Leesfragment: Historia Augusta. Keizers en tegenkeizers in de tweede en derde eeuw

27 november 2015 , door John Nagelkerken (vertaling)
| | | |

Op dinsdag 11 september verschijnt John Nagelkerkens vertaling van Historia Augusta, van een inleiding voorzien door Jona Lendering. In deze Nacht kunt u al een uitgebreid fragment uit de vertaling lezen, en wel over keizer Hadrianus.

Het is de tweede eeuw. Het Romeinse rijk wordt bestuurd door keizers die een capabele persoon als zoon en opvolger adopteren en daarmee voor vrede, welvaart en stabiliteit zorgen. Daarnaast zitten gedurende meer dan honderd jaar voornamelijk rivaliserende generaals op het pluche, soms afgewisseld door een onbekwame zoon, een perverse krankzinnige of oude senator. Regelmatig grijpen aan de randen van het rijk tegenkeizers de macht.

Hun biografieën zijn verzameld in de Historia Augusta, waarschijnlijk ontstaan tegen het eind van de vierde eeuw. De historische betrouwbaarheid ervan lijkt dubieus: veel nevenfiguren en 'officiële' stukken zijn fictief. Daarnaast verwachtte men in de oudheid van biografieën iets ander dan van geschiedschrijving: belangrijk is de beschrijving van het karakter en de levenswijze van de hoofdfiguur. Over veel van de besproken personen hebben we nauwelijks ander bronnenmateriaal, zonder de Historia nog altijd van belang is voor historici. Verder vertelt het boek over het dagelijks leven in het Romeinse rijk, de politieke besluitvorming, een senaat die verwordt tot een verzameling hielenlikkers, conflicten met buurlanden en binnenvallende volkeren. De rust keert pas weer aan het eind van de derde eeuw, als het rijk gesplitst wordt in een oostelijk en westelijk deel met elk een eigen keizer.

Hadrianus

Door Aelius Spartianus

De familie van keizer Hadrianus stamt uit Hispanië, en nog verder terug uit Picenum; want zijn voorouders, die oorspronkelijk in Hadria leefden, vestigden zich in de tijd van de Scipio’s in de omgeving van Italica, zoals Hadrianus zelf vertelt in zijn autobiografie. De vader van Hadrianus heette Aelius Hadrianus Afer, hij was een neef van keizer Traianus; zijn moeder was Domitia Paulina, afkomstig uit Gades, zijn zuster Paulina was gehuwd met Servianus, zijn vrouw heette Sabina, en de grootvader van zijn overgrootvader was Marullinus, die als eerste van zijn familie toetrad tot de Romeinse senaat.
Hij werd op 24 januari in Rome geboren tijdens het zevende consulaat van Vespasianus en het vijfde van Titus. Op negenjarige leeftijd verloor hij zijn vader en kwam hij onder de voogdij te staan van Ulpius Traianus, die toen oud-praetor was, en de Romeinse ridder Caelius Attianus. Hij hield zich intensief bezig met studie van het Grieks, waarvoor hij zo grote belangstelling toonde dat hij door sommigen ‘Griekje’ genoemd werd.
Op vijftienjarige leeftijd keerde hij terug naar zijn vaderstad5 en ging onmiddellijk in militaire dienst; maar hij bleek zo dol op jagen dat men hem erom bekritiseerde. Daarop riep Traianus hem terug. Hij behandelde hem als een zoon, en bezorgde hem kort daarna een aanstelling als decemvir voor de beoordeling van erfeniskwesties en vervolgens als tribunus bij het tweede legioen Adiutrix. Later werd hij tegen het einde van de regering van Domitianus overgeplaatst naar Beneden-Moesië. Daar hoorde hij, naar men zegt, van een astroloog hetzelfde over zijn toekomstige keizerschap als hem door zijn oom Aelius Hadrianus, een groot kenner van de astrologie, was voorspeld. Nadat Nerva Traianus geadopteerd had, werd Hadrianus naar Boven-Germanië gestuurd om de gelukwensen van het leger aan hem over te brengen. Na de dood van Nerva probeerde hij zo snel mogelijk Traianus te bereiken om hem als eerste op de hoogte te stellen van Nerva’s overlijden; maar hij werd lange tijd opgehouden door Servianus, de man van zijn zuster, die de woede van Traianus tegen Hadrianus had gewekt door een boekje open te doen over zijn uitgaven en schulden. Hij kreeg nog meer vertraging omdat zijn wagen gesaboteerd werd. Hij was daarna te voet verder gereisd en toch nog eerder aangekomen dan een man uit het gevolg van Servianus. Uiteindelijk vatte Traianus genegenheid voor hem op, maar door toedoen van pedagogen van jongens op wie Traianus erg dol was, ontbrak het hem niet aan <...> door de steun van Gallus. In die tijd raadpleegde hij de Vergiliustekst als orakel omdat hij zich zorgen maakte over de mening die de keizer over hem had, en viel het lot op het volgende fragment:

Wie is die man daar verderop met offerschalen en
getooid met een olijfkrans? Ik herken de witte baard en
het haar van Numa, Romes koning, die de stad voor ’t eerst
haar wetten geeft; vanuit het arm gelegen dorpje Cures
wordt hij tot grote macht geroepen. Daar, na hem, verschijnt...

Andere bronnen verklaren dat hij dit bij het raadplegen van de Sibillijnse Boeken vernomen heeft. Verder is zijn aanstaande keizerschap hem voorspeld door een antwoord van het heiligdom van Jupiter Nicephorius waarvan de platoonse filosoof Apollonius van Syrië in zijn boeken melding maakt. Uiteindelijk raakte hij door toedoen van Sura nog hechter bevriend met Traianus en kreeg hij op aandrang van Plotina een dochter van de zuster van Traianus tot vrouw, iets waarmee Traianus, zoals Marius Maximus vertelt, met tegenzin instemde.
Hij bekleedde de quaestuur tijdens het vierde consulaat van Traianus en het eerste van Articuleius. Omdat hij in die functie eens een rede van Traianus in de senaat had voorgelezen en zijn boerse uitspraak de lachlust had gewekt, stortte hij zich op de studie van het Latijn totdat hij de welsprekendheid perfect beheerste. Na de quaestuur kreeg hij de zorg voor de Handelingen van de Senaat en vergezelde hij Traianus in de Dacische Oorlog, in welke periode hij een hechte band met hem had. Hij zegt zelf dat hij zich voegde naar Traianus’ gewoontes en overvloedig wijn begon te drinken, waarvoor de keizer hem rijkelijk beloonde. Tijdens het consulaat van Candidus en Quadratus, diens tweede, werd hij volkstribuun. Hij beweert dat hij in die periode een voorteken heeft gekregen waaruit bleek dat hij de permanente bevoegdheid van de volkstribuun zou krijgen: hij verloor namelijk de mantel die volkstribunen bij regen plegen te dragen, en keizers nooit. Ook nu nog verschijnen de keizers zonder mantel voor de burgers. In de tweede expeditie tegen Dacië nam Traianus hem mee en gaf hij hem het commando over het eerste legioen Minervia; daar heeft hij door vele opmerkelijke daden naam gemaakt. Daarom schonk Traianus hem een diamant die hij van Nerva gekregen had, wat zijn hoop dat hij hem mocht opvolgen versterkte. Tijdens het tweede consulaat van Suburanus en Servianus kreeg hij de praetuur en ontving hij voor de tweede keer twee miljoen sestertiën van Traianus om spelen te organiseren. Daarna werd hij als legatus praetorius naar Beneden-Pannonië gestuurd, waar hij de Sarmaten bedwong, de legerdiscipline herstelde en de procuratores, die de grenzen van hun macht te buiten gingen, corrigeerde. Daarvoor werd hem het consulaat verleend. In die ambtsperiode kreeg hij van Sura te horen dat hij door Traianus geadopteerd zou worden; daardoor kwam er een eind aan de minachting en desinteresse waarmee de vrienden van Traianus hem behandelden. Na de dood van Sura werd Traianus’ vriendschap voor hem zelfs nog hechter, vooral wegens de toespraken die hij voor de keizer schreef.
Hij stond ook in de gunst bij Plotina, op wier instigatie hij tot legatus werd benoemd ten tijde van de Parthische expeditie. In die tijd was Hadrianus bevriend met Sosius Papius en Platorius Nepos uit de senatorenstand, en met de ridders Attianus, vroeger zijn kamerdienaar, Livianus en Turbo. Toen Palma en Celsus, die altijd al zijn vijanden waren geweest en op wie hij zich later gewroken heeft, de verdenking op zich hadden geladen een greep naar de macht te willen doen, beloofde Traianus hem dat hij hem zou adopteren. Hij werd op aandrang van Plotina opnieuw tot consul benoemd, wat de veronderstelde adoptie zo goed als zeker maakte. Dat hij vrijgelatenen van Traianus omkocht, zijn schandknaapjes benaderde en hun veel aandacht schonk in de tijd dat hij aan het hof een vertrouwde verschijning was, nemen velen voor waar aan. Als gouverneur van Syrië ontving hij op 9 augustus een schriftelijke bevestiging van de adoptie; die dag liet hij later als de verjaardag van zijn adoptie vieren. Twee dagen daarna werd hem het overlijden van Traianus gemeld, waarop hij besloot die dag te vieren als de eerste van zijn keizerschap.
Overigens bestond wijd en zijd het idee dat Traianus van plan was geweest Neratius Priscus, en niet Hadrianus, als zijn opvolger aan te wijzen, met instemming van veel van zijn vrienden. Dat was zelfs zo duidelijk dat hij eens tegen Priscus zei: ‘Ik draag de provincies aan jou over voor het geval dat er iets met mij gebeurt.’ Heel veel mensen zeggen dat Traianus van plan is geweest, naar het voorbeeld van Alexander van Macedonië, te sterven zonder een opvolger te noemen. Velen beweren ook dat hij een schriftelijk verzoek naar de senaat wilde sturen waarin hij de wens uitsprak dat als hem iets overkwam, de senatoren Rome een keizer zouden geven, en daaraan slechts de namen had toegevoegd waaruit zij de beste konden kiezen. Verder verklaren weer anderen dat Hadrianus door gekonkel van Plotina pas is geadopteerd toen Traianus al gestorven was. Zij had iemand ten tonele gevoerd die met zwakke stem sprak alsof hij de keizer was.
Na zijn aantreden koos hij onmiddellijk voor het oude politieke uitgangspunt en zette zich dus in voor het handhaven van de vrede in heel de wereld. Want de volkeren die Traianus had onderworpen keerden zich weer tegen Rome: de Mauren ondernamen provocerende acties, de Sarmaten voerden oorlog, de Britanniërs konden niet onder controle gehouden worden, Egypte was een brandhaard van onlusten, en Libië en Palestina ten slotte koesterden opstandige plannen. Daarom gaf hij alle gebied voorbij de Eufraat en de Tigris op naar het voorbeeld, zo zei hij, van Cato, die Macedonië ooit had vrij verklaard omdat hij het niet kon verdedigen. Hij maakte Parthamasiris, die Traianus als koning van de Parthen had aangesteld, tot koning over hun buurvolkeren, omdat hij zag dat hij bij de Parthen als een man van weinig gewicht gold.
Onmiddellijk gaf hij blijk van zijn grote hang naar mildheid: toen Attianus hem in de eerste dagen van zijn heerschappij in een brief adviseerde om én de stadsprefect Baebius Macer te doden, mocht die zich tegen zijn keizerschap verzetten, én Laberius Maximus, die naar een eiland verbannen was op verdenking van plannen voor een staatsgreep, en ook nog Frugi Crassus, deed hij geen van hen enig kwaad. Overigens heeft zijn procurator later Crassus gedood toen die het eiland verliet, omdat hij zogenaamd een coup wilde plegen. Hij gaf de soldaten een dubbele toelage in verband met het begin van zijn keizerschap. Hij ontnam Lusius Quietus het commando over de soldaten van de Mauren, omdat hij de verdenking op zich had geladen naar het keizerschap te streven, en droeg Marcius Turbo op de opstand in Mauretanië neer te slaan, nadat hij de onrust in Judaea onderdrukt had.
Na dit alles vertrok hij naar Antiochië om de resten van Traianus te aanschouwen, die onder begeleiding van Attianus, Plotina en Matidia naar Rome werden gebracht. Nadat hij ze ontvangen had, zond hij ze per schip naar Rome. Zelf keerde hij terug naar Antiochië, waar hij Catilius Severus als gouverneur van Syrië aanstelde, en reisde vervolgens via Illyrië naar Rome.
In een schrijven dat in zeer precieze bewoordingen gesteld was verzocht hij de senatoren Traianus goddelijke eer toe te kennen, waarmee zij unaniem instemden; daarnaast besloot de senaat uit eigen beweging Traianus veel eerbewijzen toe te kennen waarom Hadrianus niet gevraagd had. In zijn schrijven aan de senaat vroeg hij om vergiffenis voor het feit dat hij de toekenning van het keizerschap niet aan de senaat had overgelaten, hij was namelijk door de soldaten overhaast tot keizer uitgeroepen omdat de staat niet zonder keizer kon. Toen de senaat hem de triomftocht toekende die aan Traianus toekwam, accepteerde hij die niet maar liet op de triomfwagen een portret van Traianus meevoeren om ervoor te zorgen dat de beste keizer zelfs na zijn dood de verdiende triomftocht niet zou mislopen. De titel ‘Vader des Vaderlands’, die hem werd aangeboden, wees hij onmiddellijk af. Later deed hij dat nog eens, met als verklaring dat Augustus die titel pas laat verdiend had. Bijdragen voor de gouden kransen schrapte hij voor Italië en hij verlaagde ze voor de provincies, terwijl hij toch nadrukkelijk en gedetailleerd gewag maakte van de problemen voor de schatkist. Zodra hij vervolgens hoorde van de onrust die de Sarmaten en Roxolanen veroorzaakten, stuurde hij troepen vooruit en begaf zich naar Moesië. Marcius Turbo, die hij na Mauretanië had onderscheiden met de eretekens van een prefect, gaf hij voor het moment de leiding over Pannonië en Dacië. Met de koning van de Roxolanen, die zich beklaagde over verkleining van zijn toelagen, sloot hij vrede nadat hij zijn zaak had uitgezocht.
Hadrianus ontkwam aan een aanslag van Nigrinus en diens medeplichtigen, onder anderen Lusius, die dezen hadden willen plegen terwijl hij een offer bracht, nota bene nadat Hadrianus Nigrinus als zijn opvolger had aangewezen. Daarom werd Palma gedood in Tarracina, Celsus in Baiae, Nigrinus in Faventia en Lusius onderweg, in opdracht van de senaat maar tegen de zin van Hadrianus, zoals hij in zijn autobiohistoria grafie vermeldt. Vervolgens kwam Hadrianus onmiddellijk naar Rome om de negatieve praatjes te weerleggen waarin gesuggereerd werd dat hij erin zou hebben toegestemd vier oud-consuls tegelijk te vermoorden; daarbij vertrouwde hij Dacië toe aan Turbo, met dezelfde functieomschrijving als die van de prefect van Egypte om hem meer autoriteit te verlenen. Om de genoemde praatjes te ontkrachten schonk hij het volk tijdens zijn aanwezigheid een dubbele toelage, ofschoon in zijn afwezigheid aan iedereen al drie aurei waren toegekend. Nadat hij zich ook in de senaat verontschuldigd had voor wat er gebeurd was, zwoer hij dat hij een senator uitsluitend zou straffen na een stemming in de senaat. Hij stelde een regelmatige postdienst op staatskosten in, opdat plaatselijke bestuurders niet met deze taak belast werden. Om zijn populariteit te vergroten schuwde hij trouwens geen enkel middel. Hij schold particuliere schuldenaars in de stad en in Italië een onnoemelijk grote som geld kwijt, die ze hem persoonlijk verschuldigd waren, en datzelfde deed hij in de provincies met enorme achterstallige schulden, waarbij hij de schuldbekentenissen op het Forum van de vergoddelijkte Traianus verbrandde, om zo het algemene vertrouwen in hem te vergroten. Hij schrapte ook de bepaling dat bezit van veroordeelden toeviel aan zijn persoonlijke schatkist en liet al dergelijke bedragen in de staatsschatkist opnemen. Voor jongens en meisjes verhoogde hij de uitkering die Traianus hun had toegewezen. Voor senatoren die niet door eigen schuld bankroet waren gegaan, vulde hij overeenkomstig het aantal van hun kinderen het vermogen aan tot het voor een senator vereiste niveau. In de meeste gevallen betaalde hij op de vastgestelde dag zonder uitstel het bedrag dat voor hun levensonderhoud was toegekend. Niet alleen vrienden schonk hij grote sommen om functies te kunnen vervullen, ook heel wat anderen. Met zijn schenkingen zorgde hij ervoor dat een groot aantal vrouwen in hun levensonderhoud kon voorzien. Hij organiseerde zes dagen lang gladiatorenspelen en liet op zijn verjaardag zesduizend wilde dieren los in het amfitheater.
De meest vooraanstaande leden van de senaat stond hij vertrouwelijke omgang toe met Zijne Keizerlijke Hoogheid. Circusspelen die men te zijner ere wilde organiseren, wees hij af, behalve die ter gelegenheid van zijn verjaardag. Zowel in de volksvergadering als in de senaat zei hij vaak dat hij de staat zo zou besturen dat duidelijk het belang van het volk centraal stond, niet zijn eigen belang. Hij gaf zeer velen voor de derde keer het consulaat, dat hijzelf ook driemaal bekleed had, en een onnoemelijk aantal eerde hij met een tweede consulaat. Tijdens zijn derde consulaat, dat overigens maar vier maanden duurde, hield hij veel rechtszittingen. Altijd wanneer hij in de stad was of dicht in de buurt, woonde hij de reguliere senaatszittingen bij. Hij vergrootte het prestige van de senaat zeer door terughoudend senatoren te benoemen. En toen hij Attianus van prefect van de lijfwacht tot senator met consulaire onderscheidingstekens25 benoemde, maakte hij duidelijk dat hij niets prestigieuzers had om hem mee te belonen. Hij stond de Romeinse ridders niet toe rechtszaken over senatoren te behandelen, ongeacht of hij er wel of niet zelf bij aanwezig was. Destijds bestond immers het gebruik dat de keizer, wanneer hij zich met rechtszaken bezighield, zowel senatoren als Romeinse ridders bij de besluitvorming betrok en pas na overleg met dezen tot een uitspraak kwam. Hij sprak verder zijn afkeuring uit over keizers die senatoren minder respect hadden betuigd dan hij. Aan Servianus, de man van zijn zuster, die hij zo veel respect betoonde dat hij hem altijd tegemoet ging wanneer hij uit zijn kamer kwam, verleende hij een derde consulaat zonder dat deze erom gevraagd of erop aangedrongen had, maar niet als zijn collega, omdat Servianus al twee keer vóór hem consul was geweest en hijzelf niet op het tweede plan wilde staan.
Intussen trok hij de legers terug uit veel provincies die Traianus aan het rijk had toegevoegd, en liet hij tegen ieders wens het theater afbreken dat deze op het Marsveld had laten bouwen. Deze daden maakten een des te treuriger indruk omdat hij bij alles waarvan hij merkte dat het niet goed viel deed alsof Traianus het hem onder vier ogen had opgedragen. Hij kon de invloed van Attianus, zijn prefect en vroeger zijn voogd, niet langer verdragen en vatte het plan op hem te vermoorden, maar wist zich daarvan te weerhouden; want het stoorde hem al dat men hem de moord op vier oud-consuls in de schoenen schoof, hoewel hij hun dood in feite altijd geweten had aan de plannen van Attianus. Toen hij voor die laatste geen opvolger kon benoemen, wat alleen kon op diens eigen verzoek, drong hij er bij hem op aan ontslag te nemen. En zodra dat gebeurde, droeg hij zijn functie over aan Turbo; toen ook liet hij de andere prefect, Similis, opvolgen door Septicius Clarus.
Nu hij deze personen, aan wie hij zijn keizerschap te danken had, de positie van prefect ontnomen had, vertrok hij naar Campanië, waar hij allerlei steden steunde met gunsten en schenkingen. De meest vooraanstaande mannen uit die streek nam hij in zijn vriendenkring op. In Rome bezocht hij veelvuldig de officiële zittingen van de consuls en de praetoren, was aanwezig bij banketten van vrienden, bezocht hen twee of drie keer per dag als ze ziek waren, zelfs Romeinse ridders en vrijgelatenen, beurde hen op met troostende woorden, sterkte hen met zijn adviezen en nodigde hen vaak uit voor zijn eigen banketten. Kortom, hij deed alles als een gewoon burger. Zijn schoonmoeder verleende hij uitzonderlijke eerbewijzen middels gladiatorenspelen en andere officiële besluiten.
Daarna reisde hij naar de Gallische provincies, waar hij alle steden steunde met velerlei gunsten en schenkingen. Vervolgens trok hij verder naar Germanië. Ook al verkoos hij vrede boven oorlog, toch trainde hij de soldaten alsof er oorlog dreigde en gaf hun duidelijk blijk van zijn eigen gehardheid. Hij leidde daar namelijk zelf het soldatenleven te midden van de manipels en gebruikte met smaak in de openlucht het kampvoedsel, zoals spek en kaas waarbij hij zure wijn dronk naar het voorbeeld van Scipio Aemilianus, Metellus en zijn eigen vader Traianus. Hij gaf velen beloningen en enkelen onderscheidingen om ervoor te zorgen dat ze ook zijn hardere opdrachten accepteerden. Zo herstelde hij de discipline die na Caesar Octavianus door onbekommerdheid van zijn voorgangers was verslapt. Hij regelde ook de taken en uitgaven, en nooit stond hij toe dat ook maar iemand zich zonder gegronde reden buiten het kamp bevond. Niet een wit voetje bij de soldaten, maar rechtvaardigheid was voor hem een aanbeveling om iemand tribunus te maken. Ook stimuleerde hij anderen door zijn eigen voorbeeldige moed, want hij liep wel twintig mijl in soldatenuitrusting, liet eetzalen, galerijen, ondergrondse ruimtes en prieeltjes verwijderen uit het kamp, droeg vaak de simpelste kleding, een riem zonder gouden versieringen met een gesp zonder edelstenen, wilde vrijwel nooit een zwaard dragen met ivoren gevest, bezocht zieke soldaten in hun eigen ziekenafdelingen, koos de plek uit voor een legerkamp, gaf de centuriostaf alleen aan wie sterk was en een goede reputatie had, maakte iemand alleen tribunus als hij volledige baardgroei had of althans een leeftijd waarop men door verstand en levenservaring het tribunaat aanzien verleende, stond niet toe dat een tribunus ook maar iets cadeau kreeg van een soldaat, verwijderde overal alle verfijnde luxe, en verbeterde ten slotte de wapens en gehele uitrusting. Verder zei hij over de duur van de militaire dienst dat hij vond dat in overeenstemming met de traditie niemand in het kamp mocht verblijven die zo jong was dat hij het niet aankon of zo oud dat het niet meer humaan was. Hij deed zijn best om de soldaten en hun aantallen te kennen.
Verder streefde hij ernaar precies op de hoogte te zijn van de legervoorraden en controleerde hij zorgvuldig de inkomsten uit de provincies zodat hij voor aanvulling kon zorgen wanneer ergens een tekort aan was. Toch streefde hij er meer dan anderen naar nooit iets te kopen of te laten onderhouden wat niets opleverde.
Nadat hij dus met keizerlijk gezag het leger gedisciplineerd had, trok hij naar Britannië, waar hij veel veranderingen tot stand bracht en waar hij als eerste, en wel over een afstand van tachtig mijl, een muur liet aanleggen om een scheiding aan te brengen tussen Romeins en barbaars gebied.

[...]

Athenaeum - Polak & Van Gennep

MINDBOOKSATH : athenaeum