordringbaar lichaam, dat in werkelijkheid alleen uit lucht en tere membramen bestond.
‘Het is hier wel behoorlijk donker,’ zei de huismeester die me de woning liet zien. Nee, donker was het er niet, maar schemerig als in een met zonnepuistjes besprenkeld prieel. Tegen de avond – van de rossige lucht was natuurlijk niets te zien – verdiepte het groen zich gedurende een kostbaar halfuur, de frisse grassigheid werd voller, smaragdkleurig, maar bevatte nog voldoende zwaar licht om te voorkomen dat de kamer al helemaal wegzonk in het duister. Het licht straalde niet meer, maar werd lichamelijk, het zat opgesloten in het lichaam van de boomkruin, zoals het licht van heel oude kerkramen alleen de stukken glas laat opgloeien maar de kapel niet verlicht. Op mijn eerste avond in de woning ging ik midden in de kamer op een stoel zitten, vanwaar ik naar het raam keek alsof het een filmdoek was. Ik vond het de mooiste kamer waar ik ooit was geweest.
De straat maakte een ruime bocht, wat te maken had met het veldweggetje dat hier door de weilanden liep voordat deze wijk als één geheel was opgezet. Niet alleen aan de grootte van de boom, maar ook aan het tuinmuurtje dat er eerbiedig aan de voet omheen liep, was te zien dat de boom ouder was dan de huizen. Dit kleine teken van bewondering voor zijn schoonheid bewees dat de planologen zichzelf in die tijd niet beschouwden als goden die het privilege hadden werelden te scheppen alsof er in de tijd vóór hen niets had bestaan. De boom mocht zich vanuit een vergane landelijkheid uitstrekken tot in de steedse actualiteit – en intussen was ook de nieuwe tijd weliswaar nog niet oud, maar hij begon al behoorlijk op leeftijd te komen – maar hij zat nog altijd vol levenskracht, hij was oud en jeugdig tegelijk en bood onder zijn groene kap onderdak aan duizend kleine levende wezens. Maar vooral aan het wezen dat pas de volgende avond van zich liet horen.
Bij de eerste korte gefloten frase was het me meteen duidelijk: dit was geen merel en ook geen mees. Dit was niet de stem van een van de zangvogels die hier verder nog in de stad rondfladderden; er waren verbazend weinig mussen, maar wel veel dikke duiven, kraaien en eksters, de grote vogels die waarschijnlijk medeverantwoordelijk waren voor het verdwijnen van de kleine. Nee, deze gefloten toon was iets heel anders dan het gepiep dat zo’n klein vogellichaam normaal gesproken produceert. Ik spitste mijn oren, zoals de zaal de oren spitst als in een opera de diva in de coulissen haar eerste toon zingt, gedempt en ver weg, en toch weet iedereen: daar is ze – nu begint het. Maar wat ik voor mijn raam, achter de cascade van neerstortende bladeren, te horen zou krijgen, hield me minstens zo sterk in zijn ban als het gezang van de goddelijke operaster haar aanbidder. Die weet immers wat hij mag verwachten, en hij hoopt alleen dat ze net zo mooi zal zingen als in haar beste opname, die hij kan dromen. Ik daarentegen was nergens op voorbereid, liever gezegd: in mij leefde niet meer dan een idee uit de literatuur, een aan de poëzie ontsproten fantasie met een hoogstens even groot realiteitsgehalte als de vogel feniks – en toch was die fantasie voldoende, want ze riep inderdaad iets buitengewoons in me op. Daardoor wist ik, terwijl de schemering zich vanaf de achterste muur van de kamer geleidelijk door de kamer verspreidde en het loof buiten alleen nog voor zichzelf straalde: dit is een nachtegaal.
Een alt als van een zangeres, dacht ik. En inderdaad, het gefluit was niet te vergelijken met het geluid dat een houten of zilveren muziekinstrument voortbrengt, al klonk het nog zo zuiver, zo ongerept en zonder bijgeluiden, zoals je je dat voorstelt bij een mechaniek, bij een apparaat. Maar bepaalde zangeressen hebben niet voor niets de erenaam nachtegaal gekregen. Dat werd nu bevestigd. Een bepaalde, uiterst gekunstelde en kunstige zangtechniek uit de negentiende eeuw, die intussen volledig uit de operagebouwen is verdwenen en die Amelita Galli-Curci misschien als laatste heeft beheerst, was ongetwijfeld geïnspireerd door het gezang van de nachtegaal. Tonen waarvan je niet kunt geloven dat ze worden gevormd door menselijke lippen, tongen, tanden, verhemeltes, maar die als glad geslepen, fragiele lichamen in het menselijk lichaam wonen, dat ze bij tijd en wijle als een zwerm zilveren vissen met de adem lijken te verlaten, terwijl de zangeres zelf in een betoverde roerloosheid euforisch naar dat klinkende wonder luistert. Nu pas drong de betekenis van het woord ‘gorgel’ in zijn volle omvang tot me door. De nachtegaal was een en al gorgel en uit die gorgel hoorde je het snikken en borrelen, het koeren en jubelen in stoutmoedige loopjes, die tot coloraturen werden en eindigden in het lage gesnor dat aan het binnenste van een vuurvergulde pendule leek te ontsnappen. De naam waarmee het gezang van een nachtegaal het nauwkeurigst wordt getypeerd was zijn Franse: ‘rossignol’, met een rollende r, die uit zijn keel leek te komen; de heerlijke diepte van de alt en de capriolerend naar het zwerk opstijgende frase, alles lag in die drie lettergrepen besloten.
Want het was verbazingwekkend: zangeressen die iets vergelijkbaars presteerden, hadden hun lichaam zwaar en vormeloos laten worden, wat esthetisch gezien zeker niet in tegenspraak was met hun stem, want de fluitachtige gewichtloosheid vloeide ook voort uit kracht. Ik wist van de nachtegaal alleen dat hij heel klein was, bruinig als een van de zeldzaam geworden mussen, maar slanker, iets langer, van een edeler eenvoud. Ik vermoedde dat ik hem niet zou vinden, hoe hardnekkig ik ook naar de groene golven staarde. Hij zat verborgen in het binnenste van de kastanjeboom, als een eenzaam zingende koorknaap onder de koepel van de Sint-Pieter. Bij gebrek aan een klanklichaam maakte hij de hele boom tot zijn resonantieruimte. En zijn kracht paste bij die reusachtige ruimte.
De hele straat was gehuld in het diepe zwijgen dat in de straten van een grote stad alleen mogelijk is op bepaalde momenten waarop ze volkomen onverwacht de indruk kunnen wekken door een ramp te zijn ontvolkt. Heerste dat zwijgen alleen om de kracht van de nachtegaal ongehinderd tot zijn recht te laten komen? Zijn gezang was een demonstratie van die kracht. Eerst bewonderde ik de gulden, volle diepte van de tonen, maar toen volgde een korte stilte, een adempauze als voorbereiding op een nog krachtiger salvo. In zijn gezang lag nu een moeiteloos schetteren en triomferen en ik meende te bespeuren dat hij zijn toehoorders met zijn onvermoeibaarheid en zijn steeds verder culminerende aanzetten wilde verbluffen. Het gezang veranderde in een uitdrukking van onoverwinnelijkheid. Dit was geen lokzang. De nachtegaal had geen ander wezen nodig, hij floot niet listig of wanhopig om de aandacht te trekken, hij zong zoals een ster straalt in de kosmisch lege nacht. Gelukkig of ongelukkig – dat waren geen categorieën voor de nachtegaal. Zijn verlangen was vervuld, hij had geen hoop nodig, in zijn leven was geen moment denkbaar dat hem boven de toestand van dit moment uit zou tillen.
Ik was door gedichten op de nachtegaal voorbereid – Hafiz en Brentano –, maar nu ik de nachtegaal eindelijk hoorde en onderging welk een volheid van klank er schuilging achter die naam die niet meer was geweest dan een signaal om een bepaalde poëtische sfeer op te roepen, vond ik het opeens buitengewoon gevaarlijk om de nachtegaal te vangen in een kunstig lyrisch web van regels. Nooit zou ik meer vergeten wat een nachtegaal in werkelijkheid was: geen specerij, geen parfum, geen symbool, maar een kracht die je slechts hoefde te benoemen om elk gedicht uit balans te brengen, de schommelende lyrische boot moest wel kapseisen zodra de lichaamloze nachtegaal aan boord ging, als hij instapte als het ware, het onovertreffelijk chef-d’oeur, een levend wezen dat identiek was met zijn kunst en dat trots en pulserend ieder kunstwerk overtrof.
Hield hij nooit eens op? Ik herinner me niet dat het gezang eindigde. Ik was zo in zijn ban dat ik in slaap viel – dit was nu eens een beslist niet atypisch geval dat niet verveling, maar verrukking je langzaam in slaap deed glijden, terwijl de zanger steeds meer in vervoering raakte en de voorafgegane triomfen veranderde in een fundament voor nog groter overwinningen.
Daarna was ik twee dagen op reis en toen ik de derde dag, opnieuw tegen de avond, thuiskwam en mijn straat in liep, begroette mij daar een vreemde lichtheid en zuiverheid, een stemming die ik me niet herinnerde. Ook in het avondlicht zag de straat er tot blinkens toe opgeruimd uit, de perspectivische verkleining leek getekend met een sjabloon. Daarop, na een tijdloos moment van verwarring, drong het tot me door dat de boom weg was – zijn enorme schaduw hing niet meer over de straat. Had er eigenlijk wel een boom gestaan? Het tuinmuurtje liep nog steeds rond de plek waar hij had geworteld, maar het omlijstte nu een met een motorzaag afgezaagde stronk. De randen waren lichtgeel, maar de kern van de stam zag eruit als kruimelige tabak. De stam was blijkbaar door en door rot geweest. Als de boom was omgevallen, had hij vermoedelijk mijn balkon mee de diepte in gesleurd.

2
De geheimzinnige huurder

Ik zei al dat de kleine woning die ik had betrokken in een rustige, voor mij eigenlijk te dure buurt lag. In mijn straat wisselden al wat oudere huizen en naoorlogse panden elkaar af, er heerste een steriele stilte, er was geen kroeg of levensmiddelenwinkel in de buurt; eigenlijk was er geen enkele reden hier te gaan wonen, het was ook niet in de buurt van een metrostation. Dat schijnt bij een Duitse stad te horen: grote doodse gebieden – een soort urbane houtwol die dient ter verpakking van de delen waarin meer leven heerst – en waar alle bewoners met elkaar hebben afgesproken zo onzichtbaar mogelijk te blijven.
Aan de overkant had waarschijnlijk ooit een sleutelzaak gezeten, die nog niet zo lang geleden was verhuisd, de neonreclame was het enige wat er nog van over was, een grote veiligheidssleutel met daaromheen een rode neonlijn, die nog altijd elke avond werd ingeschakeld. Die roodgloeiende sleutel was nu veranderd in een geveldecoratie met een dubbelzinnige boodschap – misschien een waarschuwing dat je een sleutelbos nooit op een gloeiend hete kachel moet leggen? Sinds het kappen van de grote verrotte boom, die de roodgloeiende sleutel met zijn loof bijna volledig had afgedekt, viel er iets van dat rode licht in mijn kamer, een zwak, onbepaald theatraal schijnsel dat het lege vertrek meubileerde; ik hield ervan om bij dat licht in slaap te vallen, en als ik ’s nachts wakker werd, heerste er in mijn kamer de sfeer van een ouderwetse donkere kamer.
Het was een groot huis, waarin het merendeel van de woningen als pied-à-terre werd gebruikt, de meeste huurders heb ik nooit gezien, er waren dagen dat de verlatenheid van het huis zelfs merkbaar was als ik geen enkele keer de deur uit ging en me midden in de lege omhulsels voelde als de weekendportier van een kantoorgebouw. Maar mij kwam het juist goed uit. Een van de weinige dingen die ik heb geleerd, is het waarderen van de weken en maanden van stilte die je ondergaat als je naar een nieuwe stad verhuist en daar nog niemand kent. Alleen zijn, je overgeven aan je gedachten, weinig praten, zo nu en dan zelfs een sombere bui — heb je dat eenmaal ervaren als iets wat steeds terugkeert, dan kun je er een intensiteit uit putten waarin je de tijd gewoon hoort druppelen. Ik had zelfs mijn boeken nog niet uitgepakt, en als het donker werd lag ik op bed te kijken naar de schaduwen die soms door het rode schijnsel van de sleutel, door het kille vuur buiten bewogen. De geruisloosheid van het huis ging dan over in een zacht geruis als van een schelp, en op dat geruis dreef zo nu en dan een stem of het zachte ronken van een motor of het korte, onmiddellijk gesmoorde gepiep van remmen als een kurk op een snelle stroom langs me heen. Kleine voorvallen kregen gewicht en zetten me aan het denken. Iets waar ik anders nooit op gelet zou hebben, veranderde voor mij in een raadsel, als een droombeeld dat je na het ontwaken nog een tijdje niet van je af kunt zetten. Sporen volgen, aanwijzingen verzamelen om daarmee een beeld van verborgen gebeurtenissen samen te stellen, mijn fantasie richten op verborgen verhoudingen die slechts als minieme irritaties de oppervlakte van de werkelijkheid weten te bereiken — dat was mijn aan iedere verantwoordelijkheid onttrokken, uiteraard volkomen willekeurige tijdverdrijf.
Toen ik de deur van mijn woning opendeed, hoorde ik iets verderop achter de heel grote, hoge vleugeldeur met geetst melkglas, die blijkbaar toegang gaf tot een grote woning, een piepend geluid, alsof er iemand met een rubberbeestje speelde. In het begin zat er geen naambordje op die deur, later zag ik op een dag een blijkbaar oud messingplaatje: baron v. sláwina heette de man bij wie ik het opgewonden gepiep hoorde. Een naam uit de sfeer van de Donaumonarchie, vermoedde ik, wat ook paste bij het grote hertengeweidat in de verder ongemeubileerde entree hing. Een paar seconden zag ik de punten ervan door de kier van de openstaande deur, daarna viel de van drie grendels voorziene deur in het slot.
Op een avond stonden er twee lege rodewijnflessen voor de deur, die met hun obscure etiketten al uit de verte een inferieure indruk maakten; wijn zoals je die ’s nachts bij een tankstation koopt. Het pand waar ik was gaan wonen, werd in makelaarstermen ‘goed onderhouden’ genoemd — ze hadden ook van een radicaal gebrek aan persoonlijkheid kunnen spreken. In elk geval stonden er voor de andere deuren geen lege flessen en deze twee flessen met fantasiekastelen op het etiket bleven een hele tijd staan, tot ze op zaterdagavond ten slotte waren verdwenen. Als ik niet in zo’n milde roes van eenzaamheid had verkeerd, zou ik die flessen onder het ouderwetse naambordje baron v. sláwina niet eens hebben gezien, want zelf ben ik ook erg slordig. Ik zou de laatste zijn die belangstelling heeft voor lege rodewijnflessen voor andermans deur, maar onder deze omstandigheden veranderde alles in een stilleven dat tot observatie uitnodigde.
Niet lang daarna ontmoette ik op de trap een oude vrouw met lang ongewassen grijs haar. Ze was heel frêle en liep gebogen, ze droeg een zandkleurige kasjmier trui en een broek en keek me schuchter, om niet te zeggen nederig aan, alsof het gevaar bestond dat ik haar iets zou vragen. Ze had een fragiele, kleine teckel aan de lijn, een dwergteckel met opvallend grote reeogen en kwieke bewegingen, maar net zo schichtig als zijn vrouwtje; een dure, zeldzame rashond, was mijn indruk, die met soepele, slangachtige bewegingen langs de voor hem hoge traptreden omhoog leek te glijden. Die dag stond er een gebarsten groene badeend voor de deur van de baron, een stuk speelgoed dat niet meer kon drijven. Was er een kind in de grote woning? Was het gepiep afkomstig van een driejarige, van de hond of van de eend? Die vragen spookten een tijdje door mijn hoofd, ik probeerde me zelfs de bejaarde vrouw piepend voor te stellen, maar dat wilde niet lukken, in haar geval lag zacht gejammer meer voor de hand. Later zag ik een paar keer een roodharige, Angelsaksisch ogende man in een zakenpak met een fijn krijtstreepje uit de woning komen, hij liet de deur met een doffe dreun in het slot vallen. Aan het geluid was te horen hoe zwaar de deur gewapend was. De man leek onaangenaam verrast toen hij me zag, hij draaide zijn hoofd om en groette niet; voor de deur stonden nu kwalijk riekende afvalzakken, waarin ook pizzadozen met restanten van pizza’s zaten. De geur van de met kruiden en olie doordrenkte dozen hing in het hele trappenhuis. Uitgerekend op het moment dat die koude pizzawolk in het trappenhuis hing, moest de al wat oudere vrouw van de eerste verdieping, die maar zelden thuis was, van haar reis terugkeren. Ze ging behoorlijk tekeer, maar op haar telefoontjes en toen ze aanbelde kwam vanuit de woning geen reactie. Ze liet de vuilniszakken later door haar werkster naar beneden brengen. Was die roodharige Angelsaksische man dan misschien toch baron Slawina? Ik liet die gedachte weer varen toen ik hem met de postbode Engels hoorde spreken, tot mijn grote tevredenheid stelde ik vast dat dit papgezicht echt verbonden was met de Engelstalige wereld. Nu waren er in het trappenhuis af en toe ook pianoakkoorden te horen, iemand in de woning van Slawina oefende steeds weer op een mazurka van Liszt. Je kon aan de loopjes horen dat de speler of speelster de eerzucht had zichzelf niet voor de gek te houden en echt zijn best deed het moeilijke stuk met een dissonant akkoord onder de knie te krijgen en er niet dilettant overheen te glijden — ik probeerde die verbetenheid mimisch in verband te brengen met de verschijning van de roodharige Angelsaksische man die de andere kant op keek als je hem tegenkwam — bestond er soms toch een dwingend verband tussen dat zich-afwenden en een eenzaam kunstheroisme? Beneden bij de voordeur stond een rolstoel met een etiket van Singapore Airlines te wachten — met daarop het adres: mrs. tamara kakabadze, c/o sláwina. In mijn brievenbus vond ik een briefje met een telefoonnummer dat er bij Sláwina een pakje voor mij was afgegeven. Ik probeerde mijn buurman een paar keer te bellen. Door de brede hal ruisten de loopjes van de piano, maar er werd niet opgenomen. Pas de volgende avond meldde zich een vrouwenstem, jong, verstrooid, met een Engels ‘Hello?’, dromerig vragend alsof de spreekster eenzaam in een diepe grot de echo zat te controleren. Ik vergat bijna naar mijn pakje te vragen.

[...]

© Martin Mosebach 2010
© Nederlandse vertaling Gerrit Bussink / Nieuw Amsterdam Uitgevers 2012
© auteursportret Andreas Hassiepen

Uitgeverij Nieuw Amsterdam

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum