Leesfragment: KortVerhaal, lente 2012

27 november 2015 , door Philip Snijder
| | | |

Eind maart verschijnt het Italiënummer van KortVerhaal, met werk van Dino Buzzati, A.H.J. Dautzenberg, Curzio Malaparte, Alberto Moravia, Leonardo Sciascia, Philip Snijder, Thomas Verbogt en L.H. Wiener. Vanavond mogen we de bijdrage van Philip Snijder, 'Doorlopende voorstelling', voorpubliceren.

Doorlopende voorstelling

Het begroetende knikje van de oudere dame met leesbril in het kassahokje was een knikje van herkenning. Het lukte me al een tijd niet meer mezelf wijs te maken dat ik het me verbeeldde. Na alle jaren trouw bezoek, soms meerdere malen in één week, was ik hier een vaste klant geworden, een habitué, een vertrouwd gezicht. En dat terwijl ik tijdens de kwart minuut dat ik voor haar raampje moest staan - en in de fel verlichte entree vol foto’s en posters dus zichtbaar was voor de voorbijgangers in de bocht van de Nieuwendijk - altijd toch zo mijn best deed om onherkenbaar te zijn. Hoofd tussen de schouders en zoveel mogelijk naar beneden gebogen, het haar ver over voorhoofd en wangen gedrapeerd, een hand over mijn mond, als probeerde ik een hoestbui binnen te houden. Misschien waren het juist wel deze benauwde kunstgrepen, deze tegen beter weten in volgehouden verdwijntrucs, waaraan de caissière me glimlachend herkende. Maar waarschijnlijker was het dat ik hier opviel omdat ik een van de zeer weinige bezoekers was die nog geen recht hadden op AOW. Van openings- tot sluitingstijd zag de breiende, grijze kaartjesverkoopster vanuit haar cabine namelijk vrijwel uitsluitend leden van haar eigen generatie voor zich verschijnen - mannelijke. Dan zorgde zo’n schutterig jong ventje, dat je niet durfde aan te kijken en zo snel mogelijk onzichtbaar wilde worden in de duisternis van de zaal, natuurlijk voor een aangename variatie.
Ook deze avond had ik voor ik van huis was weggefietst het te betalen bedrag al exact gepast uit mijn portemonnee gehaald en los in mijn achterzak gestopt. Dit om extra seconden vergend gepeuter en gezoek met haastige, bevende vingers - en het risico dat de portemonnee daardoor, zoals een keer was gebeurd, uit mijn handen zou vallen - te voorkomen. Zoals altijd zeiden de vrouw en ik tijdens de transactie niets tegen elkaar. Nooit wisselden we gesproken groeten of beleefdheidsformules uit. Ik duwde het geld door de spleet onder in haar raam en maakte een vaag gebaar met mijn wijsvinger: één kaartje, graag. Zij had de rol al in haar hand, scheurde er een af en schoof me dat toe. Op het moment dat ik het wegpakte, maakte ik altijd dezelfde vergissing - ook vanavond weer. In een reflex sloeg ik even mijn ogen op, waardoor ik haar gezicht in beeld kreeg. En waardoor ik moest zien dat ze over haar leesbril heen goedmoedig maar licht vermanend naar me keek. Ook vanavond bereikte me uit die moederlijke blik onloochenbaar en pijnlijk de boodschap die ze me al jaren, bij elk bezoek weer, toezond: ‘Dit hier is toch niks voor zo’n leuke jonge jongen als jij bent…!’
Snel stapte ik voor haar cabine weg, in de richting van de klapdeuren naar de zaal.
Eén keer, een jaar of drie geleden, ik was nog een beginneling hier, had ik wél kort met de kassadame gesproken. Althans, ik had met wild kloppend hart en vlammend hoofd iets bevestigends gestameld als antwoord op de bitse vraag die ze door de spreekgaatjes in het raampje onverhoeds op me af schoot.
‘Zeg, jij bent toch wel achttien, hè?’
Ze had de zaak niet op de spits gedreven en, terwijl ik met sputterende lippen nog heftig stond te knikken, mijn geld al naar zich toe getrokken en het kaartje door de spleet geschoven. Waarna ze nog een volgende zin had uitgesproken - de tweede en laatste keer dat ik haar gebruik had horen maken van haar stem.
‘Ja, want je kan het tegenwoordig niet meer zien, hè, met al dat haar voor jullie gezicht…’
Ik duwde de klapdeuren een klein stukje naar voren. Uit de kier werd ik verwelkomd en naar binnen genood door een vlaag van de overbekende geluiden die hier van het middaguur tot middernacht - ‘Doorlopende Voorstelling!’ - de zaal op dreunend volume vulden. Ik werd erdoor naar voren gezogen, de klapdeuren door. Een meter daarachter hing een zwaar fluwelen gordijn, waar ik me op de tast snel langs werkte.
Nu was ik definitief opgeslokt door de pornobioscoop. In de komende uren zou ik me mogen koesteren in de zaligheid van zijn binnenste, onvindbaar voor de wereld, maar ook voor bezwarende gedachten en verplichtingen die rondspookten in mijn eigen hoofd. Hier zou geen knagend schuldgevoel, geen ondraaglijk besef van mislukking, me weten lastig te vallen. Werd ik in de buitenwereld voortdurend bestookt door mensen die mijn ziel en geweten wilden binnendringen, hier vormden zij, wat het opeisen van mijn aandacht betreft, geen enkele partij voor hun concurrenten op het filmdoek. Als iemand die net aan een groot gevaar is ontsnapt, zuchtte ik mijn longen leeg. De behaaglijke gejaagdheid waarvoor ik hier kwam, stroomde al gehoorzaam mijn bloedbaan binnen.
Rechts van mij, aan de andere kant van de ruimte, was het scherm. Ik keek er nog niet naar, maar in mijn ooghoek kwamen als een druk lichtspel wel de bewegingen van de beelden door. Juist nu waren de kreten, kreunen en zuchten uit de speakerboxen buitengewoon hard en heftig, wat stekende nieuwsgierigheid en ongeduld in me deed oplaaien. Maar ik hield mijn hoofd nog recht vooruit gericht. Kijken mocht ik van mezelf pas als ik was weggezakt in zo’n pluchen klapstoel. Hier achterin de zaal, het donkerste deel, kon ik dicht bij me nauwelijks iets zien. Met de plooien van het gordijn tegen mijn rug bleef ik stokstijf staan en tuurde de duisternis in. Als een vuurvliegje in de nacht kwam daar een lichtje aangezweefd om me te verlossen uit mijn blindheid: de ouvreuse.
De programmering mocht dan al vele jaren bestaan uit de allerschamelste producten die de cinematografie had opgeleverd, hier aan de Nieuwendijk hield men koppig vast aan de standing en service die bij de ouderwetse, fatsoenlijke bioscoop hoorden die ze ooit waren geweest. En dus bracht, in een donderend kabaal van seksgeluiden en beschenen door beelden van gigantische spuitende penissen en wijd opengetrokken vulva’s, een echte ouvreuse je naar je plaats. Net als de caissière was het een keurig geklede en gekapte dame op leeftijd, die hier waarschijnlijk al hetzelfde werk deed toen haar klanten - fris ruikende, blijmoedige echtparen, natuurlijk, die haar gulle fooien gaven - kwamen genieten van het romantische gezwier van Fred Astaire en Ginger Rogers.
Oude rot die ik hier inmiddels was, had ik bij mijn allervroegste bezoeken nog meegemaakt dat de pornofilm halverwege werd onderbroken voor een officiële bioscooppauze. Steevast op het hoogtepunt van een scène sloeg het doek plotseling op blank en sprong, tot ontsteltenis van de onderuitgezakte clientèle, het grote licht aan. Vanachter uit de zaal kwam dan over het middenpad de ouvreuse aanlopen, met een groot plateau voor haar buik, riemen over haar schouders. In een atmosfeer die nog natrilde van het orgastische gebulder, klonk haar dunne damesstem.
‘IJs, chocolade-ijs! Coca-cola!’
Eén keer had ik wel degelijk iemand onzeker en houterig zien opstaan om een ijsje bij haar te gaan kopen. Alle andere mannen in de zaal, gewend dat iedereen deze minuten in het meedogenloos felle licht onbeweeglijk en zoveel mogelijk niet-bestaand probeerde uit te zitten, volgden geschokt zijn handelingen. Ik had de indruk dat ook de verkoopster van de consumpties zelf zich geen raad wist met de onvoorziene klandizie. Een jaar of twee geleden waren de pauzes afgeschaft.
Bij het gordijn nam de ouvreuse mijn kaartje aan en sloeg er, terwijl ze het bescheen met haar zaklamp, door haar leesbril een blik op. Dat moest een ingesleten gewoonte zijn uit de tijd dat de zaalplaatsen nog verschillende rangen kenden, parket, stalles, loge. Nu was er op het kaartje geen enkele informatie te vinden. (Behalve dan, helaas, de in heel Amsterdam bekende naam van de bioscoop, waardoor ik er altijd goed aan moest denken het strookje viltpapier weg te gooien voor ik thuis was, opdat het niet in onze woning zou gaan rondzwerven en mijn vriendin onder ogen kon komen.) In de paar seconden dat de lamp zich hoog genoeg bevond om onze gezichten te beschijnen, zag ik dat ook de ouvreuse, als altijd, even de jeugdigheid van mijn verschijning registreerde, waarop in haar blik hetzelfde verwijtende commentaar verscheen dat ik net van haar collega bij de kassa al had meegekregen.
Nu richtte ze haar zaklamp achter zich op de grond, zodat ik kon zien waar ik mijn voeten moest zetten om niet over een paar in het middenpad gestrekte benen te struikelen, en schommelde de vrouw voor me uit. Ergens in het midden van de zaal hield ze halt en gaf ze me mijn kaartje terug. Door de lichtstraal even snel over wat knieën te zwiepen, wees ze me welke rij ik in moest en waar nog plaats was. Toen ik me tastend langs de eerste benen begon te manoeuvreren, knipte ze haar lamp uit en liep ze weer naar achteren.
In het gekleurde licht dat van het doek kwam wist ik mijn weg te vinden, al bleef ik wel een paar keer, steeds met een schok van weerzin, haken aan een geërgerd benenpaar. Toen ik achter me de eerste leegte voelde, duwde ik de dikke pluchen klapzitting naar beneden. Met vertrokken gezicht en op elkaar geklemde tanden liet ik een paar keer snel mijn vingertoppen over de stof gaan, maar die bleek droog te zijn. Ik zakte neer, zorgde ervoor dat mijn ellebogen op de leuningen geen contact maakten met die van de schimmen links en rechts van me, en richtte mijn ogen, voor het eerst sinds ik binnen was, op het filmdoek.
De afgelopen jaren was ik nog nooit teleurgesteld, en ook nu was daar meteen de vervoering, de roes, de trance. Het meest leek de verzaligde toestand die over mijn lichaam en geest kwam misschien wel op een alle omringende werkelijkheid uitwissende slaap, waarin alleen nog aandacht kan bestaan voor het grote bioscoopscherm van de dromen. Mijn lijf smolt weg in zijn eigen gloeien, in mijn hoofd werd elke hersencel ingezet om de binnenkomende beelden zo volledig mogelijk te verwerken. Na een paar minuten op zo’n zachte klapstoel in de Parisien kéék ik niet meer naar porno, maar was ik het gewórden. En precies dat was wat me hier, dwars door mijn walging en zelfhaat heen, naar toe bleef trekken. Dat was waarvoor ik bereid was een of twee keer per week, naast de kosten van het entreekaartje, de prijs van vernedering en schaamte te betalen: deze verlossende metamorfose, deze mogelijkheid weg te glijden uit mijn persoon en een paar uur in een staat van onthechte dierlijkheid te verkeren.
Wat de vertoonde films betreft had er in de paar jaar dat ik hier kwam een zegenrijke evolutie plaatsgevonden. De idiote opvatting - die werd gehuldigd in bijvoorbeeld de Zweedse en Duitse producties uit de begintijd - dat er in een seksfilm een verhaal moest worden verteld, en dat er daartoe ook scènes in moesten voorkomen waarin de acteurs níét naakt waren, en ze met iets ánders dan seks bezig waren, was godezijdank losgelaten. De Amerikaanse films die nu op het programma werden gezet - elke week een nieuwe, al was dat soms moeilijk te zien - kwelden de toeschouwer niet met overbodige, niet terzakedoende verbindingsscènes van wandelingen aan het strand of etentjes bij kaarslicht. Tijdens die stukken zonder seks - zo slecht geacteerd dat je, als je niet oppaste, ervan in de lach kon schieten - was het een hele kunst om de roes vast te houden, om die roes de overtocht te laten maken naar de volgende relevante beelden, en om het innerlijke protest tegen je eigen aanwezigheid hier niet te gaan horen. Maar die problemen waren gelukkig voorbij. Ook de film waarin ik me deze avond liet wegdrijven, was natuurlijk van het goede soort.
Er was altijd één moment, en dat ging nu bijna aanbreken, waarop ik korte tijd teruggehaald werd uit mijn onderdompeling en me weer pijnlijk bewust werd van waar ik me bevond. Na een minuut of tien raakten mijn ogen zo gewend aan het donker om me heen dat ik wist nu in staat te zijn de gezichten van de eerste twee of drie mannen links en rechts naast me te ontwaren. Het lukte me dan nooit vóór me te blijven kijken. Door een onweerstaanbare aandrang werd ik gedwongen even snel maar oplettend die gezichten te beloeren. Met de altijd weer even hevige angst dat ik zo’n gezicht zou herkennen. En dat het, als reactie op mijn staren, zou terugkijken. En míj zou herkennen. Een oom, een buurman, een vroegere leraar, een collega-schoonmaker van het uitzendbureau. Nog nooit had zoiets zich voorgedaan, maar telkens als ik me opmaakte opzij te gaan kijken, dacht ik zeker te weten dat dit de eerste keer zou worden.
Ook nu moest ik even diep inademen om moed te verzamelen voor mijn inspectie. Zo langzaam mogelijk, zonder bruuske bewegingen waarmee ik de op het scherm gefixeerde blikken naar me toe zou kunnen trekken, boog ik iets naar voren en draaide mijn hoofd naar links. Inderdaad kon ik de drie mannen die daar op een rij naast me zaten nu zonder moeite zien, vooral ook doordat er juist op dit moment veel helder licht van het scherm kwam. Van de buitenste liet ik mijn ogen naar de middelste glijden, om vervolgens uit te komen bij de figuur direct naast me. Op links alles veilig, rapporteerde ik aan mezelf. Een trio doodnormale, anonieme Parisienmannetjes zat daar: allemaal minstens drie keer zo oud als ik, mond iets open, brillen op hun neus naar voren gegleden, regenjassen of linnen boodschappentasjes op hun schoot. Net zo langzaam draaide ik mijn hoofd weer recht vooruit, waarna ik even naar het doek bleef kijken. Toen startte ik mijn draai naar rechts.
Ook nu begon ik bij de derde, de figuur die het verst van me verwijderd zat. Die was qua type het spiegelbeeld van zijn tegenhangers op de linkerflank, en net als hen had ik hem - behalve dan misschien ooit eens in deze zelfde bioscoopzaal, maar dat kon me niet deren - nooit eerder gezien. Nu richtte ik mijn blik op het middelste lid van het rechterrijtje. En kneep meteen daarna even mijn ogen samen om te controleren of mijn waarneming correct was geweest. Zeker: daar zat - met als ik het goed zag een glimlachje rond zijn lippen - een man naar het scherm te kijken die niet bejaard was. Wel ouder dan ikzelf, maar waarschijnlijk nog onder de dertig.
In mijn Parisienjaren had ik twee, misschien drie keer eerder bezoekers in de zaal gezien die hier door hun leeftijd uit de toon vielen. Maar dat waren net als ik jongens van rond de achttien geweest die, schuw weggedoken achter hun kraag en lange haar, zaten bij te komen na het nemen van de dubbele barrière van kassadame en ouvreuse. Een man zoals deze, al een eind op weg in de volwassenheid maar nog wel jong, had ik hier nog nooit gezien. Ik keek nog eens goed naar zijn gezicht. Wel degelijk: de pornobeelden deden hem glimlachen. Dat beviel me allerminst. Ik draaide mijn hoofd nog iets verder naar rechts om nu de laatste man, wiens stoel een leuning met de mijne deelde, in ogenschouw te nemen.
Vrijwel op hetzelfde moment zat ik weer recht en staarde ik met wijd open ogen naar het scherm. Waarop ik niets anders zag dan de flits nachtmerrie die zich een seconde geleden in mijn netvliezen had gebrand. Mijn hart was via mijn luchtpijp omhoog geschoten en probeerde zich door mijn mond naar buiten te persen, waardoor ik nauwelijks kon ademhalen. In mijn hele lijf had ik het gevoel of ik onder zware stroom was gezet. Toch bleef ik volkomen bewegingloos zitten staren.
Na minstens een volle minuut lukte het me mezelf weer wat bij zinnen te krijgen. En zag ik in dat de absoluut onmogelijke, volstrekt ondenkbare aanwezigheid die ik op de stoel naast me dacht te hebben gezien, natuurlijk een speling moest zijn geweest van het continu versPringende, veelkleurige licht dat van het doek kwam. Het volgende moment zat ik innerlijk te gniffelen om de optische misleiding die me zo’n existentiële schok had bezorgd. Ik wachtte nog even en draaide toen, om het beeld te corrigeren, mijn hoofd opnieuw naar rechts.
En keek voor de tweede keer in het gezicht van - ontkennen was nu niet meer mogelijk - een vrouw.
Een jonge vrouw die, me recht aankijkend, met vriendelijke, geamuseerde ogen mijn blik begroette - wat ze de eerste keer ook al had gedaan. Zo verlamd en ontregeld was ik nu dat ik vergat mijn hoofd weer naar voren te draaien. Apathisch, wanhopig wachtend tot dit spookbeeld zou vervliegen, bleef ik naar haar kijken, naar haar gezicht, haar haar, haar jurk. Ik zag nu ook dat ze hand in hand zat met de jonge, glimlachende man aan haar andere kant. Toen ik haar weer aankeek, was er opeens veel licht van het doek en kon ik zien dat ze nog steeds naar me terugkeek, maar nu haar wenkbrauwen iets had gefronst en haar hoofd een fractie opzij had gekanteld.
Zonder mijn gebruikelijke omzichtigheid van bewegen draaide ik in één ruk mijn hoofd weer vooruit. Maar mijn blik wilde nu met geen mogelijkheid omhoog, naar de filmbeelden op het scherm. Ik kwam uit op de achterkant van de stoel vóór me, en daaraan bleven mijn ogen, alsof door de snelle draai plotseling mijn nek was geblokkeerd, onwrikbaar vastgekleefd zitten.
Bij het eerstvolgende aanzwellen van het gekerm uit de speakerboxen stond ik op. Met ruwe stoten tegen de benen baande ik me een weg en wrong me linksaf de rij uit. In een tempo waarvan ik hoopte dat het nog net niet als wegrennen zou worden herkend, verliet ik de Parisien.

Kort Verhaal

Uitgeverij Mouria

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum