Leesfragment: Manieren om naar huis terug te keren

27 november 2015 , door Alejandro Zambra
| |

22 oktober verschijnt de nieuwe roman van Alejandro Zambra, Manieren om naar huis terug te keren, vertaald uit het Spaans door Luc de Rooy. Wij brengen een uitgebreid fragment.

Zambra signeert 26 oktober, vanaf 16.30, zijn nieuwe roman bij Athenaem Boekhandel aan het Spui.

In Manieren om naar huis terug te keren, zijn langverwachte derde roman, laat Alejandro Zambra een generatie aan het woord die in ‘de roman van de ouders’ opgroeit. Een generatie van kinderen die lange tijd geloofden dat zij als ‘secundaire personages’ geen rol van betekenis hadden in het groteske zwart-witverhaal van de Latijns-Amerikaanse geschiedenis met haar dictators en onderdrukten.

Zambra wisselt in deze roman tussen de hilarische, ontroerende stem van een jongetje van negen, en de liefdevolle, berustende stem van een jonge schrijver, die veel van de auteur wegheeft. En zo vertelt hij in verschillende versies het verhaal van zijn generatie, en komt erachter dat niets is wat het lijkt, dat niemand onschuldig is, en dat het terugroepen van een verloren generatie niet simpelweg gaat door je af te zetten tegen je ouders, maar dat je daarvoor ook je eigen falen genadeloos bloot hoort te leggen.

Met Manieren om naar huis terug te keren maakt Alejandro Zambra de hooggespannen verwachtingen helemaal waar.

Wij publiceerden al eerder voor uit Zambra's tweede roman, Het verborgen leven van bomen.

[...]

Raúl was de enige in de wijk die alleen woonde. Ik vond het moeilijk me voor te stellen dat iemand alleen kon leven. Ik dacht dat alleen leven een soort straf of ziekte was.
De ochtend dat hij hier met een matras boven op zijn Fiat 500 aan kwam rijden, vroeg ik mijn moeder wanneer de rest van zijn familie zou komen, en zij antwoordde begripvol dat niet iedereen een familie had. Ik vond meteen dat we hem moesten helpen, maar naderhand begreep ik tot mijn verbazing dat mijn ouders er weinig voor voelden Raúl te helpen, dat ze meenden dat het niet nodig was, dat ze zelfs een soort weerzin ten opzichte van die magere, zwijgzame man voelden. We waren buren, we deelden een muur en een ligusterheg, maar er gaapte een enorme kloof tussen ons.
In de nieuwbouwwijk werd gezegd dat Raúl christendemocraat was en dat vond ik interessant. Het is moeilijk uit te leggen waarom een jongen van negen het interessant vond dat iemand christendemocraat was. Misschien dacht ik dat er een verband bestond tussen het christendemocraat zijn en de verdrietige situatie van het alleen wonen. Ik had mijn vader nooit met Raúl zien praten, daarom was ik er erg van onder de indruk dat ze die avond samen een sigaret rookten. Ik dacht dat ze het over zijn eenzaamheid hadden, dat mijn vader onze buurman adviezen gaf om zich over die eenzaamheid heen te zetten, al wist hij daar vast en zeker niet heel veel over te vertellen.
Ondertussen omhelsde Magali Claudia, in een hoekje iets terzijde van de groep. Ze leken zich niet erg op hun gemak te voelen. Uit beleefdheid, maar misschien ook wel om haar een streek te leveren, vroeg een buurvrouw aan Magali wat ze voor de kost deed, en zij antwoordde meteen, alsof ze de vraag verwacht had, dat ze docente Engels was.
Het was al laat geworden en ik werd naar bed gestuurd. Met tegenzin probeerde ik een plek te vinden in de tent. Ik was bang dat ik in slaap zou vallen, maar ik vond afleiding in het luisteren naar de stemmen die opgingen in de nacht. Ik begreep dat Raúl de vrouwen was gaan wegbrengen, want nu begonnen ze over hen te roddelen. Een stem zei dat het meisje raar was. Ik had haar helemaal niet raar gevonden. Ik had haar juist mooi gevonden. En de vrouw, zei mijn moeder, leek helemaal niet op een docente Engels – ze had de uitstraling van een doodgewone huisvrouw, voegde een andere buurman eraan toe, en zo gingen ze nog even op een lacherige toon verder.
Ik dacht aan het gezicht van een docente Engels, aan hoe het gezicht van een docente Engels eruit moest zien. Ik dacht aan mijn moeder, aan mijn vader. Ik dacht: wat voor een gezicht hebben mijn ouders. Maar ouders hebben eigenlijk nooit echt een gezicht. We leren nooit goed naar ze te kijken.

 

 

Ik dacht dat we weken, misschien wel maanden onder de blote hemel zouden doorbrengen, wachtend op een vrachtwagen met voedsel en dekens in de verte, en ik zag zelfs voor me dat ik op televisie zou komen, waar ik alle Chilenen zou bedanken voor de hulpgoederen, zoals bij overstromingen – ik dacht aan die vreselijke overstromingen van de voorbije jaren, toen ik de straat niet op kon en het bijna verplicht was voor het televisiescherm te blijven zitten om te kijken naar de mensen die alles verloren hadden.
Maar zo verliep het niet. De rust keerde zo goed als meteen weer terug. In die verlaten uithoek ten westen van Santiago had de aardbeving eigenlijk alleen maar voor flinke ongerustheid gezorgd. Er gingen nogal wat muren tegen de vlakte, maar meer schade, laat staan doden of gewonden, was er niet. Op televisie werd de verwoeste haven van San Antonio getoond en verschillende straten die ik gezien had of meende te hebben gezien tijdens de zeldzame keren dat ik in het centrum van Santiago was geweest. Verward voelde ik aan dat daar wel echt werd geleden.
Als we daar iets van hadden moeten leren, dan hebben we dat niet gedaan. Nu denk ik dat het goed is je vertrouwen eens helemaal te verliezen, dat het noodzakelijk is te weten dat alles kan instorten, dat je van het ene op het andere moment alles kunt kwijtraken. Maar toen gingen we gewoon door met ons normale leven.
Papa stelde tevreden vast dat er weinig schade was: niet meer dan een paar scheuren in de muur en een gebroken ruit. Mijn moeder rouwde alleen maar om het verlies van de dierenriemglazen. Acht stuks waren gebroken, waaronder dat van haar (Vissen), dat van mijn vader (Leeuw) en dat wat oma gebruikte wanneer ze bij ons op bezoek kwam (Schorpioen) – da’s toch geen probleem, we hebben nog meer glazen, zoveel hebben we er ook niet nodig, en zij diende hem van repliek door hem niet aan te kijken, want ze keek mij aan: alleen het jouwe is nog heel. Meteen ging ze het glas van het sterrenbeeld Weegschaal zoeken, om me dat plechtig te kunnen geven, en de volgende dagen bleef ze een beetje terneergeslagen, terwijl ze nadacht over wie van de Tweelingen, Maagden of Watermannen die we kenden we de glazen cadeau konden doen.
Het goede nieuws was dat we lange tijd niet naar school hoefden. Het oude gebouw had zware schade opgelopen en degenen die het gezien hadden, zeiden dat er alleen nog maar een ruïne van over was. Ik vond het moeilijk de school zwaarbeschadigd voor me te zien, al was het niet zo dat ik erom rouwde. Ik was eenvoudigweg nieuwsgierig. Ik dacht vooral aan het afgetrapte stuk grond helemaal achter aan het terrein, waar we tijdens vrije uren speelden, en aan de muur die de leerlingen van de middelbare school volkrasten. Ik dacht aan al die berichten die in stukken waren gebroken, verspreid tussen de puinstukken op de grond – grappige boodschappen, zinnen voor of tegen Colo-Colo of voor of tegen Pinochet. Om één zin in het bijzonder moest ik altijd erg lachen: Pinochet houdt wel van een piemel.
Ik was destijds fan van Colo-Colo (dat ben ik altijd gebleven en zal ik ook altijd zijn). Wat Pinochet betreft, voor mij was hij een figuur op televisie die een programma presenteerde zonder vaste uitzendtijden, en daar haatte ik hem om, om die saaie nationale zenders die een programma onderbraken wanneer het net spannend begon te worden. Later haatte ik hem als klootzak en als moordenaar, maar destijds haatte ik hem alleen nog maar om die idiote shows waar mijn vader naar keek zonder een woord te zeggen, zonder een gebaar te maken, behalve dat iets diepere trekje aan de sigaret die altijd in zijn mond hing.

 

 

Copyright © 2011 Alejandro Zambra en Anagrama S.A., Barcelona
Copyright Nederlandse vertaling © 2012 Luc de Rooy en Uitgeverij Karaat, Amsterdam
Auteursportret © Alexandra Edwards

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum